Twintig jaar klimaatdebat

‘We hadden dit eerder serieuzer moeten nemen’

Een reconstructie van twintig jaar klimaatverslaggeving in Nederlandse kranten leert: journalisten slaagden er maar lastig in om de urgentie te vertalen naar het grote publiek. Twijfel bleef rondzingen lang nadat die al uit de wetenschap verdwenen was.

Het Poopó- meer in Bolivia © Josh Haner /The New York Times / Redux / ANP

Ergens op de burelen van De Groene Amsterdammer, opgeborgen in een grijze archiefkast, ligt waarschijnlijk het allereerste artikel over klimaatverandering dat in de Nederlandse pers verscheen. Het dateert van februari 1951 en is geschreven door prof. dr. M.G. Rutten. De geoloog vindt het een wilde maar prikkelende theorie, het idee dat ‘wij zelf dus druk bezig zijn, om met onze potkacheltjes en onze electrische centrales, met onze benzine- en dieselmotoren, de aarde stiekum weg op te warmen. Zonder het zelf te weten (…) veranderen we daarmede op de meest ingrijpende wijze het aangezicht der aarde. Of het waar is, ik weet het niet, maar het is aardig gevonden.’

Luister naar De Groene

In De Groene Amsterdammer Podcast interviewt Kees van den Bosch Groene-redacteuren Jaap Tielbeke en Coen van de Ven over twintig jaar klimaatdebat in de Nederlandse pers. Onze podcast is elke vrijdagochtend gratis beschikbaar via groene.nl/podcasts en via de andere bekende podcastkanalen

De afgelopen zeventig jaar zijn onze elektriciteitscentrales en dieselmotoren alleen maar harder gaan draaien, waardoor de concentratie CO2 in de atmosfeer razendsnel steeg. De gemiddelde temperatuur in Nederland ligt nu bijna twee graden Celsius hoger dan in 1951. 2020 was het warmste jaar ooit gemeten en volgens een recente peiling van de Verenigde Naties beschouwt twee derde van de wereldbevolking klimaatverandering als een ‘mondiale noodtoestand’. De wilde theorie waarover professor Rutten nog zo aarzelend schreef, bleek te kloppen: we zijn bezig het aangezicht van de aarde op de meest ingrijpende wijze te veranderen. Tot die conclusie kwamen klimaatwetenschappers al in de jaren tachtig, toen zich een stevige consensus aftekende over ‘het broeikaseffect’. Toch zou het nog decennia duren voordat hun alarmerende boodschap landde bij het grote publiek.

Twijfel bleef rondzingen in de media, lang nadat deze verstomde in de wetenschap, zo blijkt uit onze reconstructie van het Nederlandse klimaatdebat van de afgelopen twintig jaar. We verzamelden alle 18.138 artikelen over klimaatverandering van de vier grote kranten – De Telegraaf, het Algemeen Dagblad, de Volkskrant en NRC Handelsblad – om te zien hoe zij als klassieke aanjagers van het debat hun rol vervulden. Van de ruim zeventienhonderd namen die meer dan vijf keer voorkwamen, turfden we of zij activist, politicus, wetenschapper of pseudoscepticus waren. Met journalisten spraken wij over de uitdagingen en valkuilen. Hoe bewaakten zij de balans tussen al die stemmen? Hoe gingen ze om met dwarsliggers die weigerden de wetenschappelijke consensus te aanvaarden? Politici voerden duidelijk de boventoon. Wetenschappers hadden een aanzienlijk kleinere stem en moesten ook nog opboksen tegen twijfelzaaiers, die klimaatverandering ontkenden of bagatelliseerden. Vooral opiniekaternen zwichtten voor de pseudosceptische lokroep.

‘Dit maakten we toen al.’ Jeroen Trommelen schuift een Volkskrant-brochure uit 1989 over tafel. Die is gevuld met alarmerende artikelen over stervende bossen, groeiende ozongaten en het ‘onoplosbare’ broeikaseffect. ‘In die tijd was er nog nauwelijks een verwarrende factor in het klimaatdebat’, zegt Trommelen. Sinds 2016 is hij hoofdredacteur van Investico, het platform voor onderzoeksjournalistiek waarmee De Groene – disclaimer – nauw samenwerkt. Daarvoor werkte hij ruim dertig jaar met tussenpozen als milieu- en energieredacteur bij de Volkskrant, waar hij zag hoe het klimaatdebat verhitter raakte. ‘Toen duidelijk werd dat dit probleem raakte aan de manier waarop wij produceren en consumeren, kregen sceptici die de feiten betwistten de ruimte.’

