Vijftien jaar graven onder de Noord/Zuidlijn

‘We hebben alle smurrie nagelopen’

Nooit eerder konden archeologen zo diep de Amsterdamse grond in als tijdens de aanleg van de Noord/Zuidlijn. Langs flippo’s, brillen en cassettebandjes groeven archeoloog Jerzy Gawronski en zijn team zich een weg tot voorbij het Pleistoceen.

Jerzy Gawronski - hoofd archeologische dienst van de gemeente Amsterdam © Mounir Samuel

Alle publieke en politieke perikelen rond de Amsterdamse Noord/Zuidlijn ten spijt, hoogleraar Jerzy Gawronski, hoofd archeologische dienst van de gemeente Amsterdam, is maar wat blij met de nieuwste metrolijn. In de archeologiewerkplaats op het Marine-terrein staan overal bakken en tafels met tegels, scheepsonderdelen zoals bootshaken, scherven aardewerk en porselein, beenderen, dolken en pijlpunten (waaronder een heel nieuw model dat nog nooit eerder was gevonden: de ‘Amsterdam Arrowhead’). Daarnaast ook knikkers, flippo’s en mobieltjes en talloze niet te herkennen voorwerpen. Verwacht in de krappe kamers geen dure apparatuur, maar een frituurpan vol lijnolie en accubakken waarin voorwerpen ter reiniging onder geleide stroom worden gezet.

Het team van Gawronski is opmerkelijk samengesteld. Wetenschappers zitten erin, maar ook oud-metaalbewerkers, werkloze havenarbeiders en amateur-archeologen. ‘Ik werd gevraagd acht weken met een metaaldetector rond te lopen, ondertussen werk ik hier al twaalf jaar’, zegt een van de medewerkers. ‘Ze zijn vergeten je naar huis te sturen’, grapt een collega, die zelf voor tien weken was aangenomen maar ondertussen ook ruim tien jaar verder is.

Gawronski maakt onderscheid tussen generalisten en experts die bijvoorbeeld alles weten over vingerhoedjes of Japans porselein. In totaal bestond zijn team uit tien tot vijftien experts: archeologen, conservators en data-analisten die zich bezighielden met de geografische informatieve systemen om alle vindplekken voor de toekomst vast te leggen.

Zes miljoen euro kreeg het archeologisch team voor het totale project dat in 2003 officieel van start ging en tot de dag van vandaag voortduurt. ‘In eerste instantie begonnen we met het klassieke systeem van uitbesteden’, zegt Gawronski. ‘Toen de eerste facturen binnenkwamen, wist ik dat we het op die manier nooit zouden redden. Dus besloten we alles in eigen beheer te doen.’

Tijdens het boorproces heerste er een bijna militaire discipline. ‘We hadden weinig tijd, want we moesten mee op het ritme van de bouw van de Noord/Zuidlijn. Ik moest dan opeens een team optrommelen van zo’n vijftig man dat twee maanden non-stop doorging’, zegt de stadsarcheoloog. ‘We maakten dagen van zeven uur ’s ochtends tot twaalf uur ’s nachts in de bouwput, terwijl tegelijkertijd een tweede team met metaaldetectoren overdag op de grondstortplaats verder zocht.’ De kosten van de aanleg van de hele Noord/Zuidlijn liepen uiteindelijk op van 1,3 naar drie miljard euro. Het opgraafteam bleef echter binnen de afgesproken zes miljoen. Dat was mede mogelijk door een groot aantal vaste vrijwilligers en honderd al dan niet betaalde freelance ‘experts’ uit binnen- en buitenland, die vooral een rol speelden bij de duiding van de vondsten. En die waren er in overvloed.

De bouw van de omstreden metrolijn leverde in totaal 697.235 archeologische vondsten op. Een klein deel daarvan is te zien in het metrostation op het Rokin, waar ruim 9500 voorwerpen zijn uitgestald op panelen, ontworpen door de archeologen samen met het Frans-Britse kunstenaarsduo Grégory Gicquel en Daniel Dewar.

