Honderd jaar Opiumwet

‘We hebben de gezondste gebruikers ter wereld’

Een eeuw na de invoering van de Opiumwet is in Nederland sprake van een onbeheersbare illegale markt van verboden drugs alsmede een warrige discussie over veilig gebruik van toegestane middelen. Wat leert een eeuw lang drugsdebat ons?

cocaïne op een feest, 2007 © Bram Saeys / HH

‘Ze hebben het tegenwoordig over normalisering van drugs. Je kunt het beter “ver-volksing” noemen. Drugs zijn het genotmiddel geworden van Henk en Ingrid die naar de Toppers gaan, maar ook van de gothics. Er is niet meer slechts één scene.’ Drugsexpert August de Loor snapt niet dat mensen daar verbaasd of verbolgen over zijn. ‘Sinds de jaren zestig is de vrijetijdscultuur tachtig keer over de kop gegaan. Dan kun je op je klompen aanvoelen dat andere middelen dan alcohol zullen opkomen.’

We zitten aan een tafeltje bij het raam in zijn huis aan de rand van de Amsterdamse binnenstad. Langs de wand is een racefiets omhoog getakeld. Aan de muur een foto van wielrenners op een bergtop. In 2017 kreeg hij voor zijn belangrijke bijdrage aan het drugsbeleid een onderscheiding van de stad Amsterdam.

De Loor (harde stem, Amsterdams accent) frequenteerde eind jaren zestig de Amsterdamse clubhuizen waar de als ‘lastig’ beschouwde jeugd terechtkon. Toen die dichtgingen, ging hij met de jongeren mee de straat op. Zo werd hij de eerste straathoekwerker van Nederland. Omdat hij niet met één maar met twee benen in de jongerencultuur stond, maakte hij naar eigen zeggen ‘zo’n beetje elke drugstrend’ mee. Hij tekende ze op en leverde zijn notities in bij ehbo-posten zodat die wisten wat hun te wachten stond. ‘Ik liep er niet mee naar journalisten. Dan krijg je mediahypes en politieke verontwaardiging. Voor je het weet worden maatregelen genomen waar gebruikers niets aan hebben.’

Dit jaar is het een eeuw geleden dat de Opiumwet werd opgesteld, de wet waarin verboden drugs staan opgesomd in twee lijsten die met enige regelmaat worden uitgebreid. Hoe ging de overheid in die honderd jaar om met de gebruikers?

Tegenwoordig is de discussie over drugsgebruik weer helemaal terug. Relatief nieuwe middelen – afgezet tegen een geschiedenis van honderd jaar – als xtc, ketamine en ghb beheersen de krantenkoppen. Giftige afvalstoffen uit drugslabs worden in het milieu gedumpt. De cocaïnemaffia voert angstaanjagende liquidaties uit en regelrechte aanvallen op de rechtsstaat. Politiecommandanten en politici wijzen drugsgebruikers op hun verantwoordelijkheid: jullie hebben bloed aan je neus. Stop met gebruiken, en de problemen zijn voorbij!

Maar hoe realistisch is dat? Opium werd al gebruikt door de Egyptenaren. Ook cannabis was al millennia geleden in zwang, onder meer in het oude China. Blijkbaar heeft de mens, net zoals veel dieren, een hang naar psychoactieve stoffen. Opvallend is een tekst van Plato over de wenselijkheid van een wettelijk verbod op dronkenschap. Hij is daartegen. Als ‘onze burgers van jongs af onbekend blijven met de grootste genoegens’ kunnen ze niet ‘oefenen’ om te voorkomen dat ze ‘betrokken worden in enige schandelijke handeling’. Niet verbieden dus, maar mee leren omgaan, door trial-and-error.

Honderd jaar Opiumwet heeft niet gedaan wat de bedoeling was. De verkrijgbaarheid van ‘psychoactieve stoffen met een gezondheidsrisico’ is niet afgenomen. Integendeel: er is een onbeheersbare illegale markt ontstaan in zo’n beetje elk verboden middel dat een roes of juist een kick geeft. Toch is het de moeite waard om de lessen te distilleren uit een eeuw lang illegaal drugsgebruik.

