TONEEL

Waterverf in de regen

‘t Barre Land

De toneelverslaggever heeft zich niet voorbereid. Hij weet niet waar hij in belandt. De beschrijving zou als volgt kunnen beginnen. Een kale ruimte, links tegen de zijwand gestapelde spullen, deels ingepakt (doeken?), deels gebruiksvoorwerpen (houten ladder, emmers), net voor de achterwand een geluidsinstallatie. Rechts een bank van twee staanders en een doorgebogen zithout. De zijwanden zijn zwart, gedeeltelijk geschilderd in grijsgroen. Drie figuren. Links achter zit een man op de ingepakte spullen, een tweede man zit op de ‘bank’, een vrouw zit rechts tegen de wand. Ze zitten daar of het straks zou kunnen beginnen. Maar ze beginnen niet. De openingsstilte is zo kalm dat we gissen mogen of een heel zachte dreun (hartenklop) of het geluid van spontaan krakend hout van elders komt of van hier is. Op een zeker moment (vrouw zet glas neer, maar het kan iets anders geweest zijn) bewegen de drie figuren en spreken ze, door elkaar aanvankelijk, nogal onverstaanbaar, maar binnen een kleine binnenzee van tijd tekenen zich onderlinge verhoudingen af.

De ene man lijkt ongemakkelijk en doet onhandige dingen waarvoor hij zich verontschuldigt, de tweede man communiceert met iemand van buiten, die aanvankelijk alleen fagot speelt, maar daarna ook spreekt, of misschien is dat weer een ander, een beeldend kunstenaar zo lijkt het, iemand die buiten wil aquarelleren terwijl het giet, zo'n man.

De vrouw reageert met frivoliteiten, in woord en gebaar, en in gelaatsbeschildering en verkledingen, en ze beschrijft vrij precies de ruimte, die deel is van een groter geheel aan ruimten, en haar stemming, die deel is van een stroom aan stemmingen. De beide heren hullen op den duur hun naakte lijven in kimono’s die voor reuzen lijken gemaakt. De ene man houdt in de eerste helft van de voorstelling het contact met dat atelier in de buitenwereld gaande, daarna zwijgt hij. De andere man vertelt een verhaal over een etnoloog, die zó dicht bij een volk in de Indonesische archipel, de orang kubu geheten, wil verblijven, dat dit volk bijna zichzelf vernietigt door hem te negeren en steeds van hem weg te verhuizen. Dit verhaal wordt nét niet voltooid, in gedeeltelijke duisternis, terwijl op de achterwand schilderingen en atelierstillevens worden geprojecteerd die we herkennen van een stapeltje Hema-polaroids die bij de kassa van het theater lagen. Het trio buigt vervolgens en dan is het abrupt afgelopen. Uurtje, denk je. We blijken ruim twee uur verder te zijn.

Voor een toneelverslaggever was ik dus slecht voorbereid. Ik wist naar welke toneelspelers ik ging kijken, want daar ga ik altijd naar kijken omdat ik ze graag zie spelen. Vlak voor we naar binnen gingen had iemand me iets toegeroepen over een lievelingsboek van een dierbare schrijver. En ver over de helft van de avond begon me iets te dagen, trok er een lichte huiver van mijn kruin tot mijn onderrug. Ondertussen werd ik door de toneelspelers ergens in naar binnen getrokken, genood liever, want hoewel de sfeer tussen de figuren kribbig leek, voelde ik me zeer welkom. Ik wist vervolgens soms niet waar ik kijken en luisteren mocht, zat als een gek verbindingen te maken en te zoeken. De huiver kwam toen de man met het verhaal over dat oerwoudvolk orang kubu vertelde, dat zij telkens als er iemand van de stam gestorven was, woorden gingen opheffen en zo hun woordenschat willens en wetens verarmden. De voorstelling door het toneelspelersgezelschap ’t Barre Land wordt aangekondigd als het eerste deel van een serie, naar Georges Perec, Het leven een gebruiksaanwijzing. Ik ben op één avond verslaafd geraakt. En heb het boek vooralsnog even in de kast gelaten.

Volgende afleveringen: 17 t/m 20 november, Theater Kikker Utrecht. www.barreland.nl