Op de puinhopen van de crisis #1: Adam Tooze

‘We hebben de verkeerde lessen uit de crisis getrokken’

Volgens historicus Adam Tooze begon met de bankencrisis van 2008 een nieuw tijdperk. Het mondiale financiële systeem blijft op Amerika leunen, terwijl dat politiek onberekenbaar is geworden.

Een werknemer verlaat Lehman Brothers na het faillissement van de bank. New York, 15 september 2008 © Chris Hondros / Getty Images

Er zijn van die jaartallen, zo noteerde historicus Adam Tooze vorig jaar in een artikel in het Britse Prospect Magazine, ‘die zichzelf de geschiedenis in schrijven door de pure kracht van de gebeurtenissen’. Hij noemde 1945 en 1989 als voorbeelden en hij stond uitgebreid stil bij het jaar 1917 dat volgens hem een ultieme illustratie is van historische tempoversnelling: revoluties in Rusland, China en India, die nieuwe assertiviteit vinden en aandringen op een gelijkwaardige status als westerse machten; de VS die het isolationisme afleggen en zich in de loopgravenoorlog in Europa mengen; een politiek landschap dat rap verandert door de groei van linkse bewegingen, massademocratie en oprukkend rechts nationalisme.

Momenteel leven we in de schaduw van een nieuw kanteljaar, meent Tooze. Zijn boek Gecrasht: Hoe tien jaar financiële crises de wereld veranderde ligt komend najaar in de winkel. Dat valt samen met het moment waarop het tien jaar geleden is dat de Amerikaanse investeringsbank Lehman Brothers failliet ging. De val van Lehman, een van de grootste financiële bedrijven in de VS, was het startschot voor een mondiale economische crisis die zowel een eindpunt als een nieuw begin vormde. Het eindpunt van het geloof dat de wereldeconomie vanzelf stabiel blijft als financiële markten maar vrije ruimte krijgen. Ook de voortschrijdende Europese integratie kwam in een lagere versnelling terecht. En het zou zomaar kunnen dat 2008 de geschiedenis in gaat als het jaar waarin de ‘eeuw van Amerika’ tot een einde kwam, nadat het zich nog één keer als redder van de wereld had opgeworpen. Met de crisis kreeg politieke verlamming de VS in de greep en werd de basis gelegd voor wat Tooze omschrijft als ‘het opgeven van de claim op Amerikaans wereldleiderschap’.

Adam Tooze, hoogleraar geschiedenis en directeur van het European Institute aan Columbia University in New York, behoort tot het slag historici dat het wereldomspannende verhaal wil vertellen, waarin grote gebeurtenissen de mondiale verhoudingen opbreken en herordenen. In zijn zeer goed ontvangen boek The Deluge: The Great War, America, and the Remaking of the Global Order liet hij zien hoe de eeuw van Amerikaanse dominantie begon in 1917. Zijn The Wages of Destruction geldt als een baanbrekend werk over de nazi-economie, die de liberale hegemonie uitdaagde, voordat die compleet dominant kon worden. Crashed: How a Decade of Financial Crises Changed the World (de vertaling verschijnt bij uitgeverij Spectrum) is een analyse van ons meest directe verleden, waarin opeenvolgende crises de wereld omwoelden en het economische en politieke landschap van vandaag vormden.

Om dat te begrijpen, moeten we op twee niveaus tegelijk denken, legt Tooze uit in zijn werkkamer, op de klassieke stadscampus van Columbia University. We moeten de grote schok, de bankencrisis van 2008, bestuderen en tegelijk kijken naar de uitgesponnen veranderingen die daarmee verknoopt zijn. ‘De bankencrisis is met goede reden in ons collectieve geheugen gegrift’, zegt Tooze, in een versleten leunstoel met hoge stapels boeken naast zich. ‘In de rangorde van problemen die we de afgelopen tien jaar hebben gezien is dat zonder twijfel nummer één. Niet eerder in de wereldgeschiedenis heeft een financiële crisis zulke proporties aangenomen dat tegelijkertijd de financiële centra in Europa en in de VS in razend tempo konden imploderen. Het is werkelijk ontzagwekkend hoe snel de bankbalansen op dat moment uiteenrafelden.’

Uiteindelijk werd een totale ineenstorting van de wereldeconomie, zoals die in de jaren dertig plaatsvond, voorkomen. Dat was te danken een staaltje ongekend economisch management waarover Tooze nog altijd met verbazing spreekt: ‘De crisis had vele malen erger kunnen uitpakken, ware het niet dat de overheden in zowel de VS als Europa besloten om publiek geld aan te wenden om de financiële sector overeind te houden. De Amerikaanse Federal Reserve zette de dollarkraan open en bood een vrijwel oneindige hoeveel liquiditeit aan banken overal ter wereld. En de Fed toonde zich bereid om slechte leningen op te kopen. De Amerikaanse economische instituties vormden op dat moment een soort economisch wereldbestuur.’