Luister naar De Groene

In De Groene Amsterdammer Podcast interviewt Kees van den Bosch Joeri Boom over Honderd jaar Opiumwet. Waarom is openheid over drugsgebruik belangrijk en neemt de moralisering vanuit de politiek toe? De podcast is elke vrijdagochtend gratis beschikbaar via groene.nl/podcasts en via de bekende podcastkanalen

‘Ronduit fascinerend’, vindt criminoloog en drugsonderzoeker Ton Nabben de voorgeschiedenis van de eerste Opiumwet in 1919. Het begon namelijk met een Chinees-Amerikaanse samenwerking. ‘Een unicum in de geschiedenis. Voor het eerst, en waarschijnlijk voor het laatst, waren China en Amerika het volledig met elkaar eens’, zegt hij. ‘Dat kon natuurlijk maar over één ding gaan: drugsbestrijding.’

China en de VS kampten eind negentiende eeuw beide met een om zich heen grijpende opiumverslaving. Chinese spoorwegarbeiders introduceerden in Amerika rook-opium. Ook morfine en heroïne, beide gewonnen uit opium, deden er hun intrede, net zoals cocaïne, chemisch geraffineerd uit Zuid-Amerikaanse cocabladeren. Met de uitvinding van de injectienaald in 1853 kon het allemaal direct in de aders worden gespoten. Nabben: ‘Moet je je voorstellen: spuitende junks in donkere Amerikaanse kroegen. Toen al.’ Het was de eerste Amerikaanse drugsepidemie, een regelrechte bedreiging voor de goede zeden en de razendsnel groeiende industrie. ‘Stoned aan de lopende band staan, dat werkte niet.’

Dus sloegen China en de VS de handen ineen, met als resultaat het Opiumverdrag van 1912, het allereerste internationale drugsbestrijdingsverdrag dat ook ons verplichtte om in 1919 de Opiumwet op te stellen. Van Nederland hoefde het niet zo. De staat had grote belangen in de opium en we verdienden ook flink aan de productie van cocaïne. ‘We hadden een monopolie op de invoer van opium in Indië en dat bewaakten we goed’, zegt Gemma Blok, hoogleraar moderne geschiedenis aan de Open Universiteit. ‘We verbouwden ook coca, op Java, waar we zelf cocaïne van maakten. Daarin zijn we nog even de grootste producent ter wereld geweest.’

Het instellen van het staatsmonopolie op opium in Nederlands-Indië was in feite de eerste keer dat we een drugsmarkt reguleerden. De opium werd door ambtenaren in staatsopiumwinkels verkocht; smokkel werd fel bestreden, maar was een blijvend probleem. Een vergeten geschiedenis, zoals onder meer bleek uit alle politieke discussies over het reguleren van de aanlevering van cannabis aan coffeeshops, waarin werd gesteld dat Nederland met zoiets geen ervaring had.

Nederland als leverancier van harddrugs, puur om de winst. We denken er liever niet aan terug. Maar feit is, zegt Blok, dat we toen al leerden dat het loslaten ervan ervoor zorgde dat criminelen het overnamen. ‘En dan ben je dus de controle kwijt die je zo nodig hebt. Dat kun je gerust een ironie van de geschiedenis noemen.’

Een Chinese man in Rotterdam aan een opiumpijp, 1922 © Fotograaf onbekend / Nationaal Archief / Collectie Spaarnestad

Volgens Gemma Blok creëerdedeOpiumwet een onderscheid tussen ‘fatsoenlijke mensen’ die op medische basis, en dus legitiem, drugs gebruikten en ‘onfatsoenlijke mensen’ die ‘recreatief’ gebruikten, voor het fijne gevoel. De Opiumwet maakte een einde aan de vrije verkrijgbaarheid van opiaten en cocaïne. Alleen artsen mochten de middelen nog voorschrijven. Ze werden verstrekt door apotheken met een vergunning.