‘De stad is anders, maar de functies van onze dagelijkse gebruiksvoorwerpen zijn opvallend vaak hetzelfde’

Op de website Below the Surface staan daarnaast twintigduizend gevonden voorwerpen afgebeeld, van flippo’s uit 2005 tot schelpen van 120.000 jaar voor Christus die op jaar van herkomst, vorm en functie worden gepresenteerd. De site breidt constant uit omdat iedere bezoeker zijn eigen kunstwerk met de vondsten kan creëren. In de eerste weken maakten al 1783 bezoekers van over de hele wereld hun eigen creatie. ‘Feitelijk kunnen mensen hun eigen geschiedenis schrijven met de vondsten van de stad’, zegt Gawronski over het virtuele kunstproject. Zijn telefoon staat roodgloeiend. Van Amerikaanse media tot Chinese kranten, iedereen wil iets met dit project waarmee de stad de vondsten aan haar burgers teruggeeft. De Lonely Planet heeft metrostation Rokin als nieuwe bezichtiging opgenomen. ‘You might find yourself riding up and down the escalators a few times to enjoy this “free museum” and ponder who all those items belonged to and what became of them.’

Gawronski en zijn team selecteerden vijftienduizend voorwerpen en lieten die fotograferen door Harold Strak. De beeldatlas Spul die zo ontstond, vormgegeven door Willem van Zoetendaal, vertelt de geschiedenis van de stad en haar inwoners. Uniek aan het boek: de voorwerpen worden niet op materiaalsoort gegroepeerd, zoals in de archeologie gebruikelijk is, maar op vorm en functie. In één oogopslag zie je het verloop van de menselijke ontwikkeling. Van Arabische munten tot een verloren Visa-kaart, van benen fluit tot verdronken scherf, een grammofoonplaat en vermolmd cassettebandje, een schrijftablet van leisteen tot een al weer bijna prehistorisch ogend mobieltje.

‘De stad is anders, maar de functies van onze dagelijkse gebruiksvoorwerpen zijn opvallend vaak hetzelfde’, zegt Gawronski al bladerend door het boek. ‘Je ziet duidelijk de grote verandering in gebruikte materialen en productietechnieken. De mens is steeds verder van de natuur af komen te staan. Je ziet bij vrijwel alle hedendaagse voorwerpen gebruik van kunststoffen en plastics. Daarbij vervaardigen Amsterdammers nu nauwelijks nog iets met eigen hand.’

Bij een van de vitrines bij de ingang van de archeologiewerkplaats wijst Gawronski op een reeks schaaltjes. Het blijkt een verzameling gevonden fruittesjes. Zoals de plastic fruitbakjes van nu waren die er op de vroegere markt ook al, maar dan van aardewerk, inclusief gaatjes in de bodem voor de zuurstof. De archeologen kunnen door de vondsten ook beter achterhalen wat mensen precies aten en welke natuurlijke flora en fauna er in de regio voorkwam. ‘Vissen zouden tegenwoordig steeds kleiner worden, maar is dat echt een trend van deze tijd? Dat kunnen we achterhalen door oude visgraten en beenderen te onderzoeken.’

De Noord/Zuidlijn was een archeologische buitenkans. Al in de jaren negentig vonden de eerste verkenningen op papier plaats. Gawronski, die in 1998 bij de stadsdienst archeologie ging werken en in 2002 hoofd werd, besloot zich met zijn team op de vroegere rivierbedding van de Amstel te concentreren, zoals bij het Damrak.

Tijdens de bouw van de hogesnelheidslijn in Frankrijk kwamen er zoveel archeologische vondsten boven water dat in 1992 Europese richtlijnen werden opgesteld die archeologische verkenningen een vast onderdeel maken van ieder aankomend bouwproject, legt Gawronski uit. Het principe dat archeologie pas plaatsvindt nadat er iets gevonden is, is al lang verleden tijd. ‘We voorspellen. Sinds 2000 doen we in Amsterdam aan waardekaarten en is onze dienst inbegrepen in bestemmingsplannen. Daarbij is het idee dat de verstoorder betaalt. Wat onder de grond zit kan daar eeuwen blijven liggen – het bodemarchief heet dat – maar zodra de grond wordt opengehaald en er lucht bij komt treedt het verval in. Sterker nog, in het geval van bouwplaatsen treedt er destructie op, want wat er ligt moet weg. Daarom kijkt de gemeente bij elk bouwproject, of het nu een fietskeldertje of een groot flatgebouw betreft, of er mogelijk erfgoed in het geding is. Het gouden gezegde daarbij luidt: archeologie is geen verrassing meer. Niemand kan achteraf zeggen dat hij niet op oude resten in de bodem had gerekend.’

