Waterpas

‘Le gros mangeur qui désire un steak saignant le commande bleu, peut-être pour oublier sa vraie couleur de sang.’ Jacques Prévert
Alles aan het tafelkleed is recht en wit als sneeuw op het ijs. Wanneer je er met je vinger overheen strijkt, voelt het als de huid van een gewone muis. Wel veel kouder.

Perspectief is alleen zichtbaar indien noodzakelijk. Als je de afstand tot het huis waar je zijn moet probeert te schatten. Het aantal langs de wand geplaatste tafels telt. Of probeert uit te vinden of de vis op een ander bord groter is dan die jou is toebedeeld. Aan een kleine tafel zittend, voor één of twee personen, zie je niet dat de lijnen die de linker- en rechterkant van de tafel vormen, naar hetzelfde punt wijzen. Zich naar elkaar toe willen buigen. Het lukt niet. Omdat ze niet anders dan recht zijn. Verplaatsing door middel van de voeten, op korte afstand bewegingen van het hoofd, stellen je in staat de lijnen naar eigen luim te verkorten of langer te maken.
De ober heeft ongezien en zwijgend het bord op tafel gezet. Alsof het zonder omwegen is afgedaald uit het plafond. Loodrecht naar beneden gevallen. Biefstukperspectief. De vork zoekt waterpas contact. Valt als een bidsprinkhaan. Maar die ander, aan de overkant, is er een zoals je zelden ziet. Op het moment dat het bord warm eten in zicht komt staat hij op. Hangt zijn jasje over de rugleuning. Gaat opnieuw zitten, maakt de knoop in zijn das wat losser. Linkerhand tast al naar de vork en de andere zorgt ervoor dat de stropdas, als een richtingaanwijzer die het op zijn achterwerk heeft gemunt, alsnog op zijn rug komt te hangen.
Runderbloed zet zich als vette dauw vast op onze tong en tanden.
Valt daar toch nog een druppel, alhoewel licht gezeefd door overhemd en onderkleding, in mijn navel?