Het windmolenoproer (#2)

‘We doen toch niets wat niet mag?’

Het broeit in de Drentse Veenkoloniën. Deze zomer begon er de bouw van een enorm windmolenpark, na jaren van verzet. In een drieluik peilt De Groene Amsterdammer de stemming. Vorige week waren de omwonenden aan het woord. In deel 2: het verhaal van de windboeren.

Boerderij in de buurt van windmolenpark De Drentse Monden, Nieuw Buinen, 16 oktober

Het was in 2012 tijdens een informatieavond in Zuidlaren, in het noorden van Drenthe, dat Harm Jacob Speelman dacht: tjonge, dit loopt misschien wel uit de hand. Het begon al bij de ingang. Er was een hoop volk. Door een menigte van joelende mensen moest je naar binnen. Er stonden panelen met informatie over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer: een park van 45 windmolens langs enkele lintdorpen in de Veenkoloniën waarvan de aanleg inmiddels is begonnen. De informatieborden hielden niet stand; ze werden omver geduwd. ‘De sfeer was grimmig’, blikt Speelman terug. ‘We werden voor rotte vis uitgemaakt. Er was geen mogelijkheid om je verhaal te doen.’

Bij een volgende bijeenkomst, in Bareveld, een dorp waar de provinciegrens tussen Drenthe en Groningen dwars doorheen loopt, liepen beveiligers rond. Speelman: ‘Ik was blij dat ze er waren.’ Activisten droegen spandoeken en lieten van zich horen met een megafoon. ‘Liep er iemand achter me langs, kreeg ik ineens een flinke por met een elleboog! Ja, echt waar, hè?’ Hij kan er nog niet bij. Eerder al waren de windboeren uitgemaakt voor landverraders, nazaten van de nsb’ers. ‘Dat het zo extreem zou worden, had ik niet verwacht. We doen toch niets wat niet mag?’

Speelman is een van de initiatiefnemers van het windpark. Aan de achterkant van zijn boerderij in Eexterveen – waar hij is geboren en waar in bakstenen op de achtergevel vakkundig de naam ‘De Wel-Acker’ is gemetseld – kan Speelman net niet zien waar de molens komen. Wel ziet hij vier kilometer verderop de meest zuidelijke windmolen van park N33: dat andere windpark in het noorden van het land waartegen het verzet zo uit de hand is gelopen. ‘Als díe draait’, zegt Speelman, ‘verdien ik dáár geld.’ Hij wijst oostwaarts, een paar kilometer verderop. Over ongeveer een jaar staan daar de windmolens die onderdeel zijn van het park waarin hij investeert.

‘Windboeren’ worden ze genoemd, Speelman en consorten, want ze zijn allemaal akkerbouwer of veehouder met land waarop de windmolens komen te staan en waar de stroomkabels onder de grond komen te liggen. Sommigen hebben geïnvesteerd en zijn eigenaar van een deel van het park, anderen verhuren een stukje van hun grond aan projectontwikkelaar Pure Energie (eerder bekend als Raedthuys). Samen zijn ze met ongeveer honderd man. Maar wat hun rol ook is en hoe diep ze er ook precies in zitten: erg populair in de regio zijn de boeren er niet mee geworden.

Veel mensen in de Veenkoloniën vinden de molens een aantasting van het unieke, vlakke landschap. Ze vrezen voor slagschaduw, geluidsoverlast, hoofdpijn door laagfrequente straling en waardedaling van hun huis. Speelman is bekend met die verhalen; hij leest ook de krant. ‘Er wordt een hoop onzin verteld over ons en over de windmolens’, zegt hij daarover. Maar hij weet ook dat het andersom geldt. Schouderophalend: ‘Ze zullen van ons ook vinden dat we onzin vertellen. Ze denken vast: die boer’n, die praot’n maor wat.’

