De poëziezomer

Watou: het derde land

De 21-ste editie van de poëziezomer ‹Watou› is begonnen. Ditmaal met de titel ‹Een lege plek om te blijven›, naar een gedicht van Rutger Kopland. Schrijver Hafid Bouazza a is weer in alle staten.

De volgende regels uit Gorters Mei zijn een overpeinzing waard:

…er is iets dat mij bekoort

In ieder ding, en die dat weet, hij gaat

Altijd langs watren, door jong gras, en laat

Zijn voeten koel in dauw van wei.

Met de eerste stelling kunnen we het van harte eens zijn, maar waarom zou iemand die in ieder ding de bekoring ziet geen droge voeten houden en zijn oog uitlaten in een stenen landschap — de stad? Waarom zijn «watren en jong gras» bekoorlijker dan de nauwe steegjes waar buurvrouwen luidruchtig zijn, de kinderen onvermoeibaar en waar de aanblik van de hemel doorkruist wordt met waslijnen? Ik voel een gêne op het platteland waar ik niet elke bloem, plant en boom met naam en roepnaam ken, maar is dat zoveel erger dan niet weten van welke steen de straatklinkers op een plein zijn, rond en gebogen als de ruggen van een horde pelgrims verzonken in gebed? Is het goud en de honing van de zomer werkelijk mooier in de natuur dan in de stad, dan het botten en bloesemen van de vrouwen waaraan de blik zich vastklampt, lustiger dan elke bij aan een stamper? Is de ramsj van de herfst niet oneindig veel ellendiger in de stad, waar het spookt en regent en waar de mensen hun grondige eenzaamheid beseffen en het onvermogen om lief te hebben? En wat zouden de pollen en het stuifmeel van de winter zijn zonder het gevloek van de weergrommers («weertje — niet? —, buurman»), zonder de blosjes van de kinderen en het gelach van meisjes, dat alleen in de winter iriseert (in de herfst is dat geschater zilver)?

De waarheid is natuurlijk dat het verlangen van de jonge, grillige Gorter naar de natuur een gecultiveerd, gestileerd verlangen is, dat is terug te voeren naar de pastoralen van Theocritus en Vergilius met hun irritante herdertjes en al hun tamme volgelingen, onder wie Cervantes, P.C. Hooft (Edmund Spencer is, door zijn humor en erotische witz, een uitzondering), maar zelfs in Arcadië stinken geiten en zijn schapen misbaksels, wol en geanimeerd vlees op te korte pootjes. Ik wil niet Gorters gevoel en liefde voor de natuur in twijfel trekken. Wel is het zo dat pas toen hij alle conventies van zich afschudde en een en al oog en oor werd, of beter, toen zijn oor en oog een eenheid vormden, dat zijn genie pas toen tot rijping kwam, of het nou ging om de beschrijving van een werkkamer of een populier. Opvallend is dat ook in Mei de beschrijving van een kermis, of een dorp («maar de stille straat/ vergaarde schemer») overtuigender is dan de natuurdescripties, ondanks de vele fonkel juwelen die over dit werk verspreid zijn. Die herderinnetjes zijn trouwens toch onmogelijk maagd.

Het is verbazingwekkend hoe lang het heeft geduurd voordat dichters werkelijk gingen zien. Zij liepen ver achter de schilders aan. Lord Byron had alleen maar hoon over voor Coleridge, die in een van zijn gedichten spreekt over «the green evening» en Byron was een natuurliefhebber (een verschijnsel dat nooit uit de mode lijkt te raken). Zijn liefde voor de natuur was echter veel kleiner dan zijn oog ervoor, want zijn beschrijvingen missen elke oorspronkelijkheid en zijn palet (purper, geel, groen en blauw) was aan deze saletjonker overhandigd door generaties dichters die niet beschreven wat ze zagen maar wat ze lazen van andere dichters die het ook niet wisten. Er zijn oneindig veel meer kleuren en rake observaties in de klankschilderingen van Richard Strauss in zijn ondergewaardeerde Alpensymfonie: luister naar de zonsondergang, die een elegie is, een jammerklacht op een knekelveld van een horizon, waar de wolken ruïnes zijn en het domend licht een bloedbad is. Deze componist zag niet zozeer de dramatische, als wel de histrionische kwaliteiten van natuurverschijnsels (de waterval als klingelende nar). Daar kon Byron nog een puntje aan zuigen. En een avond kan wel degelijk groen zijn.

