‘wauw! wat is dit?’

Tot 1996 was Henk van Os directeur van het Rijksmuseum. Daarna ging hij weer terug naar de universiteit, waar hij doet in kunst naar eigen inzicht. Op televisie maakt hij Nederland wegwijs in de beeldende kunst. ‘Ik probeer cultuurbezit toegankelijk te maken voor veel mensen. Cultuur te zien als samenbindende mogelijkheid.’

EEN EEUW VAN norse hoogleraarportretten kijkt op hem neer. Maar in de Senaatskamer van de Universiteit van Amsterdam staart professor Henk van Os (61) als verliefd naar de schilderijen. En de tronies worden kunst; hier een Breitner, daar een Israëls. Hij wijst op een schildertechniek. In het Rijksmuseum, waar hij tot 1996 directeur was, heeft hij bij nader inzien niet willen afspreken. ‘Dat is niet zo chic ten aanzien van mijn opvolger.’ Henk van Os is terug op de universiteit. Doet daar in de kunst naar eigen inzicht. 'Om een einde te maken aan stilte en eenzaamheid.’
'ALS KLEINE JONGEN was ik een fanate plaatjeskijker. Ik verzamelde plaatjes, reproducties. Ik merkte dat ik me met moderne kunst kon profileren en ook een eigen niche kon hebben ten opzichte van mijn ouders. Ik schiep een innerlijk reservoir van vertrouwen en hoop.
Mijn vader was rector van de Groninger universiteit. Eindeloze zondagse theevisites in het ouderlijk huis, waar nu de jezuïeten wonen. Hildebrandiaans; ik schreef er laatst een stukje over. Ik mocht vaak de deur opendoen. Moest je zeggen: “Dag professor Van Winter, hoe gaat het met u?” Omdat je geen interferentie had van allerlei dingen, had dat geleerde-zijn in Groningen een hoge mate van integriteit. Dat was het dan ook. De heer Rompelman zat op zijn studeerkamer. Kwam er af en toe uit om even college te geven en zat daar dan weer. Schreef een boek of wat. Het waren stevige individuen.
In ons huis was een grote haard. Op kerstavond las mijn vader daar een verhaal in de gedragen, overgevoelige, sentimentele stijl van die tijd. Mensen maken ruzie en mensen zijn als mensen zijn, en op een gegeven moment beginnen de kerstklokken te luiden en verandert de middeleeuwse stad. Tezamen bouwen ze aan hun kathedraal en weg is alle haat. Zo gauw ze samen bouwen ontstaat harmonie en samenhang. Een prachtig ideaal. Het leefde vlak na de oorlog ook ontzettend. Revolutie der eenzamen, de Doorbraak-gedachte. Mijn vader en zijn omgeving waren protestants-christelijk en lid van de PvdA. Hadden de overtuiging dat religie iets was van het hart. Het was erg hooggestemd. Aan de haardplaats van mijn vader werd ik een mediëvist.
Een innerlijk reservoir van vertrouwen en hoop? Kunst was iets waarvan ik genoot en wat me tegelijk beheerste, waar je enorm veel in beleven kon, maar waarvan je de risico’s kon overzien. Het stelde me in staat met de harde kanten van het leven om te gaan. Omdat ik later in het leven natuurlijk wel geconfronteerd ben met heel veel dingen waar je allemaal niet bij kon, kan ik nu zo'n zinnetje opschrijven. Omdat je dan ineens hebt van: Jezus! Hoe kon ik daar eigenlijk bij overeind blijven? Ik onttrok me wel aan heel veel dingen door met de kunst bezig te zijn. In de jaren vijftig was abstracte kunst een perfect middel om een cultuurbehoeftige jongen van een onafhankelijk en cultureel voorkomen te voorzien.
Maar de abstracte kunst was in mijn schooltijd echt een ontdekking. De fantastische ideologie die achter het constructivisme zat, dat je de essentiële bouwstenen van een nieuwe samenleving aandroeg. Ik weet nog, er waren van die boekjes waarin je een Mondriaan in de ruimte kon projecteren en dan ontstond er een tafel, een huis en kon je van die heel basale elementen een hele wereld opbouwen. De droom van harmonie en samenhang was niet enkel meer de droom van het romantisch kerstverhaal van de kathedraal, maar ook het hoogintellectuele concept van de moderne wereld waarin kunst en kunstenaar de hoofdrol speelden.’
