‘we hebben een lijst van dat soort vrouwen’

Claudia Schoppmann, Ik liet mijn haar groeien en ging jurken dragen: Levensverhalen van lesbische vrouwen in het ‘Derde Rijk’, vertaling Ria van Hengel, uitg. Schorer, 168 blz., f34,50.
Er was geen aparte roze driehoek voor lesbiennes in de concentratiekampen. Maar hoeveel kregen een rode, die van politieke gevangenen? De snippers geschiedenis over lesbische vrouwen in Hitler-Duitsland worden langzamerhand bijelkaar gelegd.
Niet bekend

Beide vrouwen werden in het kamp ‘geselecteerd’ door euthanasie-arts en SS-Sturmfuhrer Friedrich Mennecke, wat hun gewisse dood betekende. Op hun aanmeldingsformulieren, die toevallig bewaard zijn gebleven, schreef hij de volgende 'diagnosen’: 'Jenny Sara Schermann, 19-2-12, Vr. ongeh. verkoopster in Ffm. Vurig lesbienne, hield zich alleen in zulke cafes op. Vermeed de naam Sara. Statenloze jodin.’ En: 'Erna Sara Punjer, geb. 24-8-04 Hamburg, gehuwde volbloed jodin. Zeer actieve (“kesse”) lesbienne. Bezocht voortdurend lesbische cafes en wisselde in het cafe intimiteiten uit.’
Zijn beide vrouwen vanwege hun homoseksualiteit in het kamp terechtgekomen? Ze zijn joods, maar omdat ze al in 1940 - nog voor de massale jodendeportaties - naar Ravensbruck zijn gevoerd, is het goed mogelijk dat hun seksuele geaardheid tot hun Inschutzhaftnahme door de Gestapo leidde. De euthanasie-artsen schreven hun 'diagnosen’ vaak over van de arrestatielijst van de Gestapo. Waarschijnlijk zijn Henny Schermann en Mary Punjer bij een razzia in een lesbisch cafe opgepakt.
Op 10 november 1940 werden Elli Smula en Margarete Rosenberg opgesloten in Ravensbruck. Als reden van hun arrestatie werd 'lesbisch’ opgegeven. Ze kregen door de SS een rode driehoek opgespeld en werden dus als politieke gevangenen gecategoriseerd. Er was geen aparte driehoek voor lesbiennes: de roze driehoek werd gereserveerd voor mannelijke homoseksuelen. Ook van Elli Smula en Margarete Rosenberg is onduidelijk hoe ze in handen van de Gestapo terecht waren gekomen. Wellicht zijn zij ook bij een razzia in een lesbische uitspanning gearresteerd.
HENNY SCHERMANN, Mary Punjer, Elli Smula en Margarete Rosenberg behoren tot de weinige vrouwen van wie bekend is dat ze in het kamp het etiket 'lesbisch’ kregen opgeplakt. Het lot van lesbische vrouwen in het Derde Rijk is nog steeds met duisternis omgeven en omdat de meeste documenten zijn vernietigd, de getuigen vaak niet meer leven of zich in zwijgen hullen is het allerminst eenvoudig dit vergeten hoofdstuk van de geschiedenis te schrijven. Bovendien, zo benadrukken die paar onderzoeksters die zich wel op het lot van lesbiennes in nazi- Duitsland richten vol pathetiek, worden lesbische vrouwen nog steeds niet serieus genomen. In de geschiedenis werden ze doodgezwegen, dat worden ze het liefst nog steeds.
Toch zijn er wat snippers bewaard gebleven. In ieder geval is duidelijk dat lesbische vrouwen, anders dan homoseksuele mannen, niet strafrechtelijk zijn vervolgd. Na de moord op stafchef van de SA Ernst Rohm in juni 1934 werd de vervolging van homoseksuele mannen op grote schaal ingezet. Onder leiding van Reichsfuhrer-SS Heinrich Himmler werd een specifiek arrestatie- en vervolgingsapparaat opgezet om de homoseksuele ondermijning van de mannenstaat tegen te gaan. Vijftigduizend mannen werden aldus op grond van de gewraakte paragraaf 175, die handelingen tussen mannelijke homoseksuelen strafbaar stelde, veroordeeld; tien- tot vijftienduizend mannen werden naar een concentratiekamp gestuurd, twee derde van hen overleefde dat niet.