Dat zal wel meevallen. Want het wordt de boeren juist verweten dat ze zo weinig praten. Dat ze amper moeite hebben genomen om de bevolking te informeren over hun plannen. Een typisch gevalletje van too little, too late. Daarom is het geen verrassing dat veel windboeren niet willen meewerken aan dit artikel. Zeker sinds een actiegroep hun namen, adressen en telefoonnummers openbaar maakte en er bedreigingen en vernielingen kwamen, kijken ze wel uit. Een aantal van de boeren slaat het verzoek om een gesprek af. ‘Ach, dat is toch allemaal negatieve energie’, zegt een van hen. ‘Dit hele gedoe heeft alleen maar verliezers opgeleverd.’ Een ander geeft aan: ‘Er is al zoveel gezegd en geschreven. Ik denk dat ik het beter voor me kan houden.’ En: ‘Telkens als we met journalisten gingen praten, werd het toch weer verkeerd uitgelegd.’

Harm Jacob Speelman wil best praten. Dat deed hij de afgelopen jaren tijdens informatiebijeenkomsten toch al en tegenwoordig zit hij met omwonenden in een nieuw overlegorgaan. Hij loopt nergens voor weg, zegt hij. ‘We zijn toch met de goede zaak bezig?’

Weer een ander werkt graag mee, maar dan anoniem. Thuis aan de keukentafel vertelt hij hoe ze door alles en iedereen werden neergezet als slechteriken. Van sommige boeren werden de kinderen van school weggepest, vertelt hij. Zijn eigen ouders werden er ook op aangesproken. Kennissen van zijn ouders, bij wie ze al dertig jaar op visite kwamen en met wie ze altijd een kaartje legden, verbraken de band, omdat hun zoon dus een windboer was en ze hadden in de krant gelezen hoeveel je daar wel niet aan verdiende. Mokkend: ‘Het was nog een onzinnig artikel ook.’

Ook een andere boer wenst anonimiteit. Tijdens ons gesprek blijft ze uiterst behoedzaam en kiest ze zorgvuldig haar woorden. Als ze verhaalt over een informatiebijeenkomst waar zij bij was, zoekt ze lang naar woorden, want ze wil ‘niet meer mensen schofferen dan noodzakelijk’. Ze houdt het op ‘een zeer kleine groep mensen’ die ‘heel veel lawaai maakte’.

Bert Kruit slaat een uitnodiging voor een gesprek niet af. Hij is mede-initiatiefnemer. Terwijl zijn vrouw appeltaart snijdt voor de gasten voor haar verjaardag zitten we even verderop in zijn werkkamer. Daar zal Kruit vaak de aanval opzoeken. Als het gesprek gaat over de klacht van omwonenden dat de windboeren goed aan de windmolens zullen verdienen, komt Jan Hessel ter sprake, de broer van Bert die verderop in de straat een spandoek bij zijn oprit heeft hangen als protest tegen de windmolens en die op hetzelfde moment aan de andere kant van de muur een vorkje in de appeltaart zet. ‘Jan Hessel zegt dat ook vaak: jullie worden er beter van. Ja, hallóóó, denk ik dan. Wij zijn ondernemers! Wij investeren en nemen risico’s. Mógen wij er misschien beter van worden?’

De Drentse Veenkoloniën – grofweg alles tussen de Hondsrug en de provinciegrens met Groningen – vormen een gebied dat al tientallen jaren achterloopt. Een door de regering in het leven geroepen commissie oordeelde dat de eenzijdige economie en het eenzijdige landschap problemen geven. De inkomens blijven achter, veel werkgelegenheid is gesubsidieerd en de werkloosheid is hoger dan elders in Noord-Nederland. Vele rapporten zijn er al geschreven over de noodzaak van een economische impuls. Tegen de tijd dat de inkt droog was, was de noodzaak van zo’n impuls alweer ietsje groter geworden.

De akkerbouw heeft er van oudsher maar weinig opgebracht. Je hebt er vooral aardappelen (voor zetmeel), granen en suikerbieten. Dat zijn geen gewassen met een hoog rendement. Eigenlijk moet er dus nog iets bij. Van alles is al geprobeerd: uien, erwten, bonen, vlas, olifantsgras, noem maar op. Het meeste wil er prima groeien, maar de afzet bleef achter. Dan kwam er wel weer subsidie op, maar zo kreeg je overproductie en een rem op innovatie in de agrarische sector.