‘Het heroïneprobleem verdween niet door tegen de gebruikers op te treden, maar door het belabberde imago bij de volgende generatie’

Het is opvallend hoe weinig problemen de wet opleverde, zeker gezien het ‘genormaliseerde’ gebruik van opiaten indertijd. We gingen met opium om zoals Plato al propageerde, via trial- and-error. Opium werd op kleine schaal gewonnen uit papaverbollen (klaprozen) en opgelost in water of in vaste vorm gebruikt als pijnstiller en als geneesmiddel tegen longaandoeningen en hoestbuien, met name bij arme kinderen. Onder de opkomende middenklasse raakten vanaf eind negentiende eeuw morfine en cocaïne in zwang. De middelen waren vrij verkrijgbaar in allerlei drankjes en pillen, specialités genoemd. Laudanum, een mengsel van alcohol, kruiden en opium, was bekend en berucht. Morfine injecteerde men het liefst, wat zeer verslavend werkte. ‘Morfinisme’ en ‘cocaïnisme’ werden echter niet als probleem gezien, zolang ze maar niet leidden tot verloedering en verwaarlozing van werk en gezin.

Afgaande op de hoeveelheid opium die Nederland per jaar importeerde, moeten er ook na invoering van de Opiumwet veel meer drugsgebruikers zijn geweest dan degenen voor wie de medische stand receptjes uitschreef. Maar behalve een paar kleinschalige acties in de jaren dertig onder opium rokende Chinezen en cocaïne snuivende prostituees ondernamen politie en justitie geen actie. Dus konden illegale genotszoekers vrij eenvoudig aan hun middelen komen en veroorzaakten ze geen overlast. Iedereen was tevreden.

Dat veranderde na de Tweede Wereldoorlog, toen het recreatieve drugsgebruik in een hoge versnelling kwam. Jongeren raakten in de ban van een tegencultuur die zich afzette tegen de burgerlijkheid van hun hardwerkende ‘fatsoenlijke’ ouders. Wat de ouders onfatsoenlijk vonden, omarmden de jongeren juist. Cannabis, amfetamine (speed), lsd en rook-opium vormden hun wapens tegen de gezapigheid. Speed en lsd werden in de Opiumwet opgenomen, cannabis stond daar al vanaf 1928 in, maar de verboden richtten niets uit, de middelen bleven populair. Gemma Blok: ‘Mensen hadden de behoefte om zelf aan de knoppen te zitten. Ze hadden nu middelen in handen om hun stemming, gevoel en energielevels te sturen. Dat was voor veel mensen heel aantrekkelijk. Eerder konden we dat niet op zo’n grote schaal.’

festivalbezoekers van het Holland Popfestival Rotterdam in Kralingen, 1970 © Vincent Mentzel / De Beeldunie

In de jaren zeventig bleek dat Nederland het anders aanpakte dan veel andere landen. Bij ons werden alleen handel en bezit van drugs strafbaar gesteld, niet het gebruik. In 1976 nam de regering een revolutionair besluit: de Opiumwet werd onderverdeeld in twee lijsten. Op lijst 1 stonden vanaf nu de ‘harddrugs’: drugs met een ‘onaanvaardbaar risico’ voor de gezondheid en de openbare orde. Lijst 2 was voor de middelen met een ‘aanvaardbaar risico’. Op die lijst prijkte lange tijd slechts één middel: cannabis (later aangevuld met qat). Wel verboden, maar pas vervolgd bij het verhandelen en bezitten van flinke hoeveelheden. Het Openbaar Ministerie vaardigde daartoe richtlijnen uit. Dat opende de weg voor de coffeeshops. Het gedoogbeleid was geboren.

Volgens August de Loor wordt de scheiding in hard- en softdrugs ten onrechte gezien als iets nobels. ‘Zo progressief was het allemaal niet. De overheid wilde de handen vrij hebben om hard te kunnen optreden tegen het heroïnegebruik. Junkies opjagen. Ze arresteren om ze dan de keuze te geven: de bak in of gedwongen afkicken. Had allebei geen zin. Als ze weer buiten kwamen stond de dealer al te wachten.’