'IK HAD EEN stevige puberteit. Was in de eerste klassen op het Praedinius Gymnasium een buitengewoon lastige en vervelende leerling. Dingen niet doen die je geacht werd te doen. Werkweigering. En heel veel andere dingen wél doen. Literatuur, kunst, mijn reproductiecollectie. Ik bleef in de tweede klas zitten en in de derde bijna weer. Ik heb grote moeite om dingen te doen die ik niet leuk vind. Kunstgeschiedenis, geschiedenis, Nederlands en sport, dat was het zo ongeveer. En toen gebeurde er iets. Een collega van mijn vader, Van Stockum, hoogleraar Duitse literatuur, zou me wel Duits bijspijkeren. Hij vroeg: “Wat vind je nou leuk?” En ik zei: “Kunst en Schopenhauer.” Toen zei hij: “Tot Pasen lezen wij samen Schopenhauer en jij zorgt verder dat je voor alles een voldoende hebt.”
In die tijd ontdekte ik dat ik een kwaliteit in me had die zij, de leraren, zeer op prijs stelden. Ik heb lange tijd het gevoel gehad: ik kan maar één ding en dat is over kunst lullen. En daar legitimeer je je mee. En met verdomd weinig andere dingen eigenlijk. Dat krijgt dan een soort intensiteit die waarschijnlijk opvalt. Het is lange tijd ook bijna met mijn zelfexpressie samengevallen. Als je het kunstwerk weghaalt tussen ons beiden, dan begin ik al snel een aardig probleem te krijgen. Pas de laatste tijd ben ik over mezelf gaan schrijven. Als reactie op wat ik de kunsthistorische industrie noem, waarin collega’s iets uitzoeken niet omdat ze dat willen of getroffen zijn, maar omdat het uitgezocht moet worden. Dat vind ik zo'n rare manier van denken dat ik nu heel expliciet mijn verbondenheid met het onderwerp mee wil nemen in de manier waarop ik schrijf.
Ik was een romantische jongeling en voelde me ook voortdurend miskend daarin. Dat hoort er dan bij. Met Michiel Scheltema, de huidige voorzitter van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, filosofeerde ik nachtenlang. Heel veel praten over weinig. Hij is nog steeds mijn beste vriend. Je hoefde ook maar iets gelezen te hebben of je moest daar ontzettend veel over praten. Meningvormen over politiek en over mensen. Je praatte wat af zeg! Je had van die Fischerbücher, van die Duitse boekjes waar je snel, met lange citaten, op de hoogte kon raken van de grote filosofen. Daar streepte ik van alles in aan. Laatst had ik zo'n boekje weer te pakken en ik vroeg me af: hoe is het in hemelsnaam mogelijk als je zeventien bent. Dat zou ik nu nóg aanstrepen als ik niet zo'n hekel had gekregen aan vieze strepen in boeken! Dat is zo eigenaardig. Het zijn dingen waarvan je denkt dat je weet wat ermee wordt bedoeld. In ieder geval iets hevigs, dat voor jou bestemd is. Maar je weet nog lang niet hoe dat voelt en hoe dat is, want je hebt het leven nog niet meegemaakt. Pas veel later, nu, heb je het vermoeden waar de klepel hangt. En destijds bij het klokluiden heb je al een streepje gezet. Ik vind dat prachtig.’
'HET IS BEGONNEN met de fascinatie voor een plek. Nee, het is begonnen met liefde voor Sassetta, een schilder van het quattrocento. Liefde voor Sassetta bracht me in 1958 naar Siena. Er was toen nog geen superstrada vanaf Florence. Met een buitengewoon lullige Sita-bus reisde je dan over de aloude Via Cassia, ontzettend bochtig en ik zo misselijk als een konijn. Na twee uur kom je bij de San’ Domenico aan, er is nog steeds een bushalte, boven bij het fort. Dan is daar inderdaad het visioen van al die huizen die oprijzen, met daarboven de kathedraal. Je komt daar aan, ontledigd in ieder opzicht en denkt: wauw! Wat is dit? Ik had er geen enkele voorstelling van. Ben daar eindeloos blijven zitten, achter bij de San’ Domenico.