Er zijn echter aanwijzingen dat de Gestapo en organisaties als het Rassenpolitische Amt het niet alleen op mannen hadden gemunt, maar ook informatie over lesbische vrouwen verzamelden. Een van de vrouwen die door Claudia Schoppmann in haar zeer lezenswaardige boek Ik liet mijn haar groeien en ging jurken dragen: Levensverhalen van lesbische vrouwen in het 'Derde Rijk’ werd geinterviewd, vertelde bijvoorbeeld dat ze vanwege communistische activiteiten in haar jeugd bij de Gestapo werd ontboden. Toen zij haar communisme als jeugdzonde afdeed, probeerde de Gestapo haar te intimideren door te zinspelen op haar lesbische geaardheid. 'Wij kennen uw prive-leven, u, en u niet alleen… We hebben een lijst van dat soort vrouwen…’
Er zijn ook spaarzame getuigenverklaringen van mensen die in kampen hebben gezeten. In het summiere hoofdstuk over lesbiennes en fascisme in het in 1983 uitgegeven Schwule und Faschismus, staat de gruwelijke geschiedenis beschreven van Helene G. uit Schleswig-Holstein, een vrouw die in de oorlog bij de Luftwaffe in Oslo werkte. Haar vriendin, die ook bij de luchtmacht werkzaam was, ging niet op de avances van een luitenant in. De vrouwen werden gearresteerd, voor het krijgsgerecht gedaagd en gescheiden. Helene G. werd naar het concentratiekamp Butzow afgevoerd, waar zij met zes andere lesbiennes in een apart blok werd ondergebracht en door mannelijke kapo’s bewaakt. Terwijl in nazi-Duitsland het intieme verkeer tussen Duitse vrouwen en buitenlanders was verboden, werden Russische en Franse krijgsgevangenen aangemoedigd om de lesbiennes 'mal richtig durchzuficken’: 'Die hier sind der letzte Dreck. Die wurden wir nicht mit dem Sofabein ficken. Wenn ihr die ordentlich durchziet, kriegt ihr jeder eine Flasche Schnaps.’
Claudia Schoppmann haalt een herinnering aan van Erich H., die vanwege zijn homoseksualiteit tien jaar in verschillende kampen zat. In een interview vertelde hij over Else, een lesbische serveerster uit Potsdam die als 'Asociale’ naar Ravensbruck werd gestuurd. Van daaruit kwam ze terecht in het concentratiekamp Flossenburg, waar ze in het kampbordeel tot prostitutie werd gedwongen. Erich H. leerde Else kennen omdat hij het kampbordeel in het kader van zijn 'heropvoeding’ moest bezoeken. De nazi’s stopten, aldus Erich H., lesbische vrouwen graag in bordelen: daar zouden ze wel weer 'normaal’ worden.
VERSCHENEN ER IN de jaren zeventig diverse studies over de 'Rosa Winkel’, over de vervolging en vernietiging van homoseksuele mannen, het onderzoek naar de geschiedenis van lesbische vrouwen in nazi- Duitsland is van veel recenter datum. En zoals gezegd is er over die geschiedenis nog weinig echt duidelijk. De journaliste Ilse Kokula was de eerste die in de loop van de jaren tachtig uitgebreid ging praten met lesbiennes die in het Derde Rijk leefden om een oral history van de periode te verzamelen. De historica Claudia Schoppmann was de eerste die met haar in 1991 gepubliceerde proefschrift Nationalsozialistische Sexualpolitik und weibliche Homosexualitat een omvangrijke studie over het onderwerp schreef.