Het vrijkopen van de financiële sector is de geschiedenis in gegaan als een geslaagde operatie, maar Tooze benadrukt dat het één grote gok was: ‘Er was geen precedent. Zonder dat hier publiekelijk over gedebatteerd werd, gingen er algemene middelen naar het herkapitaliseren van een sector die werd gedreven door exorbitante inhaligheid, enkel zodat ze in bedrijf kon blijven en winst kon blijven maken. Moreel is het hoogst omstreden, maar het werkte. En in één klap werd duidelijk dat een zelfstandige financiële sector een fabeltje is. Banken bleken net zo afhankelijk te zijn van de overheid als iemand die werkloos wordt.’

In ons collectieve geheugen is de bankencrisis een technisch verhaal dat gaat over bail-outs, toxic assets en too big to fail. Maar de diepere betekenis is volgens Tooze dat in 2008 een nieuw soort globalisering concreet werd: ‘Voor het eerst werd duidelijk merkbaar hoe via het bankwezen de economieën van Europa en de VS met elkaar verknoopt zijn. De Europese economie kon alleen draaiende blijven zolang ze op zeer korte termijn miljarden dollars kon lenen. We hebben lange tijd gepraat over hoe globalisering de autoriteit en soevereiniteit van de natiestaat uitholt en een wereldwijde verwevenheid creëert, maar die realiteit werd eigenlijk pas in 2008 tastbaar.’

Tegelijk zetten zich in 2008 vier grote onderstromen in beweging, aldus Tooze. Stuk voor stuk bepalen ze de wereld waarin we nu leven. De eerste is de definitieve doorbraak van China als economische grootmacht. ‘De opmars van China was natuurlijk al langere tijd gaande, maar in 2008 en 2009, als het Westen in recessie schiet, blijkt dat de Chinese economie zo sterk is dat ze zo ongeveer eigenstandig de mondiale groei overeind kan houden. Terwijl de crisis woedt, blijken de VS en China de enigen te zijn die op mondiale schaal de economie kunnen stimuleren, in tegenstelling tot Europa. Dat is een wereldhistorische transformatie. De erkenning daarvan is de oprichting van de G20. Dat instituut is vooral bedacht om China een plek aan de overlegtafel te geven, de andere landen die worden toegevoegd zijn eigenlijk bijzaak.’

© Malene Lauritsen

Tot aan 2008 werd de invloed van China op de mondiale economie verkeerd begrepen, concludeert Tooze: ‘De grote obsessie was de scheve handelsbalans tussen China en de Verenigde Staten. Paul Krugman, Nouriel Roubini, alle grote macro-economen rondom de Democratische Partij hadden het er constant over: een begrotingstekort onder de regering van George W. Bush, veroorzaakt door de desastreuze oorlog in Irak en belastingverlagingen, maakte de Amerikaanse economie kwetsbaar. De boel zou ontploffen wanneer Chinezen hun enorme dollarreserves zouden afbouwen. Maar de Chinezen waren op dat moment een zeer coöperatieve speler. Wat uiteindelijk ontplofte was het trans-Atlantisch financieel systeem, waarvan de verwachting was dat het zichzelf in evenwicht zou houden. Het uitbreken van de crisis had niets met geopolitiek te maken, maar met een nationale economie die was gebaseerd op een kaartenhuis van derivaten.’

Adam Tooze: ‘De euro heeft ingeboet aan mondiaal belang, terwijl de positie van de dollar juist is verstevigd door de crisis’

En terwijl de Fed met steun van het Amerikaanse Congres probeerde de plotseling uitslaande brand te blussen, werd in de Amerikaanse politiek een transformatie zichtbaar, vertelt Tooze: ‘De Republikeinen weigerden om hun steun te verlenen aan de Bush-regering bij het redden van hypotheekinstellingen Fannie Mae en Freddie Mac. En ze keerden zich tegen het opkoopprogramma van de Fed. Dat de Amerikaanse economie, en daarmee de rest van de wereld, op de rails bleef is te danken aan de Democraten die in 2008 een meerderheid hadden in het Congres. De Republikeinen probeerden alles lam te leggen. Vervolgens kwam de volledig mislukte presidentscampagne van John McCain, met Sarah Palin die als vice-presidentskandidaat een soort populistisch steunwieltje was.’

