Circulaire mode: De must-haves van nu

‘We gaan er straks echt niet uitzien als cyborgs of zo’

Jonge modeontwerpers lopen voorop in de transitie naar een zero waste-kledingindustrie: schone, slimme kleding en veel minder ‘troep’ in de kast.

De haute couture-collectie lente/zomer 2020 van Iris van Herpen op de catwalk in Parijs © Charles Platiau / Reuters / ANP

Het gedwongen thuisblijven heeft in Nederland geleid tot opruimwoede. Zakken vol afgedankte schoenen, tasjes, riemen, sportspullen en kledingstukken verdwijnen in de containers op de verzamelpunten. De hoeveelheid is zelfs zo groot dat de distributie- en verwerkende instanties inmiddels aan de noodrem trekken: even stoppen met dumpen. Hoe kwamen al die uitgemeste kledingkasten toch zo vol?

Een algemeen antwoord is consumentisme, dat in de afgelopen decennia hand in hand is gegaan met de toenemende welvaart. Mode is net als veel luxeartikelen ‘gedemocratiseerd’; niet langer koopt alleen de elite wat de catwalks en de glossy’s elk seizoen presenteren als de nieuwste must-haves. De goedkope imitaties daarvan zijn bovendien voor de minder gefortuneerde massa onder handbereik geraakt. Kijk maar wat er in de rekken van H&M en Zara hangt, wat er allemaal op het internet met je creditcard is te bestellen en hoe in de uitverkoop de illusie wordt verkocht om geld uit te sparen. Al snel puilt de kast uit van kleding die je eigenlijk niet nodig hebt, nauwelijks draagt of waarvan je al jarenlang denkt die ooit nog een keer aan te trekken voor een of andere gelegenheid.

‘We hebben vaak meer dan we zelf denken’, zegt sustainable design researcher Irene Maldini. Ze promoveerde vorig jaar aan de Vrije Universiteit Amsterdam op een analyse van ontwerpstrategieën die de kledingproductie willen terugdringen. Maldini nam voor haar onderzoek een kijkje in de kledingkast van mensen van verschillende generaties door heel Nederland. ‘Ik trof tussen de zeventig en zevenhonderd stuks aan. Bij die bergen aan spullen was de eerste reactie schaamte. Over hun koopdrang dat niet overeenkomt met wat ze nodig hebben.’

In haar proefschrift ‘Can design confront consumerism? A critical study of clothing volumes, personalisation, and the wardrobe’ komt Maldini tot de conclusie dat bestaande alternatieve duurzame kledingontwerpstrategieën geen tot weinig impact hebben op het consumentengedrag. Zij constateerde een paradox; ontwerpers en bedrijven geven aan dat ze willen bijdragen aan het dalen van de kledingberg, maar doen dit door de productie van meer duurzame kleding. ‘Logischer zou zijn: minder producten. Het bewustzijn dat we te veel hebben neemt bij de consument toe, in de modewereld promoten frontrunners hun green message, desondanks groeit de kledingindustrie.’ Ze pleit voor een radicale strategie om de mindset van de producent en van de consument te veranderen: dat er meer dan genoeg kleren zijn in de wereld. Geen seizoenscollecties en minder frequent nieuwe collecties in de winkels.

Het besef dat kleding een van de vervuilendste industrieën ter wereld is, dringt langzamerhand door in de modewereld. Niet alleen bij voorlopers zoals Stella McCartney. Topontwerpers maken van oude gordijnen en legerbroeken pakken, van ananasvezels jurken en van zeewier schoenzolen. Er verschijnen manifesten, zoals vorig jaar van Union of Concerned Researchers in Fashion, waarin wordt opgeroepen tot een paradigmaswitch van het hele systeem. Influencers op sociale media en stijliconen zenden hun missie ‘zero waste fashion’ wereldwijd uit naar hun volgers en fans. Hierdoor worden bedrijven die collecties voor de massa maken, zoals GAP, H&M, Levi’s, Zara en Mango, steeds meer onder druk gezet. Zij hebben vorig jaar het ‘UN Fashion Industry Charter for Climate’ ondertekend om de uitstoot van broeikasgassen bij de productie van hun kleding in de aanstaande twintig jaar drastisch te reduceren. Op hun beurt ventileren zij hun missionstatement aan hun kopers, hypergevoelig als deze op winstgerichte mondiale winkelketens zijn voor gedragsveranderingen in de maatschappij.