In haar onderzoek richtte Claudia Schoppmann zich onder meer op de nazistische boeken en documenten die betrekking hebben op de bestrijding van homoseksualiteit en op de uitlatingen van nazi’s in de nationaal-socialistische pers. Daarnaast wijdde ook zij zich aan de oral history. Het is dan wel niet helder of en in welke mate lesbische vrouwen werden vervolgd; van een cultuuromslag is wel degelijk sprake als Hitler aan de macht komt.
Hoeveel nostalgische verhalen zijn er niet verteld over het lesbische Eldorado dat Berlijn tijdens de Weimarreubliek was? Natuurlijk, de jaren twintig werden evengoed gekenmerkt door massale werkloosheid en bittere armoede, maar in Berlijn floreerden in de Weimartijd maar liefst zo'n vijftig lesbische uitgaansgelegenheden, met namen als Dorian Gray, Mali und Igel, Monbijou des Westen, Monokelbar of Jolly Joker. Eenvoudige dranklokalen waar verhit een gelijkgeslachtelijke polonaise werd gehost; chique nachtclubs waar de lesbische beau monde, bevallig op het pluche gevleid, de monocle op de neus, kon kijken naar sapfisch cabaret of dans; intellectuele cafes waar de medewerksters en lezeressen van de lesbische tijdschriften elkaar troffen om te discussieren; lesbische kegelclubs; lesbische dansscholen; lesbische roeiverenigingen - gevoelsgenotes konden zich op elk tijdstip van de dag in eigensoortig vermaak storten.
ER LEEFDEN VROUWEN als Lotte Hahm, die tussen 1926 en 1932 diverse verenigingen en kroegen voor lesbische vrouwen leidde. De beroemdste daarvan was de damesclub Violetta, waar zij voor de meer dan vierhonderd jonge zakenvrouwen, verkoopsters, arbeidsters en secretaresses die lid waren, lezingen en bootfeesten organiseerde. Lotte Hahm kwam in 1933 in de gevangenis terecht nadat ze door de vader van haar vriendin was beschuldigd van 'verleiding van een minderjarige’. Dat terwijl ze haar vriendin heel nadrukkelijk had gevraagd of ze wel boven de 21 was.
Of als de schrijfster Ruth Margarete Roellig die in 1928 een boek publiceerde over het lesbische uitgaansleven, Berlins lesbische Frauen, waarin ze een pleidooi van tolerantie afsteekt voor de 'krijgers van Sappho’. In 1938 kwam het boek op de nationaal-socialistische index te staan.
Er verschenen lesbische tijdschriften als Die Freundin, Frauenliebe, Garconne, Ledige Frauen, en BIF (Blatter fur ideale Frauenfreundschaft) die in de schappen van elke kiosk lagen. De Garconne had een oplage van tienduizend, de oplage van het meest gelezen Die Freundin moet nog hoger zijn geweest. De door de seksuoloog Magnus Hirschfeld opgerichte Bund fur Menschenrecht die zich inzette voor de emancipatie van homoseksuelen telde 48.000 leden in Duitsland, waaronder 1500 vrouwen. Het schijnt zelfs dat een aantal homoseksuele mannen en vrouwen in 1927 ijverden voor de oprichting van een 'homoerotische Freiheitpartei’.
De door Claudia Schoppmann geinterviewde vrouwen vertellen in heimwee gedrenkte verhalen over het bar- en dansleven in het Berlijn van de jaren twintig. De communiste Hilde Radusch herinnert zich nog levendig de Toppkeller aan de Schweringstrasse, waar de Waschetanz, de 'lingeriedans’ populair was: 'De rokken waren in die tijd natuurlijk vrij lang, en daaronder droeg je onderrokken met kant. Er werd dus gedanst, je mocht je rok zo'n beetje optillen, en dat was vreselijk sexy. Dan kwam de polonaise, waarbij je over de stoelen in de gang heen moest klimmen om ten slotte je felbegeerde kusje te krijgen. Dat was zo opwindend dat vrouwen uit alle klassen daar kwamen, ook actrices.’