‘Een politieke crisis verpakt in een economische crisis’, zo noemt Tooze het tweede langetermijngevolg van 2008. Volgens hem is de Republikeinse Partij sinds de crisis aan het radicaliseren geslagen, een proces dat uiteindelijk is bezegeld met de uitverkiezing van Trump. ‘In de crisisjaren is het Amerikaanse politieke systeem ontregeld’, zegt Tooze. ‘Dat werd gemaskeerd door twee overwinningen op rij van een bijzondere president, maar ook onder Obama was de Amerikaanse politiek voor de helft vleugellam. Sinds de crisis functioneert de Republikeinse Partij niet langer als een partij die het systeem stut.’

Ondertussen wordt voor een groot deel van het Amerikaanse electoraat duidelijk dat het economisch systeem niet in zijn voordeel werkt. Dat de bankiers gered worden, terwijl miljoenen anderen huizen en banen kwijtraakten is dodelijk voor de positie van de elites, aldus Tooze: ‘In de Obama-jaren gebeurde vervolgens weinig om zichtbaar te maken dat de politiek materiële welvaart kan bieden voor de witte arbeidersklasse. Dat bleek fnuikend voor het geloof in progressieve politiek, die ook in Europa de doodsteek krijgt in de jaren na 2008. Die politieke crisis kwam ten volle aan het licht in de verschillende verkiezingen in Europa, waarbij anti-systeempartijen telkens goed scoorden. De VS beleefden hun apotheose met de presidentsverkiezingen van 2016, waarin het een haar scheelde of de strijd ging tussen twee radicale kandidaten: Bernie Sanders, een zelfbenoemde democratisch-socialist die van buiten de Democratische Partij kwam, en Trump, een Republikeinse kandidaat die nauwelijks steun kreeg van de zakenwereld.’

De derde trend die Tooze ontwaart, is de terugkeer van geopolitieke rivaliteit tussen Rusland en het Westen. De spanning begon op te lopen vanaf 2007, toen Poetin op de veiligheidsconferentie in München de VS een bedreiging voor stabiliteit in de wereld noemde. Het sloeg door naar 2008, met politieke crises in Georgië en Oekraïne. Volgens Tooze hebben de Navo-landen Oekraïne gedwongen te kiezen tussen Rusland en het Westen waardoor het land in tweeën is gescheurd. Zowel Oekraïne als Hongarije eindigde in 2008 in een imf-programma, waarmee ze de facto onder Europees-Amerikaanse curatele kwamen te staan. ‘In 2013, met de annexatie van de Krim en de Russische inval in Oost-Oekraïne, deed iedereen alsof geopolitiek een plotselinge rentree maakte’, zegt Tooze. ‘Maar het verhaal begint vijf jaar daarvoor. West-Europa doet alsof economische banden en geopolitiek twee verschillende dingen zijn. Maar vanuit Russisch perspectief zijn ze onderdeel van dezelfde beweging.’

Op de puinhopen van de crisis

De financiële crisis, die tien jaar geleden uitbrak, was het begin van een wankel decennium, waarin diepe economische en politieke breuklijnen aan het licht kwamen. Een instabiel Europa, oprukkend populisme en een verder uitgeklede verzorgingsstaat zijn terug te voeren op deze cesuur. In deze interviewserie laten we gezaghebbende denkers aan het woord over de wereld die te voorschijn is gekomen op de puinhopen van de crisis.

2008 markeert ook het begin van een neergaande beweging in Europa, Tooze’s vierde rode draad. ‘De eurozone loopt enorme averij op in 2008. Nu pas is Europa teruggekrabbeld tot het economische niveau van vóór de crisis. Maar Europa’s positie in de wereld lijkt verspeeld. Er staan nauwelijks Europese bedrijven in de economische ranglijsten. De Europese bankensector is geen concurrent van betekenis meer voor de VS en Azië. De euro heeft ingeboet aan mondiaal belang, terwijl de positie van de dollar juist is verstevigd door de crisis.’

Tooze vertelt hoe vanaf 2008 in Europa een race plaatsvond tussen de Griekse staatsschuldcrisis en de Ierse bankencrisis. ‘Het ging erom welke van de twee de eurozone zou doen ontsporen. Het werd uiteindelijk Griekenland, wat laat zien dat het in Europa ontbreekt aan een gedeeld idee over hoe de Unie moet functioneren. Maar er zijn meer voorbeelden: Duitsland dat niet thuis geeft wanneer Frankrijk en Nederland vragen om gezamenlijk de bankencrisis te bestrijden; de Lissabon-agenda, het nieuwe handvest van de EU, dat in Ierland in een referendum wordt afgewezen, nadat eerder in 2005 de Europese grondwet was gesneuveld door een “nee” in Frankrijk en Nederland.’ Op het moment dat het erop aankwam, faalde de Europese gezamenlijkheid, meent Tooze: ‘Op nationale schaal werden banken gered, maar er was geen gezamenlijke Europese crisisaanpak.’

