‘we gaan door’

Het toneel wordt bedreigd door sport en bioscoop en dancing. De toneelspelers eisen te hoge honoraria. En toneelcritici zijn niet goed bij hun hoofd. Herman Heijermans, een paar maanden voor zijn dood in 1924, geinterviewd in de Haagsche Post.
ONDER DEN STRIEMENDEN regen lag het duinlandschap droef, van weemoed vol.

In een buitenvilla een harmonische kamer. Heijermans reikt me de hand. Massief de gestalte, breed, nog joviaal.
‘Dat u al die moeite doet voor den zieken auteur; en in zoo'n beesteweer. Een ding moet u weten, mevrouw: ik ben verloren. Geen ontkenningen. Alleen vanuit die waarheid kan ik met u spreken. Ik tracht het filosofisch op te nemen. Wat me berusten moeilijk maakt, zijn mijn twee kleine kinderen.’
Dwars op de lage chaise-longue, zonder steunende leuning, zat de stoere gestalte, de opstaande vuisten gestut op de uiteengeweken knieen. De oogen, niet dof, niet droef, maar wetend, keken me rechtuit aan. Een enkele maal zakten langzaam de leden; de eenige beweging, die toch alles zei: weemoed, berusting, en kracht tot dragen.
U hebt gewerkt, uw leven door; en goed.
'Och, goed?… Elf jaar was ik theater-directeur. Eindelijk bevrijd van dat juk. Nu aan het literatuur scheppen, denk ik, en met volle kracht. Ik had zooveel plannen. Ik moest ook hard werken, om mijn schuldeischers te voldoen. Daar bespringt mij dit.’
Een buitenstaander zou haast kunnen denken: u schudt uw werken zoo uit uw mouw.
'Als je het plezierig vindt, gaat het vanzelf - ziek zijn is ook zo gek: telkens wil ik een aanloop nemen… Maar dit is fysiek te zwaar. Het gunt me geen rust. Elk slikken doet pijn.’
De bezoekster spande haar wilskracht: niet op ingaan… afleiden.
HOEVEEL 'FALKLANDJES’ schreef u wel?
'Ik denk: meer dan achthonderd. Ik kan het nakijken.’ - Met een zwaren sleutelbos werd een kast geopend. - 'Ziet u, het komt uit! Haast een onbescheiden aantal.’ - Even flakkerde een grapje door de oogen; in gezonde tijden was zeker een kwinkslag gevolgd. - 'Een kast vol “Heijermans”; ik geneer me om ernaar te kijken.’
Schreef u zooveel boeken?
'De buitenlandsche uitgaven, de vertalingen staan er ook bij. Het is hier zoo netjes in de kamer; ik ken mezelf niet. Vroeger smeet ik alles door mekaar. Nu heb ik tijd tot opruimen.’
Uw vader was een gezien journalist.
'Een scherpzinnig intellectueel. Hij werd drie-en-tachtig.’
'Zoo oud worden is niet altijd geluk’, zei de bezoekster, die iets zeggen wou.
'Wat?’ - in sterke verontwaardiging: 'Nog drie-en-twintig jaar werken, zou dat geen geluk zijn geweest?’
Was uw moeder ook een intellectueele?
'Nee. Zij heeft tien kinderen grootgebracht. Een brave vrouw. Om in eerbied te gedenken. Nooit klaar met haar werk; altijd thuis; altijd kousen stoppen. Haar leven gaf ze weg in een voortdurende offering. Zooals een man het niet kan.’
Ik vrees ook niet alle vrouwen van nu.
'En wij eischen ’t niet van haar! 'k Bewonder mijn vrouw al, als ze naast ’t huishouden, den heelen dag die twee woelwaters van kinderen al spelend opvoeden kan.’
De generatie voor uw ouders? Kleine kooplieden, zoals vaak de joden begonnen?
'Toch niet. Grootvader was secretaris van de joodsche gemeente. Een geleerde. Bezat een goed bi… bibliotheek. - Mijn tong slaat soms verkeerd aan; heb hem niet in mijn macht. Wilt u altijd vragen, als u niet verstaat…’
Vertel eens uit uw jeugd.
'Ik bezocht de Hoogere Burger School.’
Wilt u niet wat vroeger beginnen?