Zulke descriptieve platitudes zijn opmerkelijk genoeg afwezig bij de Arabische woestijndichters, die leefden van schaarse waterbronnen en overvloedige dicht. Met name Dhoe Roemmah (achtste eeuw), die bijzonder wrange beschrijvingen heeft van woestijnreizen, uitgeputte kamelen met neusgaten die bloeden van het getrek aan de leidsels, dommeldronken ruiters; brak, ondrinkbaar water en ingestorte putten, waar de spin zijn tent weeft en drogende bronnen waar de zandhoenders water opslaan voor hun jongen, en (mijn favoriet) een sprinkhaan die over gloeiende kiezels glijdt en vergeleken wordt met een ruiter die een ongezadeld paard probeert te bestijgen. Over oog voor detail gesproken. Overleven in de woestijn is blijkbaar een kwestie van zintuigen. En wat is een dichter, een kunstenaar anders dan een krachtige bundeling van de zintuigen? Alle zes zintuigen, wel te verstaan. En dat geldt ook voor ons, sterfelijke mensen.

Hoe wonderbaarlijk is de mens! Hoe nauwkeurig in evenwicht! Maar hoe breekbaar. Wie in de ban is van de zintuigen is zich ook bewust van de constante dreiging van waanzin. Hoor haar vervaarlijk blekken achter onze kalme rug. Merk op dat de gekte van Macbeth (Shakespeare is niet te vermijden als het over waanzin gaat) niet begint wanneer hij de bloedende geest van zijn slacht offer ziet, maar voordat hij zelfs een slacht offer maakt, wanneer een «dolk van de geest» hem de weg wijst naar de eerste moord (waarna hij verslaafd zal raken aan het moorden). «My eyes are made the fools of th'other senses,/ Or else worth all the rest» spreekt hij in de beroemde monoloog. Dit is een problematische zin, genot en nachtmerrie van exegeten, maar duidelijk is dat de ordelijke samenwerking van de zintuigen hier duchtig wankelt. Waanzin is slechts een kwestie van een verstoord metabolisme, een ontregeling van zintuigen. Een kleine afwijking in de serotoninehuishouding en onze zintuigen gaan met ons op de loop. Seroto nineremmers, de zogeheten indolen, staan garant voor een extatische staat van overdonderende schoonheid: laat dopamine regeren en de zintuigen dansen een stoelendans. Er is ontdekt dat de stof DMT, die in planten (zoals kanariegras) en in het ruggenmerg van de mens van nature voorkomt, in grotere mate aangemaakt wordt bij psychotische en schizofrene mensen. Deze stof is gesynthetiseerd en tegen hoge prijzen te krijgen voor een korte, spectaculaire trip. Heb ik al gezegd dat de mens een wonder is? Bij deze dan.

Deze dreiging van krankzinnigheid is de bron van de verontrustende ondertoon van geweld en wreedheid die de poëzie van Gwij Mandelinck kenmerkt. Zijn soms alledaagse lyriek heeft de klauwen van tragiek. Of moet ik zeggen dat de schaduw van lyriek tragiek is? Beschouw het volgende gedicht, Pijnbank getiteld:

Je strijkt. Terwijl je voet naar binnen staat

gedraaid, lijk je ingekeerd te zijn.

Zodra je mij bedreigt gaan neus en lip omhoog.

Die geven tanden bloot. Je hoofd wordt rood

En je besprenkelt breed het pak

waarin ik zat. Je heetste binnenkant

komt stomend op mij neer. Een pijnbank

is die plank, je zet mij naar je hand.

Alledaags, nietwaar? Maar sta stil bij de voet, die naar binnen gedraaid en de vrouw die «ingekeerd» is. Na twee geruststellende woorden («Je strijkt») wordt al spoedig het monster geboren. Dat draaien en inkeren, het rijzen van neus en lip geven het beeld de verwrongenheid die de schilderijen van Francis Bacon kenmerkt. We zijn hier in de hel, waar niet het strijkijzer gloeit en rood wordt, maar het hoofd van de vrouw. De vrouw wordt een boschiaans schepsel in de vorm van een stomend strijkijzer, met wanstaltige, gruwel-erotische connotaties («Je heetste binnenkant»). En wat doet de dichter? Hij geeft zich over, hij laat de vrouw haar woede en walm. Dit is ontwapenend. Het gedicht blijkt een liefdesverklaring, en liefde heeft wellicht meer met het oog dan met het hart te maken, Venus zij dank. Het hart is er alleen maar om op de pijnbank te worden gelegd, Cupido zij dank.

Zintuigen, Gwij Mandelinck — ah, gaat dit misschien over Watou?