Toen diende zo’n extra gewas zich aan in de vorm van een windmolen. Die plant je één keer en de oogst – groene stroom – gaat jarenlang door, zonder dat er ook maar een druppel van die dure gewasbescherming aan te pas komt. Er zit nog subsidie op ook! Hoeveel makkelijker wil je het krijgen?

Naast de televisie in de woonkamer bij Speelman in Eexterveen staat een speelgoedwindmolentje, gekregen van zijn kinderen. Het beschikt over een technisch uiterst vernuftig systeem dat ontbreekt bij de grote exemplaren in het veld: er zit een batterij in en je kunt ’m aanzetten wanneer je maar wilt. ‘Leuk ding, hè?’ Van windmolens had hij niet zo’n verstand toen hij eraan begon, erkent hij, maar hij had al snel door: ‘Zo’n windmolen is een mooie aanvulling op ons inkomen.’ Hij kan er eerlijk over zijn. ‘Als je er niet aan kon verdienen, begon niemand eraan.’

‘We waren zo naïef om te denken dat iedereen op termijn groene stroom zou willen en het wel mooi zou vinden. Achteraf een stomme gedachte’

De anonieme windboeren wilden daarentegen allebei vooral bijdragen aan de verduurzaming van de samenleving. De één: ‘Wij waren zo naïef om te denken dat iedereen op termijn groene stroom zou willen en dat de mensen het wel mooi zouden vinden. Dat wij er beter van zouden worden: prima.’ Hij kan zich wel voor het hoofd slaan. ‘Achteraf was dat een heel stomme gedachte.’ De ander wilde graag een windmolen op het erf om zelfvoorzienend te zijn, maar beseft dat niet iedereen erin zit met het nobele doel om de opwarming van de aarde tegen te gaan: ‘Er zullen vast boeren zijn die meedoen vanwege het geld. We zijn allemaal mensen.’ Maar intussen laat dat geld nog op zich wachten. Een windboer verdient pas aan een windmolen als die stroom produceert. Totdat de wieken draaien maakt hij kosten: om consultants aan het werk te zetten voor de benodigde procedures vol rapporten en vergunningen, om aannemers in te huren om de grond af te graven, kabels aan te leggen en de fundering voor de windmolen klaar te maken, om de windmolen aan te schaffen. En, in het geval van de windmolens in Drenthe: om de beveiliging te betalen. Al die kosten bij elkaar – en dat is volgens de boeren allemaal eigen geld – liepen behoorlijk op, ook al doordat de bouw van het windpark steeds werd uitgesteld.

Aanvankelijk dachten ze dat de windmolens er binnen vijf jaar wel zouden staan. ‘Eerst kostte het een paar ton om mee te doen’, weet Speelman nog. ‘Toen werd het een half miljoen, daarna een heel miljoen, nu al een paar miljoen, alles bij elkaar. Om mee te blijven doen, moest je iedere keer opnieuw geld inleggen.’ Sommigen moesten naar de bank voor een hogere hypotheek op de grond. Speelman: ‘Nog altijd moeten we afwachten of dat geld terugkomt.’

En dan te bedenken dat boeren als Speelman er naar eigen zeggen niet in de laatste plaats aan begonnen om het gebied een economische impuls te geven. Ze hadden ook, zoals zo’n dertig boeren in de regio, hun handtekening kunnen zetten onder een contract met een projectontwikkelaar. Dan hoefden ze zelf niet te investeren en risico te lopen, maar kregen ze gewoon een deel van de opbrengsten zodra de molens er zouden staan. Maar, redeneerden anderen: als we het zélf doen, lopen de opbrengsten tenminste niet weg uit het gebied.