Dat hun drogredeneringen onnodig verwarring zaaiden, had Trommelen al vroeg in de gaten. Eind 2000 schreef hij een artikel waarin hij de ‘sceptische’ tegenwerpingen weerlegt. Ja, het klimaat verandert écht. Ja, dat komt doordat mensen fossiele brandstoffen verbranden. En natuurlijk kun je de toekomst niet voorspellen, maar je kunt wel scenario’s maken en die stemmen zorgwekkend. ‘Wetenschappelijk gezien voerden deze “sceptici” een achterhoedegevecht’, zegt Trommelen. ‘Hun argumenten konden makkelijk worden ontkracht, maar zou dat voldoende zijn?’ Drie dagen na zijn uitgebreide factcheck verscheen er in zijn eigen krant een interview met een ‘broeikasscepticus’. De kop boven het artikel? ‘Zon is grotere boosdoener dan kooldioxide’.

En dan moest het echte klimaatdebat nog losbarsten. Dat gebeurde na de première in 2006 van Al Gore’s An Inconvenient Truth, de klimaatdocumentaire die volle bioscoopzalen trok en werd besproken in klaslokalen en aan talkshowtafels. Geen persoon of organisatie, ook Greta Thunberg niet, kreeg zoveel aandacht op krantenpagina’s als Gore. ‘Wij klimaatjournalisten hadden zoiets van: hoe slaagt hij er toch in om zoveel mensen te overtuigen?’, zegt Trommelen. ‘Eigenlijk gaf hij gewoon een diapresentatie met feiten die wij al honderd keer hadden opgeschreven.’

De voormalige presidentskandidaat goot die feiten in een aangrijpend verhaal met spectaculaire beelden van smeltende gletsjers en verwoestende stormen. Zijn alarmerende toon kwam hem onmiddellijk op kritiek te staan. Al Gore zou de boel overdrijven en losjes omspringen met feiten. ‘Overmand door onheilsgevoelens is Gore het spoor juist helemaal kwijt geraakt’, oordeelde een wetenschapsredacteur van NRC Handelsblad.

Op detailniveau valt er best wat aan te merken op de documentaire, maar een groot deel van de kritiek was onterecht, vindt klimatoloog Bart Verheggen: ‘Grosso modo hield hij zich keurig aan de wetenschappelijke inzichten. Als wetenschapper had ik bepaalde dingen misschien anders geformuleerd, maar ja, dan had je wellicht geen miljoenenpubliek bereikt.’ In 2007 ontving Al Gore, samen met het Intergovernmental Panel for Climate Change (ipcc), de Nobelprijs voor de Vrede.

‘Het bedrog van het IPCC.’ Matthijs van Nieuwkerk kijkt ernstig als hij in tv-programma De wereld draait door van dinsdag 2 februari 2010 het eerste gespreksonderwerp aankondigt. Bij hem aan tafel zit pvda-Kamerlid Diederik Samsom, die vindt dat de baas van het VN-klimaatpanel moet aftreden ‘om het vertrouwen terug te winnen’. Dat vertrouwen was verdwenen nadat eind 2009 e-mails van klimaatwetenschappers op straat kwamen te liggen waarin met dedain werd gesproken over dissidente stemmen. Pseudosceptici vonden daarin bewijs voor hun lang gekoesterde vermoedens: het klimaatpanel was een vooringenomen kliek die geen afwijkende meningen duldde. Toen kort daarna de ‘onthulling’ kwam dat er in de bronnenlijst van ipcc-rapporten een interview met bergbeklimmers en een scriptie van een aardrijkskundestudent waren opgenomen, lag de reputatie van het wetenschapspanel aan diggelen. ‘Climategate’ werd een begrip.

Tafelheer Jan Mulder was niet onder de indruk van Samsoms poging de klimaatwetenschap te verdedigen. ‘Het vertrouwen herstellen? Onmogelijk! Wie zegt dat het niet allemaal bedrog is?’ Helma Neppérus, milieuwoordvoerder namens de vvd-fractie, deelde die argwaan en wilde ‘het hele apparaat’ doorlichten. ‘Moeten we ons wel zorgen maken over het klimaat?’ vroeg Van Nieuwkerk. ‘Dat weet ik nog net niet’, antwoordde Neppérus.