‘Wat onder de grond zit kan daar eeuwen blijven liggen maar zodra de grond wordt opengehaald treedt het verval in’

Nooit eerder konden archeologen zo diep de Amsterdamse grond in. Op twaalf meter diepte zit de boor al in tienduizend jaar oud zand van het Pleistoceen, de latere ijstijd. Dieper nog ligt de kleibodem van de vroegere Eemzee van 120.000 jaar geleden. De uiteindelijke boordiepte varieerde van twintig tot dertig meter onder de grond. Gemiddeld kwamen de archeologen tussen de tien en vijftien meter dieper dan de uiteinden van de funderingspalen die in de stad tot twaalf meter diep in de grond zitten. Maar om nou naar die ene mammoet te gaan zoeken die toevallig net op die plek het loodje zou hebben gelegd? Daar had Gawronski niet zo’n trek in en dus zocht hij de hogere boorregionen op.

Op stadskaarten en plattegronden toont hij de drie belangrijkste vindplaatsen: de locaties van de nieuwe metrostations op het Stationsplein/Damrak (400.000 vondsten), het Rokin (250.000 vondsten) en de Vijzelgracht (50.000) die in 1933 gedempt werd. Daarnaast werd ook de aarde die uit de tunnels kwam uitgeplozen. ‘Je gaat geen archeoloog voor een luchtsluis met zo’n boor zetten. Maar we hebben wel alle smurrie nagelopen die uit de boorschachten kwam.’ De niet tentoongestelde vondsten zitten in een depot onder metrostation Rokin. ‘De cirkel is rond. Daar waar we de voorwerpen hebben gevonden, hebben we ze ook weer in bewaring gelegd.’

it het boek Spul: Catalogus archeologische vondsten Noord-Zuidlijn Amsterdam van Jerzy Gawronski en Peter Kranendonk © Van Zoetendaal / De Harmonie uitgevers

Het speurwerk leverde veel nieuwe inzichten op over de historie van de stad. Zo begint de ontstaansgeschiedenis van Amsterdam – anders dan in de geschiedenisboeken altijd werd gesteld – niet met een verzameling boerderijtjes of een handvol vissers, maar werd de stad rond 1175 geboren als (internationale) handelsnederzetting. De eerste gebouwen hadden in de laatste decennia van de twaalfde eeuw nog te lijden gehad van overstromingen, maar vanaf 1225 vond er stabiele bewoning en vaste bebouwing plaats.

Overigens blijkt de rivier de Amstel waaraan de stad ontstond ouder dan werd aangenomen: die gaat terug tot een waterloop uit 3000 voor Christus. ‘De geschiedenis van de Amstel was veelal onbekend’, zegt Gawronski. ‘Er werd zelfs gespeculeerd dat hij grotendeels gegraven is. Dat heb ik nu allemaal kunnen weerleggen. De rivier was onderdeel van een getijdenstelsel dat bij Castricum de zee in ging. Uit dat Oer-IJ is later het IJ ontstaan. Zo rond 1000 voor Christus werd het brakke water van de Amstel zoet.’

De eerste bewoning van het gebied dateert uit de jonge steentijd, zo’n 2500 jaar voor Christus, blijkt uit vondsten van onder meer aardewerk uit de klokbekertijd, enkele mensenbotten en andere prehistorische artefacten. ‘Maar de beperkte vondsten wijzen op zeer sporadische bewoning van geïsoleerde boerderijtjes. Absoluut geen voorganger van Amsterdam. Je hebt dus ook geen Telegraaf-koppen gezien dat er een Asterix en Obelix-dorpje is gevonden. Daar ben ik heel voorzichtig mee. Amsterdam is en blijft een jonge-hondenstad.’

Vooral interessant in deze tijd van klimaatverandering is de ontdekking dat Amsterdam een plotseling product is van een catastrofale storm die Nederland eens en voor altijd blijvend veranderde.

‘Vanaf 1000 na Christus begonnen mensen het natte veengebied van het Amstelland systematisch te ontginnen en slootjes te graven waarmee ook steeds meer permanente vestigingen ontstonden’, zegt Gawronski. ‘De Amstel was al wel de hoofdrivier, die belangrijker werd dan de Vecht, maar waterde nog niet goed af op het waterbekken van het Almere en de Waddenzee, waardoor het allemaal nog een erg drassig gedoe was. Door de vondsten kunnen we voor het eerst aantonen dat in dit gebied al bewoning was die een geïsoleerde economie vormde, zonder verbindingen, die sterk naar binnen was gekeerd.