Dat moet nog een heel dilemma zijn geweest. Toen de Veenkoloniën in 2010 officieel werden aangewezen als gebied waar windmolens mochten komen, verscheen de ene na de andere projectontwikkelaar. Dan reden ze bij boeren het erf op en vouwden ze de kaart uit op de motorkap van hun dure auto’s. Alles was al uitgetekend. Doe je mee, dan kun je wel veertigduizend euro per windmolen per jaar verdienen, zo werd ze voorgehouden. Doe je niet mee? Dan komt-ie misschien bij de buurman op het land. Zo werden de boeren tegen elkaar uitgespeeld. Geen wonder dat sommigen dachten: we doen het lekker zelf. En zo ontstond zowel een stichting als een bv met elk tientallen boeren met hun eigen plannen voor een windpark.

Nu kan de economische impuls voor een windboer inderdaad aanmerkelijk zijn; de inkomsten kunnen in de tienduizenden euro’s per jaar lopen. Die impuls is niet automatisch het geval voor de regio. Het windpark creëert op dit moment veel werkgelegenheid voor aannemers, leveranciers, hotels en cateraars. Maar als eind 2020 de bouwwerkzaamheden zijn afgerond, is er weinig werk meer te doen rondom de windmolens – behalve af en toe voor een onderhoudsmonteur die ergens eens naar boven moet klimmen om een bout aan te draaien of een tandwiel te smeren.

Vergis je niet, zeggen de initiatiefnemers, want die verdiende euro’s rollen door. ‘Wij geven dat geld ook weer uit’, redeneert Speelman. ‘We gaan machines kopen, we laten ons huis renoveren, noem maar op. Daar profiteert de hele regio van.’ Ook dragen de windboeren, volgens de gedragscode in de energiesector, een deel van de opbrengst af aan een zogeheten gebiedsfonds, dat ten goede komt aan de dorpen. Dan gaat het al gauw om zo’n drie ton per jaar. Bovendien heeft de provincie toegezegd tien jaar lang 180.000 euro per jaar uit te keren. Daarbovenop komt nog eenmalig 2,1 miljoen euro van het rijk. ‘Dan steekt het wel’, besluit Speelman, ‘als je steeds het verwijt krijgt dat je alleen maar aan je eigen portemonnee denkt.’

In het Van der Valk-hotel in Assen heerst aan ons tafeltje een wat ongemakkelijke sfeer. Er is sterke twijfel aan het nut van een interview. Een aftastend gesprek, dat moet het zijn, niet meer dan dat. Het aftasten gebeurt door Wim Wolters, algemeen directeur van het windpark, en Arthur Vermeulen, directeur Wind bij projectontwikkelaar Pure Energie. Vooral Wolters blijft op zijn hoede. Zijn hand speelt achteloos met de sleutel van zijn Mercedes, alsof hij ieder moment kan opstappen en wegrijden.

Ze willen niet te veel terugblikken op al die moeizame jaren. Ze kijken liever vooruit. Want er is onder de windboeren sprake van enige opluchting. Het is juli en de werkzaamheden aan de eerste windmolen vorderen gestaag. In diverse gemeenten wordt er met de boeren overlegd over financiële compensatie. En er is een doorbraak in het onderzoek naar de bedreigingen en intimidaties waarmee ze zijn geconfronteerd. Maar we ontkomen er niet aan, zo blijkt, om terug te blikken.

Bijvoorbeeld op het prilste begin. Dat is het jaar 2000. Pure Energie trok naar de Veenkoloniën, want ze vonden het wel een geschikte plek om windmolens te exploiteren. Je hebt er die unieke, rationele verkaveling van het landschap, die strakke lijnen, met lintdorpen die kilometers uit elkaar liggen. In een paar rijen kon je heel wat windmolens kwijt, niet zo versnipperd als elders in het land. Pure Energie sloot een contract met een groep van dertig boeren. Het bleek dat andere boeren al langer interesse hadden in windmolens. Sommigen wilden gewoon een kleintje, voor op het erf, anderen hadden grootsere plannen. Maar allemaal liepen ze stuk op de gemeenten en de provincie. Drenthe moest verschoond blijven van windmolens, vonden de bestuurders. Anders zouden de toeristen wegblijven.