Het is bijna niet voor te stellen, maar in Siena kwam in die dagen helemaal niemand. Op de sopraintendente na was ik de enige kunsthistoricus in de stad. Toen ik in '58 besloot me ermee bezig te houden was er in heel Siena niemand die zich voor vroeg-Italiaanse schilderkunst interesseerde. Het is later een enorme hype geworden. Op dit moment zijn er zelfs meer mensen met de vroege Sienese schilderkunst bezig dan met de Florentijnse. Instituten vol.
Toen ik eenmaal in Siena was, zag ik zo'n schitterende samenhang van middeleeuwse kunst met een stedelijke gemeenschap dat ik dacht: hier kan ik mijn hele leven op door. Dat was een vrij romantische gedachtengang, maar ik heb er wel werk van gemaakt; ik heb me eigenlijk altijd gericht op de maatschappelijke functie van kunst. Vanzelfsprekend word je op den duur een beetje een kennertje en weet je hoe een Ambrogio Lorenzetti eruit moet zien, maar dat vond ik toch feitelijk filatelie. Het echte werk was voor mij de functie en het gebruik van kunstwerken, en in de Middeleeuwen is dat ook het mooist te bestuderen.
In de middeleeuwse steden was religie het voertuig voor onderwijs, culturele vorming, sociale samenhang, welzijn en gezondheidszorg, voor bijna alles. Dat heeft me enorm gefascineerd. Ik heb de geschiedenis geschreven van het ziekenhuis van Siena, het Ospedale Sancta Maria della scala. Het is er nog steeds, tegenover de Dom, maar het staat nu leeg. Dat ziekenhuis emancipeert zich uit de kerkelijke structuur. Oorspronkelijk een initiatief van de kanunniken van de Dom, schuift het op den duur naar de Commune toe. Dat is door de liberale geschiedschrijving gezien als een soort van secularisatie, maar daar is geen sprake van! Want die mensen, nu weliswaar de burgerij, hebben een hele nieuwe set van heiligen nodig als sociale binding aan het ziekenhuis, er komen tal van flagellantenbroederschappen, er worden altaarstukken besteld, de religie functioneert andermaal als bindmiddel, ditmaal van de burgerij. Als de kathedraal van mijn vaders kerstverhaal.’
'IN 1963 STUURT mijn leermeester Henk Schulte Nordholt me samen met mijn vriend Anton Boschloo, die nu hoogleraar in Leiden is, naar Rome. De hoerenjonge tjes die ook toen al de trappen bij het Nederlands Instituut bij de Villa Borghese bevolkten, ontgingen ons volledig; we waren zulke fanate kunsthistorici. ’s Ochtends was er een soort van competitie wie het eerst de sleutel had van het bagagekluisje van de Vaticaanse bibliotheek, die ongans vroeg openging. ’s Middags werkte ik op het Duitse Instituut. En dat was het wel ongeveer. Ons enige uitje waren de verplichte recepties van het Nederlands Instituut. Je liep in het familiezieke Italië alleen rond. Deed alles in je eentje. We leefden als een soort kluizenaars en leefden voor ons onderwerp. In het Vaticaan werkte ik toen aan een Mariafeest dat tegelijkertijd werd afgeschaft door het Tweede Vaticaans Concilie. Omdat ik gefascineerd werd door schilderijen van engelen met sneeuwballen. Bij de stichting van de Sancta Maria Maggiore in de maand augustus viel sneeuw, en dat feest werd afgeschaft omdat het niet kon. Ik vond dat zo'n belediging voor poëtisch gevoel en spiritualiteit en smaak. En van een lulligheid, dat je iets afschaft, omdat het niet kan, hallo!
Na mijn promotie in 1969 ben ik naar Princeton gegaan, waar allemaal oudere gerenommeerde heren waren en ik de baby of the school heette en het nieuwe gevoel kreeg deel uit te maken van een internationale gemeenschap van intellectuals. Deel van een internationale cultuur die rond de Italiaanse kunstgeschiedenis bestond. Je kreeg vanzelf een soort reflectie en afstand tot je Nederlandse herkomst. Op dit moment moet ik er weer vaak over denken omdat ik een boek lees over Anthony Blunt die me geregeld uitnodigde naar het Courtauld Institute in Londen om een voordracht te houden. Nu lees ik dus over de geromantiseerde Anthony. Ik realiseer me nu weer dat ik in die jaren deel kreeg aan een manier van omgaan, van praten en van denken over de wereld die totaal anders was dan ik gewend was. Je leerde veel meer dan in Nederland de dingen te benoemen; gevoelens, gewaarwordingen, esthetische ervaringen, en daarover een gesprek te voeren. Ik leerde dat cynisme grappig was en het absurde van situaties. Buitengewoon neerbuigend zijn. Allerlei vormen van gedrag die in Nederland totaal ongebruikelijk waren. Elegance, bijvoorbeeld, van mannen. Allure.’