‘De media hadden niet de capaciteit en de kunde om de zin van de onzin te scheiden’, zegt Jan Paul van Soest. De milieukundige ergerde zich mateloos aan de verslaggeving over climategate. Dit was een gerichte hack, bedoeld om de klimaatwetenschap in een kwaad daglicht te stellen en de consensus aan het wankelen te brengen. Dat lukte aardig, mede dankzij media-ophef. Want hoewel meerdere onafhankelijke onderzoeken later concludeerden dat climategate vooral een hoop ruis was, werd die rectificatie minder breed uitgemeten dan het aanvankelijke ‘relletje’. ‘Veel media namen gewoon over dat er iets van een schandaal zou zijn’, zegt Van Soest. ‘Het ging om de controverse, niet om waarheidsvinding.’

Op de klimaattop van Kopenhagen, die nagenoeg samenviel met climategate, stond de opwarming van de aarde niet ter discussie. ‘Daar was iedereen bezig met het vinden van oplossingen’, zegt Paul Luttikhuis. Voor de buitenlandredacteur van de NRC was het zijn eerste grote klimaatconferentie. Op de website van de NRC was hij begonnen met een ‘klimaatblog’, waarop hij nieuws en updates plaatste die hij niet kwijt kon in de krant. Doordat hij goed was ingevoerd kon hij climategate op waarde schatten. ‘Het was een verzameling van uit hun verband gerukte e-mails’, zegt Luttikhuis. ‘Er was geen reden om te twijfelen aan de wetenschappelijke integriteit van het ipcc. Maar zo werd het wel geframed. Het was het hoogtepunt voor de klimaatsceptici.’

Tussen 2009 en 2012 kende het aandeel van ‘pseudosceptische deskundigen’ inderdaad een opleving, zo blijkt uit onze analyse van de krantendata. In 2012 werden zij zelfs in meer artikelen genoemd dan klimaatwetenschappers. De term ‘pseudosceptici’ ontlenen we aan klimaatwetenschapper Bart Verheggen. Verheggen voegde ‘pseudo’ toe omdat hij vond dat wetenschap in de kern al georganiseerde scepsis is. ‘Deze mensen wijzen juist wetenschap af waardoor je ze niet met recht gewoon sceptisch kunt noemen.’

Tot climategate keek Jan Paul van Soest nog met optimisme naar het klimaatdebat: ‘Ik geloofde dat feiten zouden aansporen tot handelen.’ Maar er was een invloedrijk groepje dat liever de feiten ontkende. ‘Ik vond dat fascinerend’, zegt Van Soest. ‘Waarom hielden deze mensen, ondanks alle tegenbewijzen, zo stellig vast aan hun standpunt?’

Een deel van de verklaring is psychologisch, beschrijft hij in zijn boek De twijfelbrigade (2014). Het is geen toeval dat veel pseudosceptici argwaan koesteren tegen een grote overheid en heilig geloven in marktwerking. Voor hen is het makkelijker om de wetenschap af te wijzen dan hun politieke overtuigingen aan te passen. Een ander deel van de verklaring is de invloed van de vervuilende industrie. Fossiele lobbyisten, vooral in de Verenigde Staten, zetten denktanks op die quasi-wetenschappelijke studies produceren en schakelen pr-bureaus in om desinformatie te verspreiden. Nederlandse leden van de twijfelbrigade borduren daar dankbaar op voort, al zul je hen niet snel terugvinden op de loonlijst van oliebedrijven, zegt Van Soest. ‘Hier is het toch vooral liefdewerk oud papier.’

Kort na het verschijnen van De twijfelbrigade organiseerde Paul Luttikhuis op zijn NRC-klimaatblog een ‘dialoog’ tussen Van Soest en Hans Labohm, een econoom en zelfverklaard tegenstander van de ‘broeikashypothese’. Zou het deze twee tegenpolen lukken om common ground te vinden? ‘Ik vond het goed om het gesprek te blijven zoeken’, zegt Van Soest. ‘Maar inhoudelijk kwamen we niet verder.’ Luttikhuis vond het een leuk, zij het niet geheel geslaagd experiment. ‘Helaas ontaardde de dialoog in geruzie.’