Toch wilden de plannenmakers door; er lag een kans om geld te verdienen en die moet je wél pakken. ‘Als de gemeente of de provincie niet meewerkt’, blikt een windboer terug, ‘wil dat niet zeggen dat je je plannen moet opgeven. Misschien moeten ze eraan wennen.’ Bert Kruit verwoordt het zo: ‘Niet wíj hebben bedacht om die windmolens hier neer te zetten, maar het rijk. Wij hebben gebruikgemaakt van de mogelijkheid om hier windmolens neer te zetten. Deden wij dat niet, dan had iemand anders het gedaan.’

De weigering van de windboeren om zich neer te leggen bij het nee van wethouders en gedeputeerden is nog altijd een groot bezwaar van omwonenden. Het leidde later tot het gerucht dat boeren hun stiekeme plannetjes verder gingen bekonkelen in schuurtjes. ‘Allemaal wilde verhalen’, zegt Vermeulen, ‘want in die tijd maakte niemand een geheim van de plannen voor windmolens. Er was geen enkele intentie om iets onder de pet te houden.’

Natuurgebiedje naast het windmolenpark, Nieuw Buinen, 16 oktober

En toen gebeurde er iets wat de boel zou doen kantelen. In 2009 besloot de overheid om plannen voor grote windparken desgewenst onder regie van het rijk te brengen. Het probleem was namelijk dat lokale overheden veel te voorzichtig handelden. De zogeheten rijkscoördinatieregeling was een middel om – aldus minister Maria van der Hoeven – lokale actiegroepen en het gebrek aan draagkracht terzijde te schuiven, en de verduurzaming van de energiesector aan te jagen. Voor de leden van de Tweede Kamer was het niet meer dan een hamerstuk, voor de Drentse windboeren echter was het een gouden kans om de plannen erdoor te krijgen. Immers, zij hoefden alleen maar hun drie losse projecten bij elkaar te vegen en te presenteren als één groot windpark. Dan voldeden ze aan de eis om voor minstens honderd megawatt opgesteld vermogen te hebben. Op 29 december 2009 ging er een brief naar Den Haag met een verzoek om de rijkscoördinatieregeling toe te passen op de Drentse windplannen. Het verzoek werd gehonoreerd. >

In die periode lagen er in Assen heel andere plannen. Inwoners van Drenthe konden daar in het provinciehuis een blik werpen op de ‘omgevingsvisie’ die er ter inzage lag. Daarin werd amper een woord vuilgemaakt aan windenergie. Bij Emmen en Coevorden zou worden gezocht naar een locatie voor zestig megawatt. Dat was het dan wel. Een beetje karig, naar de smaak van de linkse partijen en het cda. Daarop schroefde Gedeputeerde Staten de ambitie een beetje op: vooruit, naar tweehonderd megawatt in 2020, maar nog altijd alleen daar, in het zuidoosten van Drenthe.

‘Mensen zijn bang gemaakt voor het geluid. Voor vergroeiingen bij het vee: dat gelóóf je toch niet?’

Toen ging het snel. Op 6 april 2010 besloot de provincie ineens om twee gemeenten in de Veenkoloniën toe te voegen als zogeheten ‘zoekgebied’ waar windmolens mochten komen. Het was precies het gebied waar boeren als Speelman en Kruit zich al hadden georganiseerd met concrete plannen – en waar ze zich al tot het rijk hadden gewend. Enkele weken vóór dat provinciale besluit waren er nog gemeenteraadsverkiezingen geweest. In geen enkele campagne of debat hadden de inwoners íets vernomen over windmolens. In juni 2010 werd alles beklonken: toen hoorden de wethouders van het ministerie dat er een groot windpark zou komen.