'ER ZIJN MENSEN die zeggen dat Beeldenstorm een heel erg Angelsaksisch programma is, dat er altijd een soort van catch in zit. Het programma heeft een heel vaste structuur. Het betekent dat elke vraag en vrijwel elk onderwerp is toegelaten, maar het betekent ook dat je niet zwermt over hoe mooi het is maar een cognitief probleem stelt.
Heb je wel eens de achterkant van een schilderij gezien? Een probleem dat op de een of andere manier intellectueel te definiëren is, je aan de gang zet. Wat zou iemand willen weten van zoiets? En dan mag alles. Wat alleen niet mag, is uitleggen waarom iets barok is of zo. Want dat is volstrekt oninteressant, omdat ik weet dat je mensen daarmee niet bereikt, maar alleen imponeert.
Laatst zag ik een spijkerbeeld in het Afrika Museum. Wat is dit? Primaire visuele nieuwsgierigheid. Ik vroeg de conservator wat het was. Als je niet oppast komt er dan een ontzettend lang verhaal dat de oorspronkelijke intrige helemaal wegslaat. Moet je al die laagjes weer afpellen om uiteindelijk precies weer datgene te vertellen dat bij die geïntrigeerdheid hoort. Het besef dat dingen ook als je er niet direct verstand van hebt een aardig gesprek opleveren, is zeldzaam in Nederland. Net als lef. Ik ben niet in staat iets anders te doen dan dat ik wil vertellen: soms heeft de redactie iets enigjes bedacht en dat vind ik dan eigenlijk shit. Enfin, dat kan ik niet tegen mijn zin. Soms probeer ik het braaf te doen omdat ik denk: ik kan toch niet zo'n vreselijk individu zijn. Maar dan lukt het niet. Toen ik aan de universiteit in de smiezen had dat je het beste kon doen waar je zin in had en de meeste autonomie had als je lector of professor was, werd ik, terug uit Princeton, per ommegaande lector in Groningen.
Groningen jaren zeventig was voor een kleine groep kunstliefhebbers heel erg leuk. Er waren toen nog mensen die in het syndroom van het modernisme zaten. Van: “Ornament ist Verbrechen.” Als je er nu op terugkijkt was het modernisme in de jaren vijftig al een beetje gesunkenes Kulturgut. Iedere architect was toen van Goed Wonen. En overal werden schoenendozen gebouwd. In 1957 was ik nog fel tegen de reconstructie van de negentiende-eeuwse geveltjes van de weggebombardeerde noordkant van de Grote Markt, waar ik enkele jaren later straight vóór geweest zou zijn!
Maar in 1974 organiseerde ik de tentoonstelling Het geheim over laat-negentiende-eeuwse symbolistische kunst in Duitsland. “Psychische viezerd te Groningen” schreef De Groene Amsterdammer, dat zal ik nooit vergeten. Kunst verwijzend naar allerlei verkeerde soorten gevoelens, o dat was helemaal mis! Later, als directeur van het Rijksmuseum, deden we het met de tentoonstelling De lelijke tijd nog eens over en ook toen waren er nog steeds mensen die vastzaten in dat modernisme-syndroom.
In Siena had ik de PCI ontdekt als de enige nette partij. En alle deftige en aardige mensen in Siena waren communist. Ik had het idee dat de CPN ongeveer net zoiets was als de PCI en het duurde even voor ik in de gaten had dat dat niet zo was. Later voor mijn studenten was het rampzalig dat ik al jaren marxistische literatuur besprak en als hun autoriteit zelf al communist geweest was. Ik herinner me ook dat de studentenactivisten het hoogst onprettig vonden dat mijn studenten me bij de voornaam noemden. Ik vond het op mijn beurt ontzettend jammer dat de revolutionaire discussie in Nederland nauwelijks over het vak ging. Het ging voornamelijk over hoeveel studenten er in de vertegenwoordigende lichamen mee mochten vergaderen en weinig over de vernieuwing van de kunstgeschiedenis. In Duitsland daarentegen botste het geweldig, maar dat ging dan ook ergens over. Dus nam ik soms studenten mee de grens over om die discussies mee te maken. Denken over opdrachtgevers en dergelijke, nu de algemene benadering en volstrekt bon ton - zozeer zelfs dat ze nu de tante van de schenker uit de archieven pluizen in plaats van uit hun doppen te kijken - heeft zijn wortels in de marxistische beoefening der kunstgeschiedenis.