‘Duurzame mode is in de afgelopen tien jaar van marginaal naar mainstream gegaan’, stelde maandblad Vogue vorig jaar in het artikel ‘Vaarwel, volle kast’. Van een activistische voorhoede sijpelt het door naar de boardrooms en de tekentafel van de grote modehuizen. Hét woord is sustainable, en dat is volgens Vogue ‘dankzij millennials en de generatie Z, een milieubewuste generatie die totaal anders aankijkt tegen consumeren dan de babyboomers, hun ouders’.

In die ontwikkeling naar een schone mode-industrie loopt Nederland, samen met Zweden, voorop. Ontwerper Iris van Herpen staat met haar duurzame en hightech ontworpen collecties aan de wereldtop. Haar spectaculaire shows met op de eerste rij beroemdheden en modecritici laten zien dat ethiek niet hoeft te botsen met esthetiek. Modekoning Alexander van Slobbe ontwerpt sinds 2014 onder een nieuw label collecties uit de overproductie en restmaterialen van de kledingindustrie. Het ontwerpduo Viktor & Rolf richt zich eveneens op een duurzame kledinglijn. Tess van Zalinge koopt trouwjurken op om die te restylen voor nieuwe bruiden. De ‘circulaire ondernemer’ Bert van Son van Mud Jeans wil de denimmarkt transformeren door spijkerbroeken te recyclen tot op het individuele lichaam ontworpen jeans. Ook bij Hema is het roer al langer om. En vooral: het ritselt van de bedrijfjes van jonge modeontwerpers die duurzaam ontwerpen, initiatieven aanjagen om te recyclen, kleding te delen of te huren in plaats van te bezitten.

Topontwerpers maken pakken van oude gordijnen en schoenzolen van zeewier

‘In Amsterdam-West is bijvoorbeeld de “kledingbibliotheek” Lena opgericht waar je topmerken kunt lenen. In Wormerveer staat sinds vorig jaar sorteermachine Fibersort, die met een infrarood laser kleding specifiek sorteert op katoen, wol, synthetische stoffen en ander materiaal. Na afloop rollen er balen van gegarandeerd gescheiden materiaal uit’, vertelt Jade Wilting van het bedrijf Circle Economy. ‘Nu gaat van afgedankte kleding een derde naar Afrika en Oost-Europa, zo’n tien procent – de crème – naar vintagewinkels. De rest wordt verbrand, of vervezeld om te verwerken tot bijvoorbeeld isolatiemateriaal. De sorteermachine verzekert echter dat de ingrediënten worden hergebruikt voor de kledingindustrie.’

Ze legt uit dat het recyclingproces een intensief proces is dat vaak tot ‘downcycling’ leidt waarbij artikelen en materialen tijdens het proces aan waarde inboeten. De kledingindustrie moet volgens haar prioriteit geven aan strategieën die de actieve levensduur van een kledingstuk verlengen, zoals: huren of kopen van tweedehands kledingstukken. ‘Dit is voor veel bedrijven een heel nieuwe tak van sport die vraagt dat ze hun mentaliteit maar ook hun bedrijfsmodellen volledig omgooien’, zegt ze. Circle Economy propageert een attitudeverandering: van bezitten naar delen. ‘De circulaire economie vereist dat we business as usual en consumptie as usual radicaal omgooien. Kleding moet opnieuw ontworpen en geproduceerd worden om houdbaar te zijn voor niet één eigenaar maar meerdere dragers.’

Voor Wilting zelf is huren, delen en tweedehands niet onrealistisch. Ze groeide op in Zuid-Afrika, waar het doodnormaal was dat je ongebruikte spullen en kleren niet wegdeed maar doorgaf aan mensen in nood. Toen ze in Nederland ging studeren was ze aanvankelijk geschokt door hoeveel kleding, soms met het label er nog aan, wordt weggegooid. Door het boek Cradle to Cradle: Remaking the Way We Make Things (2002) van William McDonough en Michael Braungart raakte ze in de greep van duurzaam ontwerpen. ‘Nederland loopt wereldwijd voorop in de circulaire transitie-agenda 2050. Ik denk dat deze crisis ons dwingt, zoals Lidewij Edelkoort onlangs in een essay schreef, tot een quarantaine van consumptie.’