En zo ontstond de indruk dat het windpark er van hogerhand was doorgedrukt. Het bedje was gespreid. ‘Dat gevoel begrijp ik wel’, zegt Arthur Vermeulen onomwonden. ‘Het verloopt volgens alle wettelijke regels, eisen en procedures, maar er wordt niettemin een ingreep gedaan in je leefomgeving die je liever niet wilt.’ Zoals iemand uit de regio zei: ‘Het is democratisch besloten dat het ondemocratisch gaat.’ Maar ondemocratisch willen de windboeren het proces niet noemen. Het gaat immers om een beslissing van door onszelf gekozen volksvertegenwoordigers. Wolters: ‘In de communicatie is het in de afgelopen jaren niet goed gegaan, maar juridisch is alles wél goed gegaan.’ Sterker, voegt Vermeulen toe: ‘Ik ben in al die jaren nog nooit bij een windpark betrokken geweest waarvan de procedure in formele zin zó zorgvuldig is verlopen als bij dit park.’

Windmolen-drieluik

Voor deze artikelenserie keerde journalist Marco Visscher terug naar zijn Drentse geboortegrond. Sinds het voorjaar sprak hij met tientallen mensen uit de Veenkoloniën, over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer: van omwonenden en actievoerders tot initiatiefnemers en bestuurders. Visscher, auteur van De energietransitie: Naar een fossielvrije toekomst, maar hoe?, werkt aan een boek over de sociale kant van de energietransitie. Dit is deel 2 van een drieluik over de windmolens in Drenthe. Lees hier het eerste deel.

We zitten nog niet in zijn werkkamer in Gasselternijveenschemond of Bert Kruit begint over een artikel uit de krant. ‘Gezien? Een paar dagen geleden?’ Hij vat het graag samen. Het ging over een vrouw die onlangs met haar gezin in Tweede Exloërmond is komen wonen, op een flinke steenworp van de plek waar nu de eerste windmolen staat. Zij vindt het wel prima, al die windmolens. ‘Kijk’, besluit Kruit triomfantelijk, ‘dát is nou precies zoals het hier écht is.’

Kruit was een van de boeren die aan de wieg stonden van het windpark. Hij beklaagt zich over de beeldvorming die is ontstaan. Zijn analyse: ‘Een paar figuren hebben een grote bek en roepen van alles. Journalisten vinden dat machtig interessant, ook al klopt er geen snars van. Het is net als in een voetbalstadion: je hebt niet meer dan een handjevol relschoppers, maar zíj worden breed uitgemeten in de krant.’

Kruit praat met een energie waarvoor je al gauw een half windpark nodig hebt. ‘Mensen zijn gevoelig voor die onruststokerij’, gaat hij door. ‘Ze zijn bang gemaakt voor het geluid: nou, ik zweer het, je kunt de windmolens écht niet horen. Ze zijn bang gemaakt voor vergroeiingen bij het vee: dat gelóóf je toch niet? Ze zijn bang gemaakt voor de waardedaling van hun huis: onzin! En áls het effect er al is, is het maar kort.’ Hij kijkt zijn bezoek indringend aan. ‘Je reinste massahysterie is het.’

O, en wat Kruit ook zo stoort, is als tegenstanders van de windmolens zeggen dat hun landschap, hun leefomgeving, wordt aangetast. De mensen die dat het hardst roepen, vindt Kruit, zijn vaak ook nog eens mensen die ‘niet van hier’ zijn, zoals een buurvrouw verderop in de straat. ‘Ik woon hier al mijn hele leven. Het is prima dat zíj hier zijn komen wonen voor het uitzicht en de rust. Maar wíj wonen hier toevallig ook nog en wíj moeten hier onze boterham verdienen. Wij willen niet dat zij onze bedrijfsvoering in de weg zitten. Als je ergens komt wonen, dan pas je je toch aan?’

