Waarschuwingen van de WRR

We groeien ons kapot

Als de economie maar groeit, dan gaat het ons goed. Deze eenzijdige focus op het bruto binnenlands product als hét meetinstrument voor ons welbevinden is funest gebleken.

HET IS dat we in Nederland zo bezig waren met de mogelijke benoeming van minister-president Jan Peter Balkenende tot de eerste president van de Europese Unie, anders was de juichende kop dat in de Verenigde Staten de recessie voorbij is gegarandeerd het belangrijkste nieuws geweest. Nu moesten de groeicijfers van de Amerikaanse economie in het derde kwartaal van dit jaar genoegen nemen met de tweede plaats.
De mooie cijfers gingen nog wel vergezeld van waarschuwingen: let op, het herstel is pril, de werkloosheid zal eerst nog stijgen. Er werd dus niet gezegd dat het al weer business as usual is. Maar er sprak wel de hoop uit dat dat spoedig wél zo zou zijn en dat, net als eigenlijk nog niet eens zo heel lang geleden, weer keer op keer de meest prachtige groeicijfers gepresenteerd kunnen worden.
Dat klinkt geruststellend, maar dat is het allerminst. Het Westen moet helemaal niet terug naar business as usual. Dat zou funest zijn, voor de sociale samenhang in landen, de gezondheid, de onderwijsgraad, de natuur, het klimaat, de ontwikkelingslanden en uiteindelijk ook weer voor die economie zelf.
Het zijn niet de minsten die hiervoor waarschuwen in het boek Aftershocks dat de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid deze week publiceert: de voormalige voorzitter van de Europese Commissie Jacques Delors, de Britse professor in de economie Tony Atkinson, zijn Franse collega Jean-Paul Fitoussi en de Amerikaanse socioloog Richard Sennett. Zij en nog een twintigtal andere economen, politicologen, sociologen, juristen en oud-politici van internationale naam en faam laten in Aftershocks hun licht schijnen over de huidige financiële en economische crisis, de oorzaken en gevolgen ervan en mogelijke oplossingen.
Atkinson zegt het in het boek nog het meest direct. Juist het zo eenzijdig gefocust zijn op economische groei, het bruto binnenlands product en nationale inkomen heeft mede geleid tot de huidige crisis. De andere genoemden zijn het met hem eens dat als we die cijfers ook in de toekomst blijven gebruiken als de enige graadmeter voor dé stand van zaken in een land, we in oude fouten vervallen en er onherstelbare nieuwe worden gemaakt.
Zij pleiten dan ook voor uitbreiding van het aantal indicatoren waaraan in de toekomst moet worden afgelezen hoe het een land en zijn inwoners vergaat. Dat klinkt vrij technisch, als leuk voer voor economen en statistici, maar het is meer dan dat. Het gaat over wat je belangrijk vindt in het leven, voor een samenleving en voor de toekomst. Kortom, het is bij uitstek een discussie die in de politiek moet worden gevoerd, maar waar je niet veel over hoort.
Het is die discussie die onder meer GroenLinks bij de Algemene Beschouwingen had willen voeren, omdat ze richting kan geven aan de oplossingen van de twintig ambtelijke commissies die in opdracht van het kabinet zoeken naar toekomstige besparingen die moeten leiden tot het terugbetalen van de torenhoge staatsschuld, een gevolg van de crisis. Het kabinet wilde er niet aan. Volgens GroenLinks omdat dan de onderlinge verdeeldheid zou blijken.
Het is ook een fundamentelere discussie dan die over de hoogte van de bonussen in het bankwezen, waar wél vaak over wordt gepraat in Den Haag, in de media, thuis of in de kroeg. Ook al zou je kunnen zeggen dat die bonussen symbool staan voor dat eenzijdig focussen op economische groei, met het alleen aan banden leggen ervan is die eenzijdigheid nog niet doorbroken.
Sennett noemt alle aandacht voor de bonussen een schaamlap die verbergt dat er meer aan de hand is. Volgens hem hebben de lager betaalden niet zozeer kritiek op de hoogte van de bonussen, maar zijn ze kwaad omdat die niet in verhouding staan tot de prestaties. De elite zegt wel dat we in een meritocratische samenleving wonen en dat hard werken loont, maar in de dagelijkse werkelijkheid merken de lagere en middenklassen dat dit niet waar is, aldus de socioloog: die hoge salarissen zijn niet verdiend.