Ook de gevierde cabaretiere Claire Waldoff beschrijft in haar memoires de damesclub die bijeenkwam in de Toppkeller: 'Je moest drie poorten door om in het verzwegen vrouwen-eldorado te komen, entree 30 pfennig, vier musici met blaasinstrumenten speelden de verboden clubliederen. Een zaal versierd met slingers, bevolkt door schilderessen en modellen. Je zag bekende schilders van de Seine; mooie elegante vrouwen die de keerzijde van Berlijn, het beruchte Berlijn ook wel eens wilden leren kennen; en verliefde kleine kantoormeisjes; en jaloezietjes waren er en tranen aan de lopende band, en steeds weer moesten paartjes verdwijnen om buiten hun echtelijke twisten bij te leggen. (…) Ondertussen verschenen, begroet door een uitbundig hallo, de coryfeeen van die tijd: de betoverende danseres Anita Berber en Celly de Reydt en de mooie Susu Wanowsky en haar Korona.’
TOEN DE NAZI’S aan de macht kwamen was het in een klap afgelopen met het tolerante klimaat. De historici die de homoseksualiteit in nazi-Duitsland hebben bestudeerd, benadrukken dat Duitsland al voor de machtsovername homofoob was, net zo goed als het na de oorlog nog tijden homofoob zou blijven. Homoseksuelen van beiderlei kunne hebben in die tijd moeilijkheden in hun beroepsleven, moeten naar buiten toe geheimhouding betrachten. Maar die discriminatie is niet te vergelijken met de repressie van homoseksuelen in het Derde Rijk. Uiteraard werd de georganiseerde homobeweging in 1933 ontmanteld, werden de cafes en clubs gesloten of met razzia’s bedreigd, de tijdschriften verboden.
Al in 1928 bepaalde de NSDAP, op aanvraag van een homoseksuele organisatie die een stemadadvies wilde uitbrengen, haar Sexualpolitik. De stellingname ten aanzien van homoseksualiteit luidde: 'Wer gar an Mann-mannliche oder Weib-weibliche Liebe denkt, ist unser Feind. Alles, was unser Volk entmannt, zum Spielball seiner Feinde macht, lehnen wir ab, denn wir wissen, dass Leben Kampf ist und Wahnsinn zu denken, die Menschen lagen sich einst bruderlich in den Armen. (…) Wir verwerfen darum jede Unzucht, vor allem die Mann-mannliche Liebe, weil sie uns der letzten Moglichkeit beraubt, jemals unser Volk von den Sklavenkette zu befreien.’
De natuurlijke bestemming voor de 'Arische’ vrouw was voor de nazi’s echtgenote en moeder te zijn; kinderen, kerk en keuken waren haar terrein. Het parool voor meisjes was: rein blijven en rijp worden. De arbeidsdeling was seksespecifiek: mannen moesten betaalde arbeid verrichten, vrouwen, zoals bekend, bij voorkeur baren. De bevolkingspolitiek was immers op toename van het geboortecijfer gericht. Volgens Das Schwarze Korps, het orgaan van de SS, lijdt de 'echte’ vrouw diep onder het ongehuwd zijn: 'Ze lijdt echter niet aan het ontbreken van het geslachtsverkeer, maar aan het ontbreken van een kind, aan het feit dat ze haar bestemming tot moederschap niet vindt.’ Kinderloze huwelijken werden als 'nationale desertie’ bestempeld.