Nee, Bert Kruit heeft duidelijk geen zin in een charmeoffensief. ‘Ik vertel gewoon hoe het écht zit.’ En het échte verhaal is volgens hem dat niet de omwonenden, maar de windboeren de dupe zijn van wat er allemaal is gebeurd. ‘Wij zijn de dupe’, vindt Kruit, ‘want wij hebben altijd de normale, legale weg bewandeld en toch zijn wij van alle kanten tegengewerkt en uitgejouwd. Er was geen mogelijkheid om een fatsoenlijk gesprek te voeren en de overheid – en dat is ook ónze overheid, hè? – liet ons volledig in de steek.’ Om de suggestie dat zijn dorpsgenoten zich bij lezing van zijn woorden zullen afvragen of Bert Kruit misschien een klap van een windmolen heeft gehad en alles op z’n kop ziet, kan hij wel lachen. Maar, houdt hij vol: ‘De werkelijkheid is zoals ik het je schets.’

Volgens de boeren zijn de lokale bestuurders in de rol van actievoerders gekropen. Zoals een van de anonieme boeren het zegt op kenmerkende, behoedzame wijze: ‘De stemming vanuit de lokale overheid was nooit echt meewerkend, laten we het zo zeggen.’ De gemeenten en de provincie gingen dwarsliggen en bleven dwarsliggen. Ter illustratie: toen in de zomer de eerste windmolen in aanbouw was, verschenen er berichten in de krant dat gemeenten weigerden vergunningen te verlenen voor het speciale vrachtverkeer met de onderdelen.

Vermeulen vindt op zijn beurt: ‘We hebben wel geprobeerd om overleg met de gemeenten te krijgen, maar die wilden pertinent niet. Achteraf hadden we daar meer tijd en energie in moeten steken, om het samen te doen.’ De ervaring bij Pure Energie op andere plekken in Nederland leert dat het dan wel degelijk kan.

Die tegenwerking was in Drenthe mogelijk ingegeven doordat de windboeren achter hun rug om het rijk hadden ingeschakeld om de lokale democratie buitenspel te zetten. Wolters, corrigerend: ‘De bedoeling van de rijkscoördinatieregeling ligt in de naam beklonken: het rijk neemt niet alle taken van de lagere overheden over, maar voert een stukje coördinatie. Problemen ontstaan als de lagere overheden vervolgens hun rol niet pakken.’ Volgens Kruit deden ze dat niet, omdat het zwakke bestuurders betreft, ‘met een rug als een slang’. Doordat lokale politici geen moeite deden om de boel bij elkaar te houden, liepen de spanningen in de Veenkoloniën op, zeggen de windboeren. Want, redeneren ze: als bestuurders de rol van actievoerder aannemen, gaan burgers zich gelegitimeerd voelen om er een schepje bovenop te doen. Neem al die stickers, spandoeken en protestbordjes die je overal in de regio ziet: kan de gemeente die niet eens weghalen? Speelman: ‘Als ik reclame plak op palen en borden, moet je kijken hoe snel ze het weghalen.’

Als je bij hem in Eexterveen het dorp inrijdt, zie je de stickers op lantaarnpalen en verkeersborden. Toen ze ook op zijn brievenbus langs de weg kwamen, heeft hij ze weggehaald. Dat was nog tot daaraan toe. Maar toen Speelman op een dag zijn veld opliep, waar de aardappelen en suikerbieten onder een vliesdoek lagen, zag hij dat er wat opgekalkt was: ‘WIND NEE!’ Daar schrok hij wel even van. ‘Ze waren op mijn land geweest. Dan komt het wel heel dichtbij.’

Daarmee is het verhaal van de windboeren het spiegelbeeld van dat van de omwonenden. Beide kampen beklagen zich dat de ander in hun directe omgeving zit te rommelen. Allebei vinden ze dat de overheid met twee maten meet en hen in de steek heeft gelaten: de gemeente of provincie, of anders wel het rijk. En ze zijn het er roerend met elkaar over eens dat het volstrekt onmogelijk was om met de ander te praten.


De namen van de anoniem opgevoerde boeren zijn bij de redactie bekend. Dit verhaal kwam mede tot stand met steun van Fonds1877