In 1972 zag De Loor hoe de heroïne toesloeg. Op het hoogtepunt van de heroïne-epidemie, in 1983, telde Nederland zo’n dertigduizend gebruikers, van wie achtduizend in Amsterdam. Om de paar dagen viel er wel een dode. Er waren veel Molukse en vooral ook Surinaamse gebruikers, jonge mannen die voorafgaand aan de Surinaamse onafhankelijkheid een beter bestaan zochten in Nederland. ‘Die jongens werden overal uitgekotst. Nou, dan is het niet zo gek dat je verslaafd raakt aan de roze wolk van de wegdroomdrug. Heroïne maakte het leven voor hen zachter.’

Samen met psp’er Johan Riemens richtte De Loor in 1977 de Medisch-sociale Dienst Heroïne Gebruikers (mdhg) op, een belangenvereniging voor gebruikers. ‘We gingen junkies niet opsluiten in gevangenissen of verre klinieken, maar in de stad zorg bieden waarin ze serieus werden genomen.’ Hij zorgde, lang vóór het uitbreken van aids, voor het opzetten van een spuitenruilsysteem (een gouden idee van een apotheker) waardoor de kans op allerlei infecties afnam. Het systeem redde levens en vond wereldwijd navolging.

Voor de deur van het MDHG-kantoor aan de kop van de Amsterdamse Weesperstraat is het rustig. Geen gehossel en gedoe. Binnen kun je een kop koffie krijgen en advies over omgang met de instanties. Je kunt er je mail checken op een van de pc’s, maar binnen mag niet worden gebruikt. ‘Als dat gebeurt krijgen we bezoek van de politie. We zijn al eens een pand uitgezet na een experiment met een huisdealer. Echt liberaal is het beleid nog steeds niet’, zegt Dennis Lahey, directeur van de belangenvereniging.

De mdhg-leden worden een dagje ouder. Nieuwe gebruikers komen er nauwelijks bij. Het is levensgevaarlijk, weet inmiddels zo’n beetje iedereen. Ervan afkomen is heel zwaar wegens de hevige fysieke afkickverschijnselen. Gebruik je horse dan ben je niet wijs, dan ben je een loser. De tv-beelden van de verwaarloosde heroïnegebruikers in winkelcentrum Hoog Catharijne in Utrecht en op de Amsterdamse Zeedijk deden in de jaren tachtig hun werk. Tieners koppelden ze moeiteloos aan de dramafilm over tienerjunkie Christiane F. en het lied Heroïne van Doe Maar. Heroïne, dat kon echt niet. Heroïne was een vloek. ‘Niet de praatjes van beleidsmakers geloven’, zei August de Loor bij zijn afscheid. ‘Het heroïneprobleem verdween niet door tegen de gebruikers op te treden, maar door het belabberde imago bij de volgende generatie.’ >

‘Nooit aan beginnen’, zegt Eva (58). We spreken elkaar in een zijkamertje in het mdhg-kantoor. Er staan groen beklede stoelen tegen de wand, er is een tafeltje met computer. Eva is Moluks. Je kunt aan haar zien dat ze een zwaar leven heeft gehad, maar ze oogt gezond en heeft twinkelende ogen. Noem haar geen junk, dat vindt ze een scheldwoord. Ze leeft allang niet meer op straat, maar heeft haar eigen huisje. Verslaafd zal ze altijd blijven, daar heeft ze zich bij neergelegd. ‘Ik gebruik al een hele tijd methadon, in een hoge dosis. Daardoor heb ik 24 uur geen last van onttrekkingsverschijnselen.’

Op de gang klinkt rumoer. Twee mannen hebben het met elkaar aan de stok. ‘Die hebben al een paar uurtjes niks meer genomen’, zegt Eva. ‘Dan word je prikkelbaar.’ Jaren geleden had ze de kans om opgenomen te worden in het behandelprogramma met medische heroïne. ‘Ik heb het niet gedaan. Het is synthetisch spul, veel zwaarder dan wat je op straat koopt. En ik hou niet van betutteling.’ Ze redt het zo ook wel, zegt ze, met haar methadon en af en toe een pufje gekookte cocaïne uit haar pijpje. ‘Ook daar niet aan beginnen, hoor’, zegt ze. Weer die serieuze blik en glimoogjes.