In de vele reacties onder de blogs klonk ook kritiek op de aanpak: met deze ‘dialoog’ trapte Luttikhuis in de val van pseudosceptici. Zij zouden namelijk niet te goeder trouw discussiëren, maar bewust met desinformatie strooien om het klimaatbeleid te frustreren. ‘Ik zou het nu niet meer doen’, zegt Luttikhuis. ‘Maar destijds vond ik het wel zinvol. Het heeft me veel geleerd over de denkwijze van sceptici.’ Ook Van Soest zou het de volgende keer anders aanpakken: ‘In plaats van inhoudelijk de confrontatie te zoeken, zou ik meer op zoek gaan naar hun achterliggende zorgen en drijfveren.’

De actieve twijfelbrigadiers vormen een klein clubje. In onze database vonden we slechts 33 pseudosceptische deskundigen die minstens vijf keer voorkwamen in krantenartikelen over klimaatverandering. Afgezet tegen de 371 verschillende wetenschappers, onder wie 81 klimatologen of meteorologen, lijkt dat een marginale factor. Was de klimaatberichtgeving dus keurig gebalanceerd?

Op het eerste oog lijkt het aandeel van de pseudosceptici klein. In sommige jaren kwamen zij in drie procent van de klimaatstukken voor, in andere jaren in zes procent. De scheve balans wordt pas zichtbaar als we vergelijken hoe vaak klimaatwetenschappers en meteorologen (die het veranderende klimaat onderzoeken) aan het woord waren en hoe vaak pseudosceptici (die klimaatverandering ontkennen of bagatelliseren). Tegenover de 122 vermeldingen van klimaatwetenschappers in 2019 stonden bijvoorbeeld 58 pseudosceptische deskundigen. Die trend is al twintig jaar redelijk stabiel: tegenover elke twee klimaatwetenschappers, stond gemiddeld ook één pseudoscepticus. Ter vergelijking: in wetenschappelijke publicaties over het klimaat is die verhouding minstens dertig op één.

Belangrijke kanttekeningen zijn dat ook wetenschappers uit andere disciplines de klimaatconsensus onderschrijven en dat niet elk krantenartikel waarin een pseudoscepticus werd genoemd, een doorgeefluik is van hun denkbeelden. Soms ging het juist om factchecks waarin hun argumenten werden ontkracht, al zijn ook die kritische stukken een indicatie van hun aandeel in het debat. Bovendien waren de redacteuren van de opiniekaternen vaak minder kritisch.

‘Journalisten zijn zo benauwd om als gekleurd te boek te staan, dat ze bijna neurotisch op zoek zijn naar controversiële meningen’, zegt Jan Paul van Soest. Vooral bij de opinieredacties vonden klimaatquerulanten daardoor gehoor, tot frustratie van de klimaatverslaggevers. ‘Toen ik in 2010 kwam werken bij de Volkskrant stond opinie echt los van de verslaggeverij’, zegt wetenschapsredacteur Maarten Keulemans. ‘Dan sloeg ik met trillende handen de krant open om te zien of het allemaal goed was gegaan. Ik vond: op de opiniepagina moeten zaken staan die kloppen, we geven ook geen ruimte aan een holocaustontkenner. Zij vonden: het debat moet open zijn. Daar hebben we flink wat veldslagen over gevoerd.’ Inmiddels gaan alle stukken over klimaat of corona eerst langs de wetenschapsredactie. Maar het blijft lastig, zegt Keulemans: ‘Je moet oppassen dat je niet gaat censureren.’

DWDD-tafelheer Jan Mulder was niet onder de indruk van Diederik Samsoms poging de klimaat­wetenschap te verdedigen. ‘Het vertrouwen herstellen? Onmogelijk! Wie zegt dat het niet allemaal bedrog is?’

