‘We geloven meer dan we weten’

Martin Walser, Mein Jenseits. € 24,30

Elmar Kuiper, Hechtzwaluwen. € 17,90

Zou literair talent ook iets met genen te maken hebben? Schrijverschap als erfelijke eigenschap?
Deze vragen dringen zich op bij het lezen van de roman Am Anfang war die Nacht Musik van Alissa Walser, dochter van de alom bekende Duitse schrijver Martin Walser.
Een antwoord lijkt onmogelijk. Zeker is dat Alissa Walser, geboren in 1961, veelzijdig begaafd is. Ze schildert en tekent, maakt literaire vertalingen, heeft korte verhalen geschreven. En sinds kort is er nu haar eerste roman, die ervan getuigt dat ze een eigen stijl en toon heeft gevonden.
Alissa Walser heeft op lichtvoetige wijze een prachtige historische roman geschreven, waarin ze zich op meevoelende wijze verplaatst in haar personages en in de tijd waarin deze leefden. Die tijd was de tweede helft van de achttiende eeuw en de belangrijkste personen in de roman hebben werkelijk geleefd.
Franz Anton Mesmer was een even beroemde als omstreden arts in Wenen. Hij geloofde dat de krachten die in het universum werkzaam zijn ook het menselijke zenuwstelsel beïnvloeden, en ontwikkelde zijn leer van het ‘dierlijke magnetisme’. De aantrekkingskracht van magneten zou zieke mensen kunnen genezen. Hij was er ook van overtuigd dat hij zelf een magnetische uitstraling bezat, die hij via zijn handen kon overbrengen op overspannen geesten. Daarbij liet hij zijn patiënten praten. Hij wilde alles over hen weten. In die zin liep Mesmer vooruit op Sigmund Freud.
Volgens Mesmer was zijn 'dierlijke magnetisme’ een wetenschappelijke methode, maar tot zijn grote verdriet dacht de academische wereld daar geheel anders over. Toonaangevende medici vonden hem een kwakzalver, wat niet verhinderde dat patiënten zijn kliniek bezochten in de verwachting rond zijn 'magnetische tobbe’ genezing te vinden.
In 1777 hoopte Mesmer op een doorbraak. In dat jaar brachten een hofdignitaris en zijn vrouw hun blinde dochter Maria Theresia Paradis naar de kliniek. Het toen achttienjarige meisje was op driejarige leeftijd blind geworden als gevolg van een traumatische ervaring. Ondanks die blindheid ontwikkelde het kind zich tot een virtuoze pianiste, een wonderkind, dat voor keizerin Maria Theresia mocht optreden.
Toen ze bij Mesmer kwam, was haar toestand erbarmelijk. Ze had uitpuilende ogen, was verkrampt en haar lichaam toonde kwetsuren als gevolg van een medische behandeling die eerder een mishandeling was geweest. Mesmers zachte, sensibele methode had een weldadige invloed op het meisje. Haar krampachtige houding verdween, haar gezicht kreeg normale trekken, en haar zintuigen begonnen weer te functioneren. En ja, ze kon ook weer zien.
De bevolking van Wenen stroomde toe om dit wonder te aanschouwen. Even leek Mesmer de medische wereld voor zich te winnen, maar al gauw maakte bewondering plaats voor jaloezie en afgunst. Er werd geroddeld over de dokter en zijn patiënte. Ook de ouders waren niet tevreden, want hun dochter kon nu wel zien, maar haar pianospel was er niet op vooruit gegaan, integendeel. Ze maakte fouten en dat bracht haar carrière in gevaar. Ze werd weggehaald bij Mesmer. Een beroemde oogarts werd geconsulteerd en die constateerde dat ze niet werkelijk was genezen. Mesmer bleef in de ogen van de academische wereld een bedrieger. Hij verliet Wenen om in Parijs zijn geluk te beproeven. Maria Paradis was weer de blinde pianiste.
Alissa Walser heeft dit verhaal op knappe wijze gecomponeerd. Ze verplaatst zich beurtelings in de gevoels- en gedachtewereld van Paradis en van Mesmer. Haar taal maakt het lezen van deze roman tot een groot genoegen.
Of de pianiste werkelijk weer blind was geworden? Haar vader had haar gezegd dat haar genezing slechts in haar fantasie bestond. 'Nu als vader het zegt, zal het wel waar zijn. En zodoende staat ze nu aan de kant van de leugen. Dat is de waarheid.’ Kan men het mooier formuleren?
In het genezende effect van een magnetisch krachtenveld kon je alleen geloven, want er viel niets te zien. 'We geloven meer dan we weten.’ Deze zin valt niet bij Alissa maar bij Martin Walser.
Van hem is onlangs verschenen de novelle Mein Jenseits, waarin geloven een centraal thema is. Walsers these luidt: 'De mensen scheppen iets waaraan ze willen geloven. Daardoor erkennen ze dat datgene waaraan ze geloven, niet bestaat.’
De titel van zijn nieuwe novelle doet denken aan de titel van een roman van Walser uit de jaren zeventig: Jenseits der Liebe. Opmerkelijk is dat het hiernamaals van de hoofdpersoon in de novelle de liefde is; een uitzichtloze liefde die niettemin als belofte aanwezig is. Het is een liefde waaraan men slechts kan geloven.
Deze hoofdpersoon is chef-arts en directeur van een psychiatrisch ziekenhuis. De man wordt beheerst door het gevoel dat zijn leven is mislukt. 'Ik liep steeds langs een muur. Die zou ergens ophouden en dan zou het leven beginnen, de volledige overgave. Dat was een vergissing. De muur was het leven.’ Typisch Walser is men, denkend aan eerdere romans, geneigd te zeggen.
De directeur zal aan het eind van de novelle zijn baan verliezen en in zijn eigen kliniek onderworpen worden een psychiatrisch onderzoek. Dat het daartoe komt heeft te maken met zijn belangstelling voor de geschiedenis van het vroegere klooster van Scherblinger en de eeuwenoude relikwie van het Heilige Bloed. Die kostbare relikwie wordt bewaard in de kloosterkerk en eens per jaar getoond aan het gelovige volk.
De chef-arts wil bewijzen dat relikwieën niet echt hoeven te zijn om vereerd te worden. 'Het geloof van de gelovigen maakt van elk vereerd voorwerp een heiligdom.’ Dat bewijs wordt geleverd, maar leidt tevens tot de vraag of de man nog wel bij zijn verstand is. De kerk heeft aan dergelijke bewijzen geen behoefte.
Walser vertelt dit aantrekkelijke verhaal met de nodige ironie. Maar hij oppert ook gedachten over geloven die de moeite van het overdenken waard zijn.

Alissa Walser
Am Anfang war die Nacht Musik
Piper, 252 blz., € 19,95
Martin Walser
Mein Jenseits
Berlin University Press, 119 blz., € 19,90