© Mark van der Zouw / De Beeldunie

Na de herziening van de Opiumwet in 1976 veranderde het Nederlandse drugsbeleid en kwam het te rusten op twee pijlers. Niet langer ging het alleen om het bestraffen van drugscriminaliteit, ook het beschermen van de volksgezondheid werd een doelstelling. Op het ministerie van Volksgezondheid werd als uitgangspunt gehanteerd dat drugs er nu eenmaal waren, dat ze niet meer zouden verdwijnen en dat gezondheidsschade door het gebruik ervan beperkt moest worden. Dat de heroïne-epidemie jongeren veranderde in zombies joeg zo’n beetje iedereen de stuipen op het lijf. Sindsdien werd harm reduction een gevleugelde term in het drugsbeleid. Voorlichting was en is daarbij belangrijk, om drugsgebruik te voorkomen en om het in goede banen te leiden als het toch gebeurt.

Vanaf de jaren tachtig werd het beleid van de twee pijlers het ‘tweesporenbeleid’ genoemd. Het groeide in de praktijk toe naar best practice en werd een onverdeeld succes. Maar het is kwetsbaar. Het is een ‘beleidsmaatregel’ die niet bij wet is verankerd. Er kan zomaar een streep door worden gezet.

‘Xtc is in de loop van de jaren populairder geworden, maar het regelmatige gebruik is nu niet veel hoger dan eind jaren negentig. Het zijn golven’

Het medische heroïneprogramma is een succesvol voorbeeld van harm reduction. Heroïne wordt gebruikt als medicijn, ingezet tegen de ziekte ‘verslaving’. Het is een van de bezwaren van Eva tegen het programma: ‘Dat ze doen alsof ik ziek ben. Maar ik ben niet ziek. Ik gebruik drugs.’

‘Je ziet de mensen al meteen vooruitgaan’, zegt verslavingsarts Nelda de Grave. ‘Ze hoeven niet meer de straat op om criminele dingen te doen om aan geld te komen voor hun heroïne. Het brengt rust. Sommigen krijgen weer wat contacten met hun familie. We kunnen ook veel beter dan vroeger afspraken met ze maken, bijvoorbeeld voor medische zorg.’ Veel mensen zullen tot hun overlijden in het programma blijven, maar er zijn ook ‘pareltjes’, zegt ze. Zoals die ‘meneer van zestig’ die nu aan het afbouwen is. ‘Hij heeft een leer-werkcontract gekregen en rookt nu nog maar één keer per dag. Ik geef hem een goede kans om weer op eigen benen te komen.’

Bij de ‘geïntegreerde voorziening’ in de Bijlmer, waar De Grave werkt, ligt een ontheffing van de Opiumwet klaar. De uitgave van elke milligram heroïne wordt door de medewerkers streng gecontroleerd. Hier roken de deelnemers aan het programma twee keer per dag hun medische heroïne. Ze ‘chinezen’ het, waarbij ze de heroïne op een zilverpapiertje leggen en het verwarmen met een aansteker. Damp en vloeistof worden opgezogen met een buisje. Landelijk zijn er zeventien units verspreid over zestien steden, met in totaal 642 behandelplaatsen, die niet meer allemaal bezet zijn. Er is berekend dat het medische heroïneprogramma de samenleving veertienduizend euro per deelnemer scheelt: geld dat niet hoeft te worden uitgegeven aan inzet van politie, justitie en acute hulpverlening.

Het is achteraf gezien bevreemdend dat het ruim twintig jaar duurde voordat het programma er was. Al in de jaren zeventig presenteerden August de Loor en Johan Riemens van de mdhg plannen voor behandeling met medische heroïne. Uit de negentiende eeuw was bekend dat opiatenverslaving alleen met het middel zelf kon worden behandeld. De Nederlandse ervaringen met morfinisten en de staatsopium in de Oost waren echter vergeten, dus duurde het tot 1998 voordat Nederland over de schroom heen was en er na veel politieke discussie een Opiumwet-ontheffing kwam voor een proef met de medische heroïnebehandeling.