Bij NRC Handelsblad was deze ‘controle’ door de wetenschapsredactie al langer gangbare praktijk, vertelt Maarten Huygen, die tussen 2008 en 2015 chef opinie was bij de krant. ‘Een artikel van Leon de Winter die allerlei dubieuze klimaatsceptische claims maakte, liet ik dan redigeren door een wetenschapsredacteur.’ Al voegt Huygen direct toe dat de marges op de opiniepagina’s ruimer waren dan in het wetenschapskatern: ‘Zelf heb ik altijd geloofd in klimaatopwarming, maar als opiniechef vond ik dat we een brede discussie moesten hebben.’ Dus voelde hij zich niet geroepen om in te grijpen wanneer pvv-Kamerlid Martin Bosma in zijn opiniestukken van leer trok tegen ‘de klimaatreligie’. ‘Het was duidelijk een column vol populistische wijsheden, zonder wetenschappelijke pretentie. Dat begrijpen onze lezers wel.’

Het ingewikkelde is dat de twijfelzaaiers hun strategieën aanpasten, zegt klimaatwetenschapper Bart Verheggen. Dat zien we ook in een inventarisatie van de krantenartikelen waarin pseudosceptici opduiken: tot grofweg 2009 was er sprake van ‘platte’ ontkenning, later werden hun tegenwerpingen geraffineerder. ‘Pseudosceptici stellen niet langer de vraag: warmt het nu op en ligt het aan de mens?, maar hebben het over: zijn de gevolgen wel zo erg en is het medicijn niet erger dan de kwaal?’, zegt Verheggen. ‘Het is vaak een manier om klimaatverandering te bagatelliseren en beleid te ondergraven.’

De bekendste exponent van die nieuwe stroming was Bjørn Lomborg. De auteur van omstreden boeken als The Skeptical Environmentalist en Cool It is veruit de meest genoemde ‘twijfelaar’ in onze dataset. Lomborg betwistte het broeikaseffect niet, maar vond wel dat er grotere problemen in de wereld zijn. Hij ageerde tegen doemdenken van de milieubeweging en gebruikte statistieken om aan te tonen dat het in veel opzichten juist beter zou gaan met de wereld. Met die houding belichaamde hij een nieuw type scepticus.

Of zoals Jeroen Trommelen het verwoordde toen hij Lomborg profileerde voor de Volkskrant: ‘Het verfrissende van de Deense statisticus is dat hij geen deel uitmaakt van de verbitterde, rechtse-oudemannenbrigade.’ Trommelen begrijpt dat klimaatwetenschappers jeuk krijgen van Lomborgs retoriek, maar een pseudoscepticus zou hij hem niet willen noemen. ‘Hij ontkende de feiten over klimaatverandering niet, maar vond dat de milieubeweging quasi-religieuze trekjes aannam. Dat vond ik wel een interessante kritiek. Zelfs als hij flirt met klimaatscepsis is dat geen reden om zo’n geluid ongehoord voorbij te laten gaan.’

Tussen 2009 en 2011 was Lomborg ook regelmatig te vinden op de opiniepagina’s van NRC Handelsblad. ‘Hij bood een welkom tegengeluid in een krant die voor de rest vooral uitdroeg dat klimaatverandering een zeer ernstig probleem was’, zegt toenmalig opiniechef Huygen. ‘Lomborg ontkende niet dat de mens verantwoordelijk was voor de opwarming van de aarde, maar hij vroeg wel: moeten we geen andere prioriteiten stellen?’

Hoewel Lomborg er zelf ongetwijfeld bezwaar tegen zou maken, scharen wij hem in dit onderzoek onder de pseudosceptische deskundigen. Kritische wetenschappers die zijn referenties uitplozen ontdekten dat hij bronnen selectief en misleidend citeerde om het te laten aansluiten bij zijn eigen betoog. ‘Lomborg zegt wel dat hij de ipcc-rapporten accepteert, maar hij bagatelliseert hun conclusies wel degelijk’, zegt klimatoloog Verheggen. ‘Wetenschappelijk gezien snijdt hij, op z’n zachtst gezegd, regelmatig bochten af.’ Dat maakt hem effectiever dan de pseudosceptici van de ‘oude’ school, constateert Verheggen. ‘Op het eerste gezicht is hij geloofwaardig, zeker in vergelijking met mafklappers die simpelweg ontkennen dat de aarde opwarmt. Media hebben het gevoel: als we hem aan het woord laten hebben we een lekker kritisch geluid.’