Jazeker. De 21-ste editie van de poëzie zomer Watou is begonnen en uw onderdanige dienaar is weer in alle staten. Mandelinck mag dan, zoals altijd, afwezig zijn tussen de dichters die dit keer niet alleen te beluisteren en te lezen, maar ook te bezichtigen zijn (tel het aantal zweetdruppels rondom de lippen van Kopland, bewonder de schatkaart van spataderen op het gezicht van Hugo Claus), maar het is duidelijk dat Watou het gedicht is dat Mandelinck nooit heeft kunnen schrijven. Het is een vierdimensionaal gedicht. Een geslaagd gedicht, dit jaar niet in samenwerking met Jan Hoet, maar met de curatoren beeldende kunst Ann Demeester en Pier Luigi Tazzi.

Zijn woord en beeld te verenigen? Volgens Demeester is dat een onmogelijkheid, die het werk voor haar juist uitdagend maakt. Beeld is beeld en woord is woord en nooit zullen de twee samenkomen? Is dat wel zo? Er is wel degelijk een bindende factor tussen de beeldende kunst en de poëzie, namelijk het auditieve gedeelte: de stemmen van de dichters, het geluid van sommige installaties en de muziek. Ik zou de bezoekers aanraden om dit stiefkindje wat meer aandacht te geven. Maar om op beeld en woord terug te komen. Ik zou zeggen: woord = beeld. Het vocabulaire van elke taal is eindig, ook al verandert een taal voortdurend (sommige talen sneller dan andere), maar het metaforische gebruik van de taal (de poten van tafel en dier, de boezem van aarde en mens) is oneindig. Volgens de psycholoog Julian Jaynes (The Origin of Conciousness in the Breakdown of the Bicameral Mind) is het bewustzijn van de mens begonnen met de metaforische ontwikkeling van de taal. Toen de mens taal niet alleen als communicatiemiddel ging gebruiken, maar als een orgaan van perceptie, om de wereld met klanken te stofferen (terwijl ik dit schrijf is een vlieg op mijn laptop bezig zijn ledematen schoon te wrijven, zeer elegant en zeer nauwkeurig, zoals in Marokko bij onze dorpspomp meisjes dat deden na een zondige ontmoeting, in lange halen van enkel tot de pijnlijke, hartverscheurende schaduwkant van hun dijen — zij waanden zich onbespied!). Wie denkt er werkelijk in woorden? Of denken wij misschien in schaduwen van woorden? Maar is de schaduw van een woord niet anders dan een beeld — en omgekeerd?

Ik ben mij er bewust van dat dit niet een discussie is waarover ooit uitsluitsel zal bestaan en het is ook niet een discussie die boeiend is. Het doel van Watou is niet woord en beeld samen te brengen, maar om de deuren van perceptie (de zintuigen) open te zetten en «het hart» van die zintuigen, namelijk de geest, de associatieve, promiscue geest een vrijplaats voor losbandigheid te bieden. Met andere woorden: het is de burcht van een potente Blauwbaard, waar alle kamers openstaan en de vrouwen gelukkig en uit de dood verrezen zijn. De broer, de verlosser, is in dit geval niet welkom: hij is namelijk de rede. En aan rede hebben we hier niks.

Een lege plek om te blijven is de titel van deze Watou, naar het overbekende gedicht van Rutger Kopland. Watou die altijd koketteerde met tijdelijkheid en sterfelijkheid lijkt nu niet naar blijvendheid te verlangen, maar naar een thuis. Ik zeg «koketteren» omdat er nog duidelijk poëtische sporen te vinden zijn van vorige edities. Sterker nog: het gedicht De doden van Hugo Claus («Wij worden week, wij worden weke buit/ En ons kermend verweer verstilt./ Zij komen in ons staan, als een gezicht») dat op het plein, voor de St. Bavo-kerk, aan het vervagen was, als het ware in een graf van asfalt aan het zinken was, zoals het doden betaamt, is opnieuw aangebracht en ziet er jong en gladgeschoren uit. Een gedicht van García Lorca, dichter van maan en dood, bezoekt onze oren aldaar.