'Niet noodig. Natuurlijk “schreef” ik al op de H.B.S., als al die blagen. Daarna wou ik schrijver worden. Vader vond het niet goed. Ik moest den handel in… goud verdienen! Zo meende hij in zijn naiveteit. Ik ging toch schrijven. Ik debuteerde in het Rotterdamsch Zondagsblad, dat vader redigeerde. Fantasieen, spelend op andere planeten. Toen al leefde de idee in me, die ik nog altijd heb, en die nu ook wetenschappelijk benaderd schijnt te worden: belachelijk als zou alleen op aarde leven bestaan, en dan nog al het hoogste leven. In Een jodenstreek - typisch om daar na zooveel jaar nog eens op terug te komen - in een andere facet dezelfde idee: onuitstaanbaar de aanmatiging, dat een godsdienst de hoogste zou zijn, waarbinnen de “braven” wonen, met recht van neerzien op alle anderen. - Herinnert u zich Ahasveros?’
Een mystificatie.
'Zoo, dat weet u. Mijn toneelstuk Dora Kremer was afgemaakt in '90 door de geestelijk kleinsteedsche Hollandse critiek. Ik wou ze toonen: “Als je maar denkt, het komt uit het buitenland, dan vin je het mooi!”… En ik verzeker u: wie het weer doet, laat de critiek er weer invliegen! Afkammen is een te groot plezier. En “Heijermans” fungeert nu eenmaal voor “roode lap”. Ik moet er dadelijk bijvoegen: ik heb ook de critiek niet gespaard.’
Waarom is ze zoo op u gebeten?
'Ik zonder de grooten uit: Querido, De Meester. Staan boven het gilde. Waarom? Omdat ik van den beginne af aan een scheiding heb getrokken tusschen de burgerlijke en de socialistische kunst.’ - Langzaam, als doceerend: - 'Ik beweer niet, dat de socialistische kunst er al is, nog minder dat ik die zelf zou hebben geschreven; maar in ons pogen leeft al verschil in toon met de decadente burgerlijke kunst. De socialistische wordt uit feller drang geboren. Nu zeggen de critici - en dat is hun wraak -: “Jelui kunst is tendenz.” Een vergissing.’
Je hoort haar dikwijls.
'Tendenz is kunstmatig van boven opgelegd. Wie zijn eerlijke, volgroeide overtuiging uitschrijft, geeft geen tendenz.’
Maar toch, door zijn overtuiging… zijn leer.
'Zijn diepste hart. Tendenz wil bekeeren. Overtuiging niet. Als het toch gebeurt, komt het door de kracht van zeggen; niet door dwang.’
U schijnt toch eens geschreven te hebben, dat u de bourgeois wilt bekeeren door ze met lepeltjes ’t socialisme in te gieten? Is u dat vergeten?
’ 'k Vergeet niets. Een legende. Ontstaan uit 'n Voorwoord. Hier: “de machthebbers met den paplepel”… Lees verder. - Na de eerste Ghetto-opvoeringen; de commissaris van politie wou: 'k zou enkele dingen wijzigen. - Ze raakten de kern niet. Dan doe ik dat. Is tact. - Wat de “legende” er van maakte… zou platte propaganda zijn. 'k Heb ’t verschil telkens vinnig genoeg toegelicht… Mag ik even gaan drinken? Neemt u me niet kwalijk dat ik niet geschoren ben? 'k Had vanmorgen nog willen gaan… ’t was zoo'n beesteweer.’
En u is overtuigd dat het socialisme komen zal?
Met plechtigen ernst: 'Het zal een nieuw geluk brengen voor de menschheid. Het ware socialisme kan dat. Jammer genoeg - luister hier voorzichtig - bestaat binnen de politieke partijen een hoop demagogie, en veel afdwaling. Wat wij in onze jeugd noemden: anarchisme, heet nu: communisme. En daar haalt een denkend mensch zijn schouders voor op.’
’t Zijn de goede principes van ’t socialisme ad absurdum gedreven.
'Volkomen juist. Ja, het communisme als daad - en niet als woord van deze kleine menschjes - daarin gaan we allen mee; ook de christenen, ook de idealisten! Wat zich communist noemt, is een bruut type, een herrieschopper. Troelstra heeft het gezegd; het is ook mijn overtuiging. Als we weten dat in Rusland - het land van de analphabeten - het communisme heeft gezegevierd… weten we genoeg! 'k Kan dat kalm zeggen, want niemand werd zoo vaak in ’t Russisch vertaald als ik. Geen enkel toneelstuk of ’t werd opgevoerd.’
Nu nog? Men zegt: de werken van Tolstoi zijn in ’t openbaar verbrand.
'Dan zal Heijermans ook wel vernietigd zijn in de algemeene mazelen-epidemie. De communisten beginnen bij ’t eind. Eerst: ontwikkel ’t proletariaat, breng ’t aan ’t denken. Wie geen zaad strooit, kan niet oogsten. ’t Zuivere socialisme heeft door dit “isme” 'n fellen knauw gekregen. De uitersten van rechts en links in den Staat gaan samen, ze zijn vereenigd in haat tegen ’t beredeneerende verstand: de intellectueelen.’