Het klimaat in De Groene

Het eerste Nederlandse artikel over klimaatverandering mag in het Groene-archief liggen, dat betekent niet dat het oudste weekblad van Nederland een koploper was in klimaatverslaggeving. Sterker nog: tot 2005 werd er nauwelijks geschreven over de opwarming van de aarde. De klimaatfilm van Al Gore werd weggezet als een ‘puriteinse preek’ en in datzelfde artikel werd terloops de ‘veronderstelde “consensus”’ betwist. Vanaf 2015 nam het aantal klimaatartikelen in De Groene een vlucht. Een paar maanden voor de klimaattop in Parijs verscheen een dubbeldikke special over ‘de problemen van de toekomst’ met veel aandacht voor de klimaatcrisis. Al stond in dat nummer ook een interview met ‘energiefilosoof’ Alex Epstein, die de loftrompet steekt over fossiele brandstoffen en de ernst van klimaatverandering in twijfel trekt. In 2019 sloot De Groene zich aan bij de internationale media-actie Covering Climate Now. ‘Journalistiek gaat over waarheidsvinding en de waarheid ligt wat de klimaatcrisis betreft niet in het midden’, schreef de hoofdredactie toen in een toelichting.

Het is alweer ruim zes jaar geleden dat de naam van Lomborg voor het laatst viel in een NRC-artikel over het klimaat. Het klimaatdebat is de afgelopen jaren veranderd, zeggen de journalisten en wetenschappers die wij spraken. Het gaat minder over oorzaken en meer over gevolgen, blijkt ook uit ons onderzoek. De klimatologen en meteorologen zijn ingehaald door sociale en geesteswetenschappers zoals politicologen, filosofen, bestuurskundigen en juristen, die spreken over impact op de samenleving. Ook klinken steeds luider biologen en ecologen die het, anders dan klimaatwetenschappers, hebben over wat er precies verloren gaat wanneer ingrijpen uitblijft. Pseudosceptici krijgen amper nog een podium. ‘Hun tijd is voorbij’, zegt NRC-journalist Paul Luttikhuis.

Er is één uitzondering: De Telegraaf. De grootste krant van Nederland lijkt sinds 2018 een toevluchtsoord te zijn geworden voor pseudosceptische deskundigen. Klimaatredacteur Edwin Timmer wil enkel schriftelijk reageren en vindt ons onderzoek ‘sterk bevooroordeeld’: ‘Het feit dat De Groene Amsterdammer de suggestieve term “pseudoscepticus” van UvA-onderzoeker Bart Verheggen overneemt, bemoeilijkt een open blik’, e-mailt hij. Timmer wijst erop dat iemand als Lomborg meer wetenschappelijke citaties heeft dan Verheggen. ‘De studie lijkt verder mank te gaan als alleen personen die kritisch zijn over klimaatalarmisme als “pseudosceptisch” worden aangeduid. De andere kant uitslaan, dus ongefundeerde doemverhalen verkondigen, mag wel?’ Verdere toelichting over de journalistieke afwegingen wil De Telegraaf niet geven.

Op de meeste krantenredacties is klimaatverandering inmiddels stevig verankerd. Waar begin deze eeuw jaarlijks driehonderd stukken over ‘klimaatverandering’ werden geschreven in de door ons onderzochte kranten, waren dat er vlak voor de corona-uitbraak meer dan tweeduizend. ‘Sinds een paar jaar staan er steeds vaker mensen aan mijn bureau die vragen: hoe zit het nu precies?’, zegt Paul Luttikhuis. Zijn blog op een hoekje van de site is uitgegroeid tot een ‘online podium’ waar vooral klimaatwetenschappers aan het woord komen. Ook is er een klimaatnieuwsbrief en vergadert een groep redacteuren geregeld met elkaar over het thema. ‘Daar lobby ik al tien jaar voor’, zegt Luttikhuis. Een aparte klimaatredactie ziet hij niet zitten. ‘Dan loop je het risico dat het een hoekje in de krant wordt. Verdwijnt het dan van de binnenlandredactie of gaan de economieredacteuren hier dan minder over nadenken? Uiteindelijk moet het in het denken van iedereen zitten.’