Dit alles veranderde tussen 1170 en 1200. Tijdens een grote storm braken de veenbarrières bij Wieringen, boven in Nederland, waardoor er een open verbinding met de Noordzee tot stand kwam en plotsklaps het grote binnenwater van de Zuiderzee ontstond. Dat betekende dat de golfslag en de getijdewerking tot in het zuidelijk bekken voelbaar waren. Zo werd het IJ geboren. Het water begon op andere plaatsen te zakken, daar werd het droog en dus een stuk leefbaarder. Wam!’, roept Gawronski terwijl hij een maaibeweging in de lucht maakt. ‘Het veen spoelt weg, komt weer terug, spoelt nogmaals weg. Dit alles kan zich in een paar nachten hebben voltrokken. Binnen enkele weken was Nederland zoals we dat kenden volledig veranderd. Waar land was, kwam water en waar water was ontstond opeens land. Moet je bedenken wat dit over de impact van de huidige klimaatveranderingen zegt.’

De Amstel kreeg een open verbinding met het verre achterland en de rivier werd een monding die toegang bood naar de kersverse Zuiderzee. Handelaren uit Duitsland konden opeens doorvaren naar dit gebied en namen koopwaar mee, terwijl boeren uit de oude agrarische nederzettingen in de omgeving, zoals Diemen en Sloten, hun zonen en neven naar de oever van de Amstel stuurden om hier handel te drijven. Rond 1175-1200 ontstond de eerste vaste nederzetting. Die is nog een keer weggespoeld bij de laatste stormvloed van 1225. Toen werd het rustiger en begon men in Holland met de bouw van dijken, zoals de Diemer Zeedijk.

‘Voor landarcheologen is water vaak chaos, maar voor mij is het systematiek. Dus ik dacht: wat betekent die rivier?

‘Amsterdam was een nieuwe uitvinding in een volledig nieuw landschap’, vertelt Gawronski in de met tl-balken verlichte gang naar een overvolle kamer met wandkaarten. ‘De geologische kaart van Nederland is net aangepast met de nieuwe informatie die we uit de Noord/Zuidlijn hebben gehaald.’ Op de kaart is te zien hoe Nederland tijdens de ijstijd via een open vlakte in verbinding stond met het Verenigd Koninkrijk, hoe het water later oprukte en er een vreemde zeetong ontstond rond Zuid-Holland en Midden-Nederland, hoe later juist dat gebied droog kwam te liggen en de Zuiderzee ontstond, die ten slotte weer werd ingepolderd om land te ontginnen dat duizenden jaren eerder gewoon boven water lag. ‘Ik hoef als stadsarcheoloog niet te wedijveren over de oudheid van Amsterdam met stadsarcheologen in Nijmegen, Utrecht of Maastricht. Die steden bestonden al in de Romeinse tijd. Maar Amsterdam heeft een unieke ontstaansgeschiedenis.’

De vondsten vertellen ook over het dagelijks leven in de handelsstad. Neem preventief fouilleren ‘Niets nieuws, kijk eens naar wat we hebben gevonden’, zegt Gawronski terwijl hij naar een vitrine vol messen, speerpunten en klootdolken wijst. Een klootdolk is een scherpe priem van zo’n veertig centimeter lang met twee grote ballen aan het handvat. ‘Met deze priem kon je door elke bepantsering heen steken. Het was een zeer dodelijk wapen. Tot dusver hadden we er maar vier in onze collectie. Maar we hebben er nu tientallen gevonden. Je mocht er de stad niet mee in. De stadswachten die op de toegangswegen naar de stad patrouilleerden confisqueerden deze wapens en gooiden ze het water in.’ Pistolen vond het archeologisch team ook. ‘Die moesten we helaas inleveren bij de politie.’

De strijd tussen overheid en opstandige burgers is eeuwen oud. Zo waren er enkele eeuwen geleden ook al krakers. In de roerige zestiende eeuw werden de bouwvallen van het verlaten Kartuizerklooster op de hoek van de huidige Lindengracht door een stel ondernemers gekraakt. Ze begonnen er een biercafé waar je vanwege de afwezigheid van accijns een stuk goedkoper je pils kon pakken. ‘Maar er werd ook een aantal laat-middeleeuwse start-ups gevestigd in het pand’, zegt Gawronski. ‘Al snel ontstond daar een shanty town. Dus besloot de snel uitbreidende stad dit wetteloze gebied binnen de stadsgrenzen in te lijven. Zo werd de Jordaan geboren.’ Overigens bleef Amsterdam ook na de Reformatie een katholieke stad, blijkt uit de vondst van tientallen maria- en christusbeelden. Wat ook werd opgedoken: een boeddhabeeld en een islamitisch gebedssnoer.