DAARBIJ WERD homoseksualiteit als Rassenentartung, degeneratie van het ras gezien. Bij vrouwen leidde homoseksualiteit volgens het gangbare cliche tot 'vermannelijking’. En vermannelijking was taboe. Zo moesten ook de militaristische rituelen en uniformering van de nationaal-socialistische vrouwenbonden, aldus een verontruste Goebbels, voorzichtig worden gehanteerd. Het NS-Frauenbuch stelde in 1934: 'Als in de vrouwenkleding kenmerken van geslachtsvervaging zichtbaar worden, zoals een nadruk op een smal onderlichaam en een breed bovenlichaam, waarbij dus mannelijke lichaamsvormen worden benaderd, dan zijn dat degeneratieverschijnselen van een vreemd ras, dat vijandig staat tegenover de voortplanting en dus het volk ontwricht. Gezonde rassen zullen verschillen tussen de geslachten niet kunstmatig vervagen.’
Ook Himmler hekelde de 'vermannelijking’ van de vrouw: 'Wij mogen de kwaliteit van de mannenstaat en de voordelen van het mannenverbond niet laten afglijden van ons hele leven; die gaat zo ver dat we onmogelijke dingen militariseren, dat wij niets zo perfect kunnen als mensen laten aantreden, in het gelid staan en ransels pakken. Ik ervaar het als een ramp wanneer ik meisjes en vrouwen zie - vooral meisjes - die met een volgepakt ransel door de omgeving trekken. Daar kun je misselijk van worden. Ik beschouw het als een ramp wanneer de vrouwenorganisaties, vrouwengemeenschappen, vrouwenbonden actief zijn op een gebied dat elke vrouwelijke aantrekkingskracht, elke vrouwelijke charme en waardigheid vernietigt. Ik beschouw het als een ramp wanneer wij de vrouwen zo vermannelijken dat op den duur het verschil tussen de geslachten, de polariteit verdwijnt. Dan is het nog maar enkele stappen naar homoseksualiteit.’
ONDANKS DE GROTE zorg om de 'vermannelijking’ van de vrouw die in nazi-gelederen heerste, werd vrouwelijke homoseksualiteit lang niet zo serieus genomen als mannelijke. Voor de nationaal-socialisten was de 'natuurlijke’ afhankelijkheid van de vrouw van de man dermate vanzelfsprekend en werd passiviteit zozeer als het wezen van de vrouw gezien, dat het ondenkbaar was dat vrouwen hun seksualiteit actief zelf bepaalden. Lesbianisme werd daarom niet als een groot gevaar van de volksgezondheid gezien. En bovendien, vrouwen werden in de optiek van de nazi’s vaak door verleiding homoseksueel, maar die verleiding was niet blijvend. Homoseksuele vrouwen konden altijd weer deelnemen aan het normale geslachtsverkeer en bleven dus bruikbaar voor de bevolkingspolitiek.
Eind jaren dertig ontspon zich, met het oog op een verandering van het Wetboek van Strafrecht, een juridisch debat waarin het vermeende gevaar van vrouwelijke homoseksualiteit de inzet was. De jurist Dr. Rudolf Klare pleitte in het tijdschrift Deutsches Recht voor strafbaarstelling van lesbianisme. Het politieke gevaar van de gelijkgeslachtelijke liefde tussen vrouwen lag voor hem in het afwijzen van hun natuurlijke bestemming en in de geestelijke vermannelijking, waardoor vrouwen een politieke belangstelling ontwikkelen. Daarnaast zijn de tribaden er sterk toe geneigd hun partners onder normaal voelende vrouwen en meisjes te zoeken. De criminoloog Eduard Mezger verwoordde de gangbare tegenwerpingen: mannen verspillen hun vruchtbaarheid, vrouwen veel minder; de afwijking is onder mannen sterker verbreid dan onder vrouwen; homoseksualiteit is bij vrouwen onzichtbaarder, waardoor het 'gevaar van verdorvenheid door voorbeeld’ kleiner is; de 'vervalsing van het openbare leven’ speelt bij vrouwen geen grote rol omdat ze een bescheiden rol in het openbare leven spelen. De argumenten van Mezger hebben zwaarder geteld dan die van Klare: vrouwelijke homoseksualiteit is niet officieel strafbaar gemaakt.