Met stakende arbeiders ging ik naar het Stedelijk. Die werden dan door Fré Meis in Groningen in een bus gezet en konden met mij naar de Léger-tentoonstelling. Ik was dan ook diep teleurgesteld dat ze Willink mooier vonden. Maar er was een tijd dat je de harteklop van het tijdgewricht voelde door naar het Stedelijk te gaan.’
'MODERNE KUNST heeft überhaupt die betekenis niet meer. Voor de allernieuwste kunst heb ik geen noemer. Buitengewoon zorgelijk wellicht en ook zeer postmodernistisch, maar ik zie slechts een groot aantal heel interessante kunstenaars wier werk ik volg en dat is het. Het lukt me niet om daar veel samenhang in te ontdekken. Wat ik erg interessant vind is dat het idee dat kunst steeds vernieuwend moet zijn, is verlaten. Ook het besef van een artistieke avantgarde is verdwenen. Je hebt nu zelfs kunstenaars als Boltansky, die dingen maken die met herinneren te maken hebben. Ik aarzel, misschien is het gemeenschappelijke van de nieuwste kunst juist dat die van eeuwige samenhang doortrokken beweging er niet meer is. Kunst lijkt niet meer uitsluitend op zichzelf betrokken. Reageert niet meer alleen op wat er daarvoor aan kunst was.
In het kunstbeleid is daarentegen weinig veranderd. In ieder geval: te weinig. Je ziet de eindeloze strijd om culturele instellingen ook werkelijk als publieksinstellingen te laten functioneren. Die strijd duurt eigenlijk al een eeuw. Bepaalde groepen willen zich door middel van cultuur onderscheiden van andere groepen. Het is precies het tegengestelde van wat ik probeer: cultuurbezit toegankelijk te maken voor veel mensen. Cultuur te zien als samenbindende mogelijkheid. Dat conflict is veel te weinig uitgesproken, men gaat er veel te gemakkelijk vanuit dat cultuurverspreiding vanzelfsprekend is. Maar het is helemaal niet vanzelfsprekend, en dat merk ik dagelijks. Dat is de reden dat we doorgaan met het televisieprogramma. Voor de verspreiding van kunst en cultuur heb je die tv gewoon nodig.
Jarenlang heeft het Museumjournaal ge schreven over moderne kunst in een taal met een beetje Franse filosofie eroverheen. Echt pretentieus gelul! Een hermetische manier van praten, bedoeld om kunst en literatuur te reserveren voor een kleine groep mensen. Omdat je je daarmee kunt onderscheiden en je maatschappelijk kunt profileren. Ik kom veel mensen tegen die zeggen: “Wat zien nou al die mensen die jij naar het Rijksmuseum haalt?” Die kom ik regelmatig tegen, absoluut. Dan heb ik automatisch de neiging om te zeggen: “Wat zie jij dan eigenlijk, klootzak?” Maar dat mag je niet zeggen, doe ik dan niet.
In het Rijksmuseum hebben we gratis dagen gehad met alleen maar een bekendmaking in de Echo, soms het enige blad dat mensen in huis krijgen. Eén zondag hadden we op die manier elfduizend mensen. Daar wordt dan heel ingewikkeld over gedaan, maar het Rijksmuseum, het Slagharen van de kunst, heeft die potentie.
Culturele instellingen vertonen bedroevend weinig spankracht. Rick van der Ploeg komt met een interessante nota aan, wellicht een beetje wilde nota, okee, maar het is volstrekt logisch dat een staatssecretaris voor Cultuur zoiets zegt. Volgen hysterische reacties uit het kunstcircuit. Belachelijk, maar ook heel zorgelijk.
Ik was bij de afscheidslunch van Michel Laclotte, mijn collega van het Louvre. We kennen elkaar uit Siena. Hij was très honoré dat hij zoveel jaar had mogen werken au service de l'état. Het zou wel goed zijn als een aantal van die egotrippers van cultuurbazen hier dat soort dingen begon te begrijpen. Au service de l'état. Zo hoort het!’