Het Algemeen Dagblad drukte vlak voor de jaarwisseling een klimaatspecial af en sprak via de voorpagina in 2019 de klimaatspijbelaars bemoedigend toe. ‘Toen ik net bij het AD begon hing het er een beetje bij’, zegt redacteur Annemieke van Dongen. ‘Maar sinds de nieuwe hoofdredactie is het een speerpunt van de krant geworden.’ Ruimte voor extra klimaatverslaggevers was er niet, maar Van Dongen kreeg meer tijd om over het klimaat te schrijven. Al komt ze daar sinds de coronacrisis nauwelijks meer aan toe. Wanneer haar krant over het klimaat schrijft, gaat dat vaak niet ‘over elk klein nieuw feit in de wetenschap, maar leggen we vooral uit wat het voor de lezer betekent’, zegt Van Dongen. ‘Wij doen verslag van windmolens, veranderende landschappen en groene maar duurdere energierekeningen, dan hoeft niet eens het woord “klimaatverandering” te vallen.’

Kan de journalistiek dan nu zelfgenoegzaam achterover leunen? Protestbeweging Extinction Rebellion vindt van niet. Naast het bezetten van verkeerswegen en andere demonstraties richtten zij eind vorig jaar XR Nieuwsmedia op, een ‘waakhond’ die begint te blaffen als de activisten vinden dat journalisten niet ‘eerlijk’ genoeg schrijven over deze crisis. Dat woord ‘eerlijk’ valt vaak. Want, zo vinden zij, journalisten die zien dat de planeet verandert kunnen niet anders dan stelling nemen. ‘Daar wringt voor ons de schoen’, zegt wetenschapsfilosoof Chris Julien, mede-initiatiefnemer van XR Nieuwsmedia. ‘Als een journalist zegt: ik neem geen stelling, dan ga je voorbij aan de existentiële zaak. Dit gaat over leven en dood. Klimaatsystemen slaan op hol en als dat doorzet is er geen leefbare planeet meer over. Maar die urgentie dringt niet door.’

‘Daar ben ik het tótaal niet mee eens’, zegt Volkskrant-wetenschapsjournalist Maarten Keulemans. ‘Het is goed dat er meer aandacht is gekomen voor het klimaat, maar het frame is doorgeschoten. Alles staat nu in het teken van klimaatverandering, terwijl je je best kunt afvragen of dat nu het allergrootste probleem van deze tijd is. Overbevolking, overconsumptie en ongelijkheid zijn net zo erg.’ Hij ziet te vaak dat een ‘links verhaal over ijsberen redden’ grote groepen afschrikt. Vlak voordat Keulemans zich volledig stortte op berichtgeving over de coronacrisis, schreef hij een artikel waarin hij liet zien dat de minst waarschijnlijke rampscenario’s onevenredig veel aandacht krijgen. ‘Ik word heel benauwd van het conservatieve idee dat er niets mag veranderen. Dat de ijsbeer koste wat het kost moet blijven bestaan, dat de zeespiegel geen millimeter mag stijgen. Terwijl de geschiedenis leert dat we heus wel een oplossing vinden als dat gebeurt.’

Keulemans vindt dat wetenschap en feiten moeten prevaleren, maar ook dat je moet kunnen spreken met sceptici. ‘Je kunt niet uitsluiten dat iemand met een heel marginale positie in het debat toch iets zinnigs te zeggen heeft.’ Zo interviewde hij in 2017 uitgebreid Salomon Kroonenberg. De voormalige hoogleraar aan de TU Delft ontkende ooit de invloed van de mens op de klimaatopwarming, maar is rond 2007 verschoven naar een positie waarin hij vindt dat die rol wordt overschat. ‘Een sympathieke en zeer aimabele man die ervoor heeft doorgeleerd’, zegt Keulemans. ‘Als hij een fantastisch boek schrijft waarin staat dat de zeespiegel niet stijgt, dan sta ik wel bij hem op de stoep.’ Keulemans bevraagt hem kritisch en besluit na afloop te bellen met andere wetenschappers die hem uitleggen dat Kroonenberg slechts de halve waarheid vertelt. ‘Die kritiek heb ik in een kader naast het interview verwerkt.’ Het interview niet publiceren vindt Keulemans geen optie en het verwijt van false balance noemt hij een flauw trucje dat te snel van stal wordt gehaald om kritische stemmen de mond te snoeren. ‘Je moet het debat niet kapotcensureren. Laat hem zijn verhaal doen en als het niet klopt mag hij ook op zijn bek gaan.’