WAT ER MIST aan de huidige graadmeters zoals het bruto binnenlands product of het bruto nationaal inkomen is velerlei. Zo laten ze niet zien hoe het verdiende geld binnen een land is verdeeld. Fitoussi en ook Atkinson wijzen erop dat de afgelopen decennia de welvaart binnen ontwikkelde landen steeds minder gelijkelijk werd verdeeld. De rijken werden steeds rijker en de armen steeds armer.
Fitoussi is ervan overtuigd dat deze scheve verdeling de dieperliggende oorzaak is van het uitvallen van de vraag naar goederen, kortom van de huidige economische recessie. Die vraaguitval hebben we volgens hem lang voor ons uit kunnen schuiven, doordat gezinnen die hun inkomen zagen dalen gingen ontsparen en vervolgens lenen om toch nog dezelfde levensstandaard te behouden.
Ook Sennett zoomt in op dat ontsparen. In de Verenigde Staten werd volgens hem menige creditcard niet gebruikt om een bontjas te kopen, maar om de ziektekosten te kunnen betalen en te ontsnappen aan belabberde behuizing. Dat het consumentisme van de gewone man de oorzaak van de crisis zou zijn, verwerpt hij dan ook.
Waar de lagere en middenklasse op die manier schulden opbouwden, belegden tegelijkertijd de steeds rijker wordende rijken hun geld in zaken die daardoor overgewaardeerd raakten. Totdat die ingewikkelde bubbel barstte. De financiële crisis waarmee het vorig jaar allemaal leek te beginnen is zodoende ook volgens Fitoussi niet de veroorzaker van de economische crisis, maar zat ingebakken in de ongelijke inkomensverdeling.
In hun analyse zit ook een waarschuwing voor de toekomst. Atkinson verwijst naar onderzoek waaruit blijkt dat economische crises er vaak toe leiden dat de inkomensongelijkheid groter wordt. Gevoegd bij het relaas van Fitoussi en Sennett leidt dat tot de volgende conclusie: als de politiek nu niet stuurt op een eerlijker inkomensverdeling, dan wordt de kiem gelegd voor de volgende crisis. Waarbij Sennett er nog extra voor waarschuwt dat niet alleen naar de tekentafelwerkelijkheid over de inkomensverdeling gekeken moet worden, maar ook naar de realiteit van alledag.
Het nationale inkomen zegt niet alleen weinig over de inkomensverdeling, het zegt ook niks over de gezondheid of het opleidingsniveau van een bevolking. Fitoussi met name wijst erop dat armoede leidt tot lagere opleidingsniveaus, hetgeen op den duur weer leidt tot werkloosheid, hoge kosten en geringe economische welvaart.
Economische groei rekent ook niet mee hoe de natuurlijke hulpbronnen worden opgebruikt en het klimaat wordt aangetast. Zoals die groei ook niet laat zien hoe lang mensen in files staan, hoeveel tijd ze te kort komen voor de opvoeding van hun kinderen of de verzorging van naasten. De cijfers zeggen kortom niet of en hoe we ons kapot groeien.
IN SEPTEMBER kwamen Fitoussi en de economen Joseph Stiglitz en Amartya Sen op verzoek van de Franse president Nicolas Sarkozy met een rapport waarin ze aanbevelingen doen voor nieuwe, betere indicatoren voor wat zij sociale vooruitgang noemen. Sarkozy had hen erom gevraagd in februari 2008, dus vóórdat de crisis Europa bereikte. De crisis heeft een deel van de 25 leden tellende internationale commissie die aan het rapport werkte ervan overtuigd dat het extra urgent is om het meetinstrumentarium te hervormen. Volgens deze commissieleden heeft de crisis de wereld kunnen verrassen ómdat het meetsysteem faalde. Deze leden beweren niet dat met andere indicatoren de crisis voorkomen had kunnen worden, maar volgens hen zou er minder euforie zijn geweest over de economische prestaties in de jaren vóór de recessie.
Stiglitz en de zijnen doen een reeks van aanbevelingen. Maar de hoofdboodschap is drieledig: de klassieke manier van het meten van het bbp moet worden verbeterd en daarnaast moeten aparte indicatoren ontwikkeld worden voor welzijn en duurzaamheid. Binnen die drie onderdelen vragen ze om meer aandacht voor bijvoorbeeld de kwaliteit van goederen in plaats van voor alleen de kwantiteit en de verdeling van die goederen, voor de waarde van vrije tijd en voor die van diensten die binnen een huishouden worden verricht, maar die nu niet worden meegerekend als economisch relevant.
Als het over het meten van welzijn gaat, krijgt in Den Haag menigeen de kriebels, alsof het bruto binnenlands geluk in een getal uit te drukken zou zijn! Dat is subjectief, is dan de klacht. Bovendien, zo reageerde het kabinet op GroenLinks bij de Algemene Beschouwingen, hoe moet de vrijheid van meningsuiting worden afgewogen tegen het aantal ziekenhuisbedden?
Stiglitz cum suis geven toe dat het ingewikkeld is, maar reiken toch een achttal categorieën aan die volgens hen in samenhang bekeken moeten worden. Daaronder zijn niet alleen de voor de hand liggende zoals materieel welzijn, gezondheid en opleiding, maar ook de mate waarin de burgers in staat zijn persoonlijke activiteiten te ontplooien, invloed uit te oefenen op politiek en bestuur en sociale contacten te leggen. Ook het milieu en de onveiligheid in een samenleving moeten volgens hen een rol spelen. Ze jagen de voorstanders van ‘meten is weten’ extra op de kast door te benadrukken dat er binnen die categorieën niet alleen gezocht moet worden naar objectieve criteria, maar dat er ook gewerkt moet worden met subjectieve gegevens.
De hele commissie die aan het rapport werkte vindt dat degenen die de economie en samenleving willen sturen zonder nieuwe indicatoren lijken op een piloot die vliegt op een onbetrouwbaar kompas.