In de jaren daarna bleef het drugsbeleid pragmatisch , maar dat ging met vallen en opstaan. De drugstests zijn daarvan een voorbeeld. August de Loor testte al ten tijde van de heroïne-epidemie samples om de soms dodelijke vervuilingen van de drug in kaart te brengen. In de jaren tachtig begon hij met zijn Adviesbureau Drugs xtc-pillen te testen. ‘Dat was nadat in 1986 een Bhagwan-type op mijn drugsspreekuur langskwam met een pil, die zei dat hij het van Ibiza had meegenomen’, vertelt hij. ‘Toen wist ik: dit wordt heel groot.’

De Loors tests zorgden ervoor dat gebruikers elkaar konden waarschuwen voor gevaarlijk zware pillen. Daarom werden ze in 1992 overgenomen door het Drugs Informatie en Monitoring Systeem (dims), bedoeld om in de gaten te houden wat er op de illegale drugsmarkt werd aangeboden en te waarschuwen als gevaarlijk spul in omloop was. De tests vonden aanvankelijk vooral plaats op feestlocaties, dicht bij de gebruikers.

Maar in 2002 verbood de Tweede Kamer drugstests op de dansvloer omdat er een ‘aanzuigende werking’ van uit zou gaan. In die tijd groeide een zero tolerance-beleid jegens recreatief drugsgebruik. Drugshonden op treinstations en bij de boot naar Terschelling, grootschalige invallen in clubs, en bij dancefestivals strenge fouillering en snelrecht voor wie met drugs werd betrapt. Maar nadat in 2016 door veel te zware pillen onder xtc-gebruikers een recordaantal van 24 doden viel, wilde een nipte Kamermeerderheid de tests op feestlocaties weer terug. Maar hoe moest dat? Want zero tolerance én drugstests op een festival, dat ging niet samen.

Buiten de dansvloer zijn de drugstests echter nooit weggeweest, ziedaar het pragmatisme. Bij verslavingszorginstelling Jellinek in Amsterdam kun je al sinds jaar en dag pillen en poeders laten testen. Dat kan ook op 32 andere plekken, verspreid over Nederland. Zeeland is er onlangs bijgekomen, een besluit dat lokaal werd genomen, los van de landelijke politiek.

Bij Jellinek vinden de tests plaats in een artsenkamer aan het einde van een lange gang. Raoul Koning van de testservice vertelt dat het nu aanzienlijk drukker is dan een paar jaar geleden. De ene keer zit er een zakenman, dan een eerstejaars student, dan weer iemand van zestig. Tijdens het testje worden de mensen gewezen op de risico’s. ‘Omgekeerd krijgen we van hen ook veel informatie over de scene. Ons doel is het beperken van de risico’s, daarom zijn we blij met het drukker worden van de testservice. Aan de andere kant zie je ook dat de politiek vaak negatief reageert op onze hogere bezoekersaantallen.’

Is het werkelijk zo dat drugsgebruik normaal aan het worden is? Judith Noijen, preventiewerker bij Jellinek, vindt het een verwarrende discussie. Al sinds 1996 staat Jellinek met getrainde vrijwilligers uit de uitgaansscene in clubs en op festivals om alcohol- en drugsvoorlichting te geven: het Unity-project. ‘We hebben inderdaad gezien dat xtc in de loop van de jaren populairder werd, maar het regelmatige gebruik is nu niet veel hoger dan eind jaren negentig, en het is aan het afvlakken. Het zijn golven.’ Ook bij Unity is het drukker geworden, maar dat wil volgens haar niet direct zeggen dat het gebruik toeneemt. ‘Wij denken wel dat de groep die open over hun drugsgebruik praat groter is geworden. Dat is alleen maar goed, want dan kunnen we monitoren.’

Ze heeft het gevoel dat harm reduction ‘altijd wel een beetje onder druk staat’. De huidige toon van het debat vindt ze echter ronduit zorgelijk. ‘De toon is haast stigmatiserend. Dat kan ertoe bijdragen dat mensen niet meer durven uit te komen voor hun gebruik en voor de problemen die ze daarvan ondervinden. Om dat te voorkomen werd eerder juist benadrukt dat wie drugs gebruikt ook als normale burger moet worden gezien. In de jaren tachtig was normalisering juist iets positiefs.’