'JE WORDT gevraagd te solliciteren. In juli 1987 vroeg Rijksmuseum-directeur Simon Levie mij namens de groep van afdelingsdirecteuren of ik erover wilde nadenken hem op te volgen. We zaten te eten op het Centraal Station en ik had het gevoel dat ik onder de tafel wilde zakken. Het was een hevige vraag en ik had er niet zo veel op te zeggen. Ik heb een half jaar later antwoord gegeven. Eerst eindeloos zitten afwegen voor mezelf; daar kom je dus niet uit. Toen ben ik gaan denken: wat kan ik daar doen, zijn er aanknopingspunten? Ik ontwikkelde een programma.
Het aantal Nederlandse bezoekers was toen ongeveer vijftien procent, het museum had vooral iets defensiefs. Er gingen dingen niet goed en iedereen gaf elkaar bij voorbaat de schuld, zo'n sfeer. Ik wilde het museum intern meer samenhang en zelfvertrouwen geven en daarmee naar buiten een veel grotere uitstraling. Ik heb me een half jaar ingewerkt. Drie dagen achter de informatiebalie zitten om te kijken welke vragen het publiek heeft. Drie dagen zaalwachteren om te kijken hoe dat werkt. Het Rijksmuseum stond bekend om zijn knorrige zaalwachters. Daar heeft Vestdijk over geschreven en Belcampo, buitengewoon afschrikwekkende typen. Het was dan ook zaak om die mensen een beetje trots te geven dat het niet alleen mijn instituut is, maar ook hun instituut. Door te weten hoe ze heten, bijvoorbeeld. Door een maandelijkse borrel. Mijn doel was mensen in dat museum meer lol te geven in wat ze doen. Een beetje een jeugdherbergvader, maar na acht jaar was het aantal Nederlandse bezoekers ongeveer vijftig procent, stond het museum er weer en, dat is wel heel arrogant gezegd, had de gemeenschap iets bruisends. Het werkte weer. We deden nieuwe dingen die goed waren.
Mijn programmaatje was af. En dan voel je dat je de neiging hebt om op je lauweren te gaan rusten en dat het initiële elan weg is. Je straalt minder energie uit. En mijn type leiderschap heeft natuurlijk ontzettend veel te maken met enthousiasmeren. Met hup hup en hoi hoi! Dat duurt ook minder lang dan van die echte bevelhebbers.
Achteraf gezien was mijn vrijwillige vertrek nogal ongewoon. Daar heb ik eigenlijk niet zo over nagedacht. Ik merkte bij mijzelf dat ik minder ging beantwoorden aan de eisen ik zelf aan mijn directeur-zijn stelde. Dat kwam omdat ik voortdurend het gevoel had: ik ben klaar en dat was heel verlammend. Bovendien was er zoveel geschied in die acht jaar dat ik de intense behoefte had om te reflecteren. Om na te denken: wat betekent het nou dat een tentoonstelling als Gebed in schoonheid zo geweldig aansloeg? Wat was dat nou precies en kun je dat ook tot andere tentoonstellingsconcepten maken? Daar heb je als directeur bitter weinig tijd voor. Het is ontzettend veel management. Veel representatie, veel dineren, veel op Ajax-tribunes zitten.
Ik heb een soort visie op de Middeleeuwen ontwikkeld en die probeer je dan te beleven in detailonderzoek. Ik kan niet zo goed tegen detailonderzoek dat alleen maar zijn zin in zichzelf vindt. Ik wil graag vanuit een grotere visie kleinigheden onderzoeken en in die kleinigheden vasthouden waar ik eigenlijk mee bezig ben. Kunstgeschiedenis is tegenwoordig wel erg tot een industrie van specialisten verworden. Het evocatieve dat Gebed in schoonheid nastreefde, vinden de meeste collegae wel mooi maar tegelijkertijd problematisch.
Ik werk nu aan een reliekententoonstelling op twee plekken. Toen ik de schilderijen losliet ontdekte ik geleidelijk dat in de Middeleeuwen alles met reliekenverering te maken had. Dat dáár de duurste kunst werd ingezet.
Ineens dacht ik: middeleeuwse reliekschrijnen, dat is het! Gods gouden glans wordt gehouden in de Nieuwe Kerk en het Catharijne Convent en gaat open op 17 december 2000. Opnieuw doe ik iets wat ik leuk vind.’