Volgens protestbeweging Extinction Rebellion is die positie onhoudbaar. Chris Julien van XR Nieuwsmedia vindt dat de klassieke journalistieke waarden aan herziening toe zijn. ‘Als journalist kun je je verschuilen achter prachtige ethische principes die de kwaliteit zouden moeten waarborgen, maar een neutrale positie is geen juiste als er miljoenen mensen en andere dieren sterven. Media zouden dat constant moeten agenderen.’ Een mede-activist van Julien houdt voor de webcam dagblad Trouw omhoog en wijst op een klein, felrood coronadeeltje dat op elke krantenpagina terugkomt. ‘Zij herinneren de lezer er constant aan dat er een pandemie gaande is. Ze houden die crisis letterlijk in beeld. Op die manier zou ook klimaat moeten worden beschreven.’

In Groot-Brittannië is er een krant die dat doet: The Guardian. Het progressieve dagblad heeft zijn taalgebruik aangepast en schrijft niet langer over klimaatverandering (‘te neutraal’) maar over klimaatontwrichting. ‘Global warming’ werd vervangen door ‘global heating’. Ook sloeg de krant de handen ineen met een klimaatorganisatie, om het thema in de krant en daarmee op de agenda te houden.

Daar moeten Nederlandse journalisten niets van weten. ‘In Engeland hebben ze een traditie in actiejournalistiek, maar als je dit hier zou doen word je eigenlijk een Telegraafje’, zegt Volkskrant-journalist Keulemans. Zijn collega Annemieke van Dongen bij het AD is het daarmee eens. ‘Ik ben blij dat wij dat niet doen. Wij schrijven veel en genuanceerd over klimaatverandering, maar als je zegt “wij gaan actievoeren” laat je een aantal journalistieke principes los. Dan dreig je een dogmatische insteek te krijgen.’

Jeroen Trommelen probeerde vijftien jaar geleden zijn Volkskrant-hoofdredactie nog te overtuigen van een uitgesproken groene koers, en moest met lede ogen aanzien hoe de concurrenten van dagblad Trouw dat wel deden. ‘Een journalistiek besluit nemen om er meer over te schrijven lijkt mij een goed idee, maar The Guardian gaat een stapje verder’, zegt Trommelen. ‘Ze gaan een coalitie aan met actievoerders en dat vind ik strategisch dom. Lezers kunnen zich dan afvragen: wie is er eigenlijk aan het woord?’

Terugblikkend op twintig jaar klimaatverslaggeving klinkt zelfkritiek. ‘Ik denk dat we het onderwerp eerder hadden moeten agenderen’, zegt AD-journalist Van Dongen. ‘Kranten hebben die functie.’ Iedereen die in de media werkt weet dat ook radio- en televisieredacties de dag beginnen met het openslaan van dagbladen. Keulemans: ‘Ik denk dat we het onderwerp eerder nog veel serieuzer hadden moeten nemen.’

Al kijken zij ook naar de wetenschappers die te lang aarzelend dit ‘grote verhaal’ met te veel twijfel hebben gepresenteerd. ‘Ze hadden iets meer gewone mensentaal mogen gebruiken voor dit heel ingewikkelde onderwerp’, zegt Luttikhuis. ‘Natuurlijk spreken wetenschappers altijd over twijfels en onzekerheden. Maar ze moeten ook begrijpen dat “onzekerheid” in de wetenschap iets heel anders betekent dan in de gewone wereld.’

Tegelijkertijd leert de actualiteit dat zodra een andere crisis de kop opsteekt, zoals een pandemie, een onderwerp als klimaat meteen uit zicht wordt gedrukt. Daar hebben de journalisten die wij spreken stuk voor stuk last van. Vooral Maarten Keulemans zucht diep. Na een jaar van onvermoeibaar verslag doen over corona staart hij naar ons grafiekje dat laat zien hoe de aandacht voor het klimaat is weggevaagd. ‘Ik zou het geen afgang willen noemen’, zegt hij aarzelend. ‘Maar dit verdient geen schoonheidsprijs. Wij als journalisten willen boven de materie staan, de grote lijnen zien. Het is begrijpelijk dat dit is gebeurd, maar het geeft mij wel een ongemakkelijk gevoel: nu is het net alsof er een jaar niets is gebeurd met het klimaat en dat is absoluut niet waar.’


Met research-assistentie van Gizelle Mijnlieff en Ilja Scheifes.