Hoe belangrijk openheid over drugsgebruik is toont het verhaal van schrijfster Renee Kelder. Toen ze ghb begon te gebruiken stond het nog bekend als onschuldige drug. ‘Ik wist niet dat je er na twee weken dagelijks gebruik al verslaafd aan was.’ Ghb zorgde ervoor dat ze zich zelfverzekerd voelde. ‘Ik zocht een andere werkelijkheid, de echte kon ik niet aan. Die met ghb was voor mij ideaal. Al vrij snel dacht ik: ik kan niet zonder. Dat laagje drugs bood me heel veel bescherming.’ Het leidde tot een dubbelleven dat ze zes jaar volhield. Ze deed er verslag van in haar boek Parttime junkie. Ze studeerde, zag niet-gebruikende vrienden en werkte zelfs een tijdje als maatschappelijk werker bij de medische heroïneverstrekking.

Tegenwoordig geeft ze lezingen over haar verslaving, onder meer aan middelbare scholieren. ‘Ik vertel altijd dat het bij mij misging omdat ik het in het geheim deed. Ik zeg dan: ook al gaan jullie experimenteren, hou het niet geheim.’ Ze kickte af in 2010. Cold turkey, want medisch verstrekte ghb bestond toen nog niet. Die krijg je tegenwoordig in verslavingsklinieken om langzaam te kunnen afbouwen. Af-kicken zonder het middel is gevaarlijk. Kelder kreeg een delirium, waarbij ze het bloed van de muren zag druipen. Ze kwam er doorheen, maar ze had in een psychose kunnen raken.

de Bijlmer, 2015; links: een vrouw vult envelopjes met cocaïne voor smokkeldoeleinden, 1933 © Fotograaf onbekend / Nationaal Archief / Collectie Spaarnestad

De lessen uit het verleden zijn evident. Het drugsmonopolie uit handen geven leidt tot onstuitbare criminaliteit. Voor de hulp aan verslaafden een uitzondering maken op de Opiumwet werkt. Het monitoren van de drugs die in omloop zijn voorkomt ellende. Sommige van die lessen zijn geleerd: de medische toepassing van ghb bij zwaarverslaafden leverde nauwelijks politieke discussie op. En het monitoren van de gebruikerswereld en de drugsmarkt staat nog overeind, ondanks de kritiek.

Drugsonderzoeker Ton Nabben ziet echter twee tegengestelde bewegingen. De laatste jaren liggen steeds minder mensen er wakker van dat hun buurman jointjes rookt of wel eens een pil slikt, als het maar geen overlast veroorzaakt. Dat lijkt op de pragmatische houding ten tijde van de invoering van de Opiumwet. ‘Tegelijkertijd neemt echter de moralisering vanuit de landelijke politiek toe. Erg rationeel is het niet.’

Blijkbaar doet de scheiding tussen fatsoen en onfatsoen die de Opiumwet met zich meebracht nog steeds opgeld in Haagse kringen. Daardoor blijft de gezondheidspijler van het tweesporenbeleid kwetsbaar. Neem een recente motie van Joël Voordewind van de ChristenUnie. Daarin riep hij de regering op om ‘maatregelen te nemen om de normalisering van drugsgebruik tegen te gaan’. ‘Drugsgebruikers houden met hun gedrag criminaliteit in stand. Het is tijd om hen met de neus op de feiten te drukken. Daarom moeten we het taboe op het aanspreken van de gebruikers doorbreken’, zei Voordewind naderhand in een toelichting. Hij liet meteen weten dat drugstests en gesubsidieerde voorlichting over drugsgebruik van hem mogen wijken. ‘Drink groene thee en rust vooral uit, is daar het devies. Dat is toch onbestaanbaar?’ Eind september werd de motie met de grootst mogelijke meerderheid (149 stemmen) door de Tweede Kamer aangenomen.

‘Wat we ook doen, we moeten de aandacht voor de volksgezondheid in ons drugsbeleid behouden’, zegt Nabben. ‘Kijk naar België, de Verenigde Staten en Schotland, waar je nog steeds verpauperde heroïnegebruikers op straat vindt. Al dat geworstel met de Opiumwet heeft ons absoluut iets opgeleverd. We hebben de gezondste gebruikers ter wereld.’