En ik zeg «lijkt» omdat de zin «een lege plek om te blijven» een contradictie in terminis is, niet alleen in de context van het gedicht. Een lege plek is niet leeg meer wanneer je er verblijft. De leegte kan alleen behouden blijven als je de plek in je gemoed opneemt. Opvallend is dat veel beeldend kunstenaars ook de onmogelijkheid van een verblijf als uitgangspunt hebben genomen. Vandaar de vele auto’s die op verschillende manieren in de kunstwerken voorkomen. Zo heeft Tazro Niscino (Zonder titel, 2001) op en om een auto een kubus neergezet, bedekt met een vloerkleed, met drie stoelen, een tafel waarop een schaal met appels en wat tijdschriften. Een woonkamer of een wachtkamer? Ik geef de voorkeur aan het laatste (hoewel een bezoeker de installatie aanzag voor een frituur). Wie heeft ooit gezegd dat thuis is waar je van kleren wisselt? En het was Anthony Burgess, de vrijwillige balling, die zei dat «life is not the making of beds, but the unmaking of beds». Thuis is niet waar je naartoe gaat, maar wat je achter je laat. Het is het geluid van de deur die achter ons op slot valt.

In een werkelijk prachtig en aangrijpend gedicht van Rogi Wieg («Toen ik eindelijk huilde, barstte er/ onweer los boven de stad» — onsterfelijke regels!) vindt de dichter in het leven de leegte en de bovenmenselijke moed om er een huis te vinden:

en wilde toen plotseling leven en niet meer

hangen aan een gekromde boom langs het water.

Bij dit gedicht, dat in gifgroen vanuit een donkere kelder, onder zwart licht, als lentebladeren tot leven komt, is het eerste en beste deel te zien van de installatie van de kunstenaar Bjarne Melgaard (Slavediary, 2001). Een zwarte sculptuur van een meisje, bespoten met graffitilijnen, dat bij de enkels neerhangt, en op de muur de tekst «Live through»: hoopgevend, want ondanks de foltering heeft het meisje zich niet opgehangen. De obsessie, het verstoppertje spelen met de dood, is altijd aanwezig in Watou, dat dorpje dat omringd wordt door de sporen van de Eerste Wereldoorlog, toen Magere Hein overijverig met zijn zeis zwaaide.

Eva-Maria Bogaert (Erwidern, 2001), verantwoordelijk voor een van de hoogtepunten van dit jaar, verenigt de locatie op een wonderschone en magische manier met haar werk. Dit werk is een caleidoscopische dans van synesthetische indrukken, een ballet van schutkleuren en licht en spiegelingen, een driedimensionale ballade van visueel genot en betovering, een materialisatie van een gedicht van J.H. Leopold, dat gebaseerd is op een Arabisch gedicht dat in de Duizend-en-één-nacht enkele keren voorkomt. De Franse vertaling wordt gegeven:

Le ruisseau est une page à laquelle

viennent lire les oiseaux.

C'est le vent qui écrit et

c'est le nuage qui met les points.

Deze charmante bagatelle herhaalt metaforen die al in de twaalfde eeuw versleten waren, maar in de fijne, vaardige handen van Bogaert wordt het een prismatische uitbarsting die lang de krochten van de geest blijft verlichten. Een elvendans van dwaallichten.

Vereend te zijn is goddelijk en goed; vanwaar is de zucht dan

Onder de mensen dat slechts eenheid en één slechts weze?

Deze regels van Friedrich Hölderlin projec teert ze op het plafond en haar installatie is een bewijs van deze stelling.

Programmatisch voor deze Watou lijkt mij het gedicht van Gerrit Komrij, die op een televisiescherm, begraven op de grond, als Wagners Erda uit de aardlagen oprijst en ons deze ontroerende woorden uit het gedicht Contragewicht toevertrouwt:

Er is een land dat ik met pijn verliet,

Er is een land dat ik met pijn bewoon.

Een derde land daartussen is er niet.

Werkelijk niet? Wacht, hier komen de wonderschone eindregels van dit sonnet:

Ik heb, om aan dit noodlot te ontkomen,

Een derde land verzonnen in mijn hoofd.

Een land vertrouwd met leugens en fantomen.

Aan diepgewortelde en zware bomen

Hangen honkvast de loden trossen ooft

Van al mijn vederlicht geworden dromen.

Let op het gebruik van het woord «honkvast» en beschouw de «o's» die als appels de bloeiende tak (een «mei» geheten!) van de regel bezwaren. De geest zal nooit honger lijden na het lezen van deze regels.

Laat ik afsluiten met goed nieuws. De zintuigen zijn niet alleen meer van kunstenaars. En niet alleen Komrij heeft een derde land gevonden. Dat land, als de grot waarin de kinderen van Hamelen de rattenvanger volgden, is nu tijdelijk open. Kom snel, voordat de grot sluit en de tovermuziek verstomt.

Dit derde land bewijst dat in ieder ding iets is dat bekoort. En dat bekoring niet afhankelijk is van dauw en gras, maar van de zintuigen. Nog meer? O ja, dat land heet Watou.

De poëziezomer Watou duurt nog tot 9 september 2001.