DE VUIST STREEK een paar maal over het voorhoofd.
U vermoeit zich.
'Wij zullen doorgaan. Ook Henriette Holst en Gorter zijn afgezakt naar den zijstroom. Ik beweer niet dat ik gelijk heb, en zij ongelijk; maar waar ze meenen, dat ze opgaan in de massa, vergissen ze zich. Ze zitten op eigen troontjes; zijn afgezonderde intellectueelen. Wat ik hun kwalijk neem, is het wegloopen uit de groote partij. Dat doet men niet. Ook ik zat dikwijls vol wrok. Ondanks alles: je blijft bij elkaar; ook al krijg je geen gelijk, en al voel je dat als schade voor het geheel. Ja, en in hun oog… is Heijermans natuurlijk de verdoolde.’
U hebt lang in Berlijn gewoond?
'Vijf jaar. Helaas ging ik terug in '12. Ik was vast medewerker aan het Berliner Tageblatt, de Vossische Zeitung. Waarschijnlijk krijgt een Hollander daar nooit meer zoo'n positie.’
Dus u schreef niet uitsluitend in de socialistische pers?
Driftig: 'Je brood! Ik doe het hier toch ook. Je overtuiging hoef je niet weg te moffelen. Je schrijft verhaaltjes, novellen. Het leven is rijk genoeg: je put maar. Mijn stukken in de burgelijke pers daar hebben dikwijls genoeg kabaal veroorzaakt. 'k Heb een bezoek gebracht voor ’t Berliner Tageblatt aan ’t Asyl voor Dakloozen. Erover geschreven. Tot in den gemeenteraad drong ’t rumoer door. Een dag en een nacht geleefd in ’t gemeentelijk Krankzinnigengesticht. Mijn oordeel kon niet vleiend zijn! Meestal veel polemiek. Theodor Wolff heeft me altijd gesteund.’
Waarom ging u weg?
'Ik was borg gebleven voor de oude Nederlandsche Toneelvereeniging. Die ging failliet. De advocaat legde me verplichtingen op. Ik had moeten zeggen: “Ga je gang maar.” Ik ging naar Holland terug; ik zou dat wagentje wel even weer aan het rollen brengen. Het wagentje rolde… maar den verkeerden kant uit!’
Bleek het te moeilijk om u ineens in het directeurschap in te werken?
'Dat niet. Het Toneel was al aan den dalenden kant: inwendig ontredderd.’
Door die voordurende splitsingen?
'Die zijn gevolgd; geen oorzaak. De laatste stuiptrekkingen. De bioscoop kwam, de sport; en de menschen - zenuwoverprikkeld in en na den oorlog - wilden “dansen”; geen kunst. De artist voelt de debacle aankomen. Hij denkt: hier gaat het mis; een eigen gezelschap kan me redden. Hij weet zoo goed, hoe het moet! Vier maanden lukt het. Dan zakt ie weg.’
De artist is slachtoffer.
'Ook door eigen schuld. Toen ik als directeur begon, verdienden de groote artiesten vijftig gulden per week. En waren tevreden. Zonder eenigen redelijken grond, alleen omdat een ander hen wijs maakte, dat hij het hun geven kon… dreven ze het salaris op, fantastisch hoog. Buiten verband met de vraag van het publiek naar kunst. En wie eenmaal had, wou houden. De artiest moet weer leeren zich aan te passen, tevreden zijn met het salaris van een leeraar, bijvoorbeeld. Tegenstanders hebben me verweten dat ik zooveel van mijn eigen stukken liet opvoeren. “Om de tantiemes.” De laster! Geen cent kwam in mijn zak; alles in “de zaak”. - En mijn nieuwste stuk ken zijn goed. - Van ouds de Morgenster, door de pers vernield. Zou 'n tendenzstuk zijn. Waarom? Omdat ik de ellende voel van den drank? Omdat 'n jongen zijn redding vindt in ’t Katholicisme? - Bah, al die kleine menschjes met hun zelf-opgeworpen aardhoopjes, waarover ze niet kunnen heenzien.’
Ik denk altijd aan Jaspar… in 'Eva Bonheur’.
'Is die geslaagd… meent u? Wat gaf Musch hem verrukkelijk.’
’t Toneel is gelukkig niet veroordeeld van binnen uit?
'Neen… als de artiesten-eischen weer rede lijk worden; als er goede schouwburgen komen; en als de schrijvers wat te zeggen hebben. Geen tendenzstukken, als van Heijermans!’
Waarom trekt u zich dat domme woord zoo bitter aan?