JACQUES DELORS schrijft in Aftershocks dat het omarmen van nieuwe maatstaven voor groei, welzijn en duurzaamheid tot gevolg zal hebben dat we naar een economie van lagere groei en kleinere salarissen gaan. Dat zal voor velen inderdaad een schok zijn. Delors denkt echter dat dit niet als achteruitgang zal worden ervaren, omdat er een beter milieu en meer vrije tijd tegenover staan. Ook Atkinson vindt dat nu het moment is voor politici om de kiezer te vertellen dat in de toekomst de levensstandaard niet zo zal stijgen als we gewend waren.
In Nederland kreeg hun pleidooi voor een nieuw cultuurparadigma niet alleen bijval van GroenLinks, maar ook uit de hoek van de ChristenUnie. Senator Egbert Schuurman vond bij de Algemene Beschouwingen in de Eerste Kamer dat een troonrede waarin vier keer wordt gesproken over een economisch en sociaal krachtig Nederland te veel op herstel van het oude lijkt. Schuurman pleitte overigens niet alleen voor nieuwe indicatoren, maar ook voor een daarbij passend nieuw instituut, een Maatschappelijk Beraad, waarin niet zoals in het oude instituut, de Sociaal-Economische Raad, alleen werkgevers en werknemers vertegenwoordigd zijn, maar ook milieu- en andere maatschappelijke organisaties.
In de epiloog van Aftershocks schrijft WRR-lid Ben Knapen dat economen bescheidener moeten worden. De glorietijd van economen die dachten in efficiënte markten met rationele actoren is voorbij. Zij zullen moeten accepteren dat economie geen ‘harde’ wetenschap is, maar een plaats heeft binnen de zachte, sociale wetenschappen. Wie denkt dat dit alleen het verhangen van een bordje is, vergist zich.