Was de wereld van 2008 een kruitvat en fungeerde de crisis van Amerikaanse rommelhypotheken als een lont die alles deed ontploffen? ‘Zo kun je het omschrijven’, zegt Tooze. ‘Er zaten diepe spanningen in de mondiale verhoudingen van vóór 2008, zowel economisch als politiek. De Amerikaanse economie was een tikkende tijdbom, waar Europa op vastgebonden zat. De geopolitieke spanning met Rusland begon op te lopen. De twee raakten met elkaar verweven toen Rusland probeerde de VS verder te verzwakken door Amerikaanse schuldpapieren te verkopen. Rusland probeerde China te overreden hetzelfde te doen, iets waar de Amerikanen doodsbang voor waren. De Chinezen deden dat uiteindelijk niet, en dat is nog een reden waarom de crisis nog enigszins beperkt bleef. Maar de nieuwe verhoudingen zijn op dat moment bepaald: Rusland en de VS die tegenover elkaar staan, China als nieuwe economische machtsfactor en Europa dat grotendeels passief blijft.’

‘Ik heb de indruk dat we de verkeerde lessen hebben getrokken uit de crisis’, zegt Tooze. ‘We hebben enorm veel tijd besteed aan het doorgronden hoe subprime-hypotheken, credit default swaps en andere complexe financiële producten werken. Maar uiteindelijk is het verhaal van 2008 dat er op dat moment een nieuwe orde is ontstaan waar we nu midden in zitten. Het is heel dubbel hoe de crisis begrepen wordt. Aan de ene kant heeft er een enorme doorbraak kunnen plaatsvinden in ons economisch denken. De publieke aandacht voor inkomensongelijkheid is daar een voorbeeld van. Tegelijk is er beperkt besef dat de economische problemen van het afgelopen crisisdecennium verknoopt zijn met internationale politieke verhoudingen. We leren steeds maar de helft van het verhaal.’

En dat, meent Tooze, brengt het risico met zich mee dat we zwakke plekken van de post-crisiswereld over het hoofd zien. Eén daarvan, die het denken van Tooze in beslag neemt, is de mate waarin het mondiale financiële systeem op de VS blijft leunen, terwijl die politiek onberekenbaar zijn geworden. Lang niet iedereen beseft het, maar de wereld hangt in feite nog altijd aan het dollarinfuus van de Fed, zo legt hij uit. Ten tijde van de bankencrisis opende de Federal Reserve zogenaamde ‘swaplines’, een obscuur monetair instrument ontwikkeld in de jaren zestig, waarmee centrale banken overal ter wereld dollars kunnen lenen bij de Fed. Tijdens de crises werd dat systeem ook opengesteld voor private banken, die daar ongelimiteerd gebruik van konden maken. In 2008 was dat een manier om het Europese betalingsverkeer op gang te houden, op het moment dat de Europese banken dat zelf niet meer konden doen.

‘Zonder die dollars zouden de meeste banken in de wereld zijn omgevallen’, zegt Tooze. ‘Dit systeem van swaps was technisch in orde. Alles werd keurig terugbetaald, en de Fed maakte zelfs een kleine winst. Sindsdien wordt dit dollarloket, dat in 2013 permanent werd gemaakt, aangewend elke keer als er ergens economische instabiliteit dreigt te ontstaan. Tijdens de eurocrisis gingen de swaplines open. De Bank of England maakte er gebruik van toen het Brexit-referendum de Britse economie dreigde te ontregelen.’ Tooze noemt het de ‘geheime geschiedenis van de bankencrisis’, maar het is volgens hem de vraag of die ook onder het huidige politieke gesternte in de VS kan functioneren.

Want de crisis van 2008 heeft een tegenstrijdige erfenis opgeleverd, concludeert Tooze: ‘De economische invloed van de VS is versterkt. Dat de wereldeconomie nog afhankelijker is gewonden van de dollar geeft Amerika in feite de vrijheid om te doen wat het wil. Maar het politieke systeem dat een eeuw lang de basis vormde van de Amerikaanse macht ligt in duigen. De vraag is hoe de wereld reageert op een economische supermacht die de claim op moreel leiderschap laat varen, eigenbelang nastreeft en andere landen aanmoedigt hetzelfde te doen. De scherpste randjes van Trumps nationalisme lijken weliswaar afgevijld, maar ik vraag me af of de VS ook bij een volgende economische schok het vermogen tot wereldleiderschap tonen.’