'Het publiek verstaat onder tendenz iets plats: “Heijermans werkt voor de S.D.A.P.” Neen! Neen! Voor mijn eigen, diepe overtuiging. Niet voor de partij. Ik ben niet eens tevreden over de “partij”. Die ambieert te oppervlakkige dingen. Als geen diepe ziel hier drijft… wordt het de dood; ondanks acht-urendag en verder moois. Als aan het socialisme ontbreekt de band met de eeu wigheid. Verstaat u me? Waarom waarschuwt u niet?’
U vermoeit zich.
'Ik vermoei me. We gaan door. Dat is de kracht van het Katholicisme: de nooit verbroken band met het eeuwige. Het socialisme bezit die even sterk. Wie het ziet zonder groote godsdienst-strekking, - buiten alle geestelijke “ghetto'tjes” om, natuurlijk - is een dwaas. Het socialisme, losgemaakt van het heelal, wordt een onnoozel, aardsch verschijnsel. En wie het heelal ziet in majesteit… en tegelijk de erbarmelijke mishandeling van den mensch op aarde… die kan niet nalaten dien mens te willen heffen in contact naar het hooger leven. En, omgekeerd, een hoogere macht, een God, die zou toelaten deze mensch-mishandeling zonder kans op redding… is onaannemelijk; bestaat niet. Er is een tijd denkbaar, waarin een menschheid, met een dankuiting om het schoone leven, zich heft naar het Allerhoogste.’
EEN STILTE. Heijermans verliet even de kamer. Langs de ramen biggelt de regen staag in trillende droppelen.
Uw huis is mooi.
'Dacht u dat het mijn huis was? De goedheid van een vriend laat me er wonen. Heijermans bezit nog geen spaarbankboekje.’
Kan een auteur in Holland niet leven van zijn pen?
'Ik zou het gekund hebben. Ik heb mijn gezamenlijke tantiemes afgestaan, om de schulden van de toneelzaak te dekken. Nog drie jaar zit ik vast. Toen de debacle kwam, zei ik: “Menschen, weest niet bang, ik sta persoonlijk borg.” Zoo vreeselijk hebben ze daarvan misbruik gemaakt. Tot het laatste pond vleesch hebben ze geeischt. Er kwamen er, hadden duizenden verdiend in een seizoen, kwamen 'n paar honderd gulden te kort… Ze persten tot het uiterste, klemden de schroef vast en vaster.’
Mijn God, waarom?
'Om Heijermans… de auteur. Ook andere directeuren betaalden niet vol uit… lieten ze met rust. Ik had tantiemes… ik was 'n “prooi”. Ik zal u laten zien mijn gruwelkamer: mijn verzameling brieven, faillissements-aanvragen, dreigingen. Geen namen noemen. Hun kleinheid moet hun straf zijn. Och, en nu kan het me niet meer schelen! Met den “zieken auteur” mogen ze sollen. Prive schuld heb ik zoo goed als niet.’
Waarom liet u zich niet failliet verklaren?
'Ik wou dat mijn kinderen besparen. Wibaut zegt: “In handelszaken denkt Heijermans nog te klein-burgerlijk.” 'k Heb 'n beestachtigen tijd gehad. Nu ik ’t overzie… hoe heb ik al die zorgen kunnen dragen. - Ik kan niet besluiten, me af te maken van aangegane verplichtingen. ja, nu, nu… is het force majeur!… Dat moet toch iedereen zien?… mijn kinderen laat ik bewijs na: “Vader heeft tot het uiterste voor ons gevochten.” Mijn kindertjes. Mijn zoon. Mijn leven lang heb ik naar een zoon verlangd.’
Langzaam welden in de wetende oogen de klare tranen. Langzaam drong de sterke vuist ze terug. Een kindje schreide in de kamer boven. Met in de stem de zoete modulatie van een sprookjesverteller: 'Hansje, mijn Hansje, niet huilen. Kom je bij vader?’
De moeder bracht het baby-jongske en het dochtertje. 'Kijk, die snoetjes, louter goedheid en reinheid. - De mens wordt goed geboren, mijn kindertjes. De zorg alleen, de prikkel om het brood hitst ze tegen elkaar op. Mijn schatjes.’ - Hunkerend keek het vadergelaat in de onbewuste gezichtjes, als wilde het hun afglans vastleggen in de ziel.
De bezoekster voelt de ontroering verraderlijk opkroppen in de keel. Daar ontmoette haar blik de oogen van de jonge vrouw. “Ik draag”, zeiden die oogen. En zou dan een vreemde zich niet kunnen beheerschen?
Het afscheid. Heijermans’ lange, veelzeggende, ach, zoo warmlevende handdruk. De deur viel dicht…