Hoe dan ook, het hoofdstuk over homoseksuele vrouwen en fascisme zit nog vol hiaten. Op papier lijkt het met hun vervolging reuze mee te vallen, maar de paar snippers van documenten en getuigenverklaringen die bewaard zijn gebleven zijn onrustbarend. Uit de portretten van lesbische vrouwen die Claudia Schoppmann in Ik liet mijn haar groeien en ging jurken dragen bundelde, blijkt dat de lesbiennes wel degelijk in een klimaat van angst en onderdrukking leefden. Veel vrouwen pasten hun uiterlijk aan of sloten zelfs een schijnhuwelijk om minder zichtbaar en kwetsbaar te zijn.
Annelies W. herinnert zich dat ze tijdens het Hitler-regime nog steeds met een kortgeknipte Bubikopf rondliep en een streng mantelpak, in die tijd het uniform voor lesbiennes, droeg. Ze werd op straat voortdurend uitgescholden. Een moderedactrice in Berlijn vertelt dat er in de Weimartijd over haar en haar vriendin werd gefluisterd: 'Hebben die iets samen?’ In de nazi-tijd werd het absoluut: 'Die hebben beslist iets samen!’ Haar hospita werd uitgehoord en op een dag raadde haar hoofdredacteur haar aan te trouwen omdat hij haar anders niet in dienst kon houden. Zij besloot met haar vriendin en twee homoseksuelen te gaan samenwonen, maar hokken was ook niet comform de richtlijnen van de Fuhrer. Dus trouwden zij met hun vrienden.
In het Derde Rijk bestonden nog steeds, zorgvuldig verborgen, lesbische uitgaansgelegenheden. Maar uit angst voor spionnen en razzia’s bleven veel vrouwen thuis. 'In die tijd was iedereen trouwer dan ooit’, aldus Hilde Radusch. 'Het lesbische leven speelde zich in feite alleen tussen twee partners af.’ Niet alle geinterviewde vrouwen hadden er overigens moeite mee om hun liefdesleven geheim te houden: 'Dat zijn toch dingen als tanden poetsen, intimiteiten die je voor je houdt.’
Claudia Schoppmann hoedt zich er dan ook voor lesbische vrouwen zonder meer als slachtoffer te presenteren. Tussen homoseksualiteit en een pro- of antifascistische houding bestaat immers geen verband. Schoppmann interviewt geen vrouwen die met het nazisme hebben geheuld in haar boek, wel schreef ze een aantal portretten van beroemde lesbiennes. De cabaretiere Claire Waldoff (1884-1957) weet met vallen en opstaan de nazi-tijd door te komen: ze werd tegengewerkt, haar optredens werden politiek verboden - onder meer om haar spotlied 'Hermann heesst er’, waaraan ze in een couplet dat Goering bespotte, zong: 'Rechts Lametta (medailles), links Lametta/ und der Bauch wird immer fetta/ und in Preussen is er Meester/ Hermann heesst er!’ - ze werd zelfs in een krant dood verklaard. Ze is echter te populair om echt aan te pakken. 'Er is mij niets overkomen’, schreef ze in haar memoires. 'Ik danste op de rand van de afgrond, maar niemand durfde mij erin te duwen.’
Ruth Margareta Roellig paste zicht echter verregaand aan. Nadat ze na Berlins Lesbische Frauen nog de larmoyante tendensroman Ich klage an had geschreven, publiceerde ze in 1937 de vuig nazistische roman Soldaten, Tod, Tanzerin. Selma Engeler, uitgeefster van het lesbische tijdschrift Blatter fur idealer Frauenfreundschaft, clubeigenares, mederwerkster van de bladen Frauenliebe en Freundin, beroepslesbienne kortom, bakt het nog bonter. Direct na de kaalslag van de homoseksuele cultuur door de nazi’s schrijft zij het toneelstuk Heil Hitler, dat ze de Fuhrer ook persoonlijk toezendt. Voor de Reichsschriftkammer werkt ze haar biografie zo om dat er geen graantje lesbianisme meer in te vinden is.