Op een mooie winteravond zat Gawronski op een bankje en keek naar zijn geliefde Amstel. ‘Het was windstil. Een kraakheldere avond. De rivier had een spiegelglad oppervlak waardoor je alle gebouwen in het water weerspiegeld zag. Ik zag een vrouw letterlijk door het trappenhuis het water in verdwijnen. Toen dacht ik: zoals de stad wordt weerspiegeld in het water, zo weerspiegelen de vondsten in dat water de stad. Zo kwam ik op de werktitel “De Amstel, spiegel van de stad”.’

Het is deze unieke benadering van de stad die wellicht de grootste archeologische vondst van de Noord/Zuidlijn kan worden genoemd, meent Gawronski. Voor het eerst werd een rivierbedding als historische vindplaats gebruikt. Nu werd er door archeologen wel vaker naast een voormalige rivierbedding gegraven, maar het team van Gawronski is het eerste ter wereld dat de inhoud van een vroegere rivier systematisch kon onderzoeken en volledig als leidraad nam voor de stadsarcheologie.

‘Moderne archeologie heeft twee kanten: een ecologische, ook wel geologische kant en een cultureel-historische of maatschappelijke. Voor het eerst stonden we oog in oog met onze stadsrivier. We hebben honderd doorsnedes gemaakt op het Rokin en die hebben we in een digitale database gezet, in 3D. Zo konden we een reconstructie maken van de loop en ontwikkeling van onze stadsrivier.

Wij gebruikten de rivier als storyteller en spiegel van de stad. Voor landarcheologen is water vaak chaos, maar voor mij is het systematiek. Dus ik dacht: wat betekent die rivier? De ingenieurs zagen de oude rivierbedding als een fijne open ruimte, de enige open ruimte in de stad ook, waar ze zonder te veel schade aan de gebouwen aan te brengen de metrolijn konden aanleggen. Ik zag de rivierbedding daarentegen als reservoir. Of om in termen van bodemarchief te spreken: rivierarchief.

De rivier is de halsslagader van de stedelijke infrastructuur. Om dit water heen is de stad in haar prilste begin ontstaan en blijft zij zich tot de dag van vandaag ontwikkelen. Wat gebeurt er als mensen langs water wonen? Die gebruiken de aanwezige kanalen, slootjes en grachten om hun afval in te dumpen. Of je nu in Shanghai bent of in Mexico-City, je ziet dit mechanisme nog steeds. Maar het is ook een plek waar dingen per ongeluk in vallen, zoals de sieraden die we hebben gevonden of de stapels brillen. Of denk aan de vijftienduizend fietswrakken die ieder jaar uit de grachten worden gevist. Daarvan moeten we er eigenlijk ook een aantal in ons depot hebben. Want ook dat zegt in de toekomst iets over de geschiedenis van onze stad.’

Nog een voordeel: water discrimineert niet. Normaal graaft een archeoloog op een bouwterrein in een afgebakend tijdvak van een bepaalde bevolkingsgroep of klasse. ‘De rivier vertelt het verhaal van ons allemaal. Dit is een heel nieuwe manier van archeologie bedrijven.’

Gawronski was 25 jaar lang werkzaam als onderwaterarcheoloog, over de hele wereld dook hij naar scheepswrakken. Zijn passie voor water maakte dat hij in Amsterdam ging werken. ‘Het is de natste stad van Nederland.’ Hij strijkt met zijn hand over een kaart met een doorsnede van de Amstel, die uitgespreid op tafel ligt. ‘Ik sta in dienst van deze stad. Alles wat ik vind geef ik terug aan de stadsbewoners.’


De tentoonstelling Harold Strak & Willem van Zoetendaal / Amsterdams spul is t/m 2 september te zien in Huis Marseille; huismarseille.nl.


Spul: Catalogus archeologische vondsten Noord-Zuidlijn Amsterdam. Uitgeverij Van Zoetendaal / De Harmonie, € 79,50, 600 blz., 36,5 x 24,3 cm, gebonden linnen met buikband