Maar het adagium is niet alleen hergebruik, delen, tweedehands of meer tijdloze collecties. In essentie is mode verleiding van het nieuwe. Aan de verrassing van kersverse schoonheid raken mensen – vooral vrouwen – verslingerd, zo niet verslaafd. Op dat gevoel kun je ook anders inspelen. Voor Marina Toeters van by-wire.net ligt de uitdaging in de integratie van mode en technologie. ‘De modewereld presenteert zich als vernieuwend, maar dat zie ik in de afgelopen decennia niet terug: het systeem is gericht op veel en zo goedkoop mogelijk. Terwijl Nederland juist zeer innovatief is, we hebben een goede hightechindustrie. Philips is een wereldspeler in de technologische innovatie van producten. Textielbedrijf Ten Cate maakt geavanceerde textiel. Maar de mode is hier niet op gericht.’

Haar bedrijf werkt nauw samen met de technische industrie, onder meer met de Fashion Tech Farm in Eindhoven waar vier modetechnologiebedrijven onder hangen. Ze doen onderzoek naar de toepassing van hightech in kleding en nieuwe productietechnieken. Vorig jaar publiceerde by-wire.net het boek Unfolding Fashion Tech: Pioneers of Bright Futures, met vijftig innovatieve modeprojecten en essays van ontwerpers en wetenschappers op het gebied van modetechnologie die hun licht werpen op de mode-industrie van de toekomst. ‘We zijn bezig om een legertje aan modetechnologen op te bouwen. We willen anders nadenken over de functionaliteit van kleding. Die kan zoveel meer voor ons doen, kleding kan voor ons gaan “zorgen”.’

Zelf heeft ze voor haar Closed Loop Smart Athleisure Fashion-collectie – alles in de modewereld is in het Engels – een smart shirt ontworpen. Het houdt via sensoren hartslag en ademhaling bij. Op deze lijn gaat ze verder. Haar filosofie is gebaseerd op drie uitgangspunten: lokale productie, schone materialen en functionaliteit.

‘Zo lokaal mogelijk zodat er beter zicht is op de productieomstandigheden. De materialen zelf moeten afbreekbaar zijn. Ik hoop dat we straks allemaal Tencel toepassen, cellulose uit grassen en bomen met een zachte jerseyachtige structuur. En met betrekking tot de functionaliteit: dat kleding waardevoller wordt. Ik doe onderzoek naar de toepassing van elektronica zodat je in kleding sensoren hebt die bijvoorbeeld stress kunnen meten, of je stimuleren rechtop te staan. Ik richt me nu vooral op sport- en vrijetijdskleding.’

Door de coronacrisis zijn volgens haar drie uitgangspunten in een stroomversnelling gekomen. Ze werkt nu ‘ultralokaal’, met Nederlandse leveranciers die geografisch zo dichtbij mogelijk zijn. En ze is bijna fulltime bezig met het produceren van mondkapjes, die wél beschermend zijn maar zonder medische certificering. Daar deed ze al onderzoek naar voordat de coronacrisis uitbrak. In opdracht van een huisarts en in samenwerking met een elektronicabedrijf ontwikkelt ze bovendien een ‘Covidshirt’ – een shirt met ingebouwde techniek om de temperatuur, de hartslag en de ademhaling op afstand te meten.

‘Alles is nu uit balans, we zijn op elkaar aangewezen. Vanuit een gevoel van urgentie werken we niet langs elkaar heen maar samen. Iedereen wordt in zijn kracht gezet.’ Dat maakt haar optimistisch over haar missie in de toekomst. Ze zegt erbij dat meer gebruik van technologie in kleding geen invloed zal hebben op de looks. ‘We gaan er straks echt niet uitzien als cyborgs of zo. Ik hoop vooral dat slimme kleding alledaags wordt, dat het in winkels als Zeeman komt te liggen.’