Ach Europa! #2 Michael Ignatieff

‘We hebben een raamwerk van tradities nodig’

De Canadese schrijver en hoogleraar internationale betrekkingen Michael Ignatieff blijft hoopvol over Europa. Zelfs nu zijn Centraal-Europese Universiteit is verdreven uit het Hongarije van Orbán. ‘Europa is het museum van de wereld geworden.’

© Patrick Post / HH

‘Het donkere verhaal dat we nu overal zien, dat zo veel stemmen trekt in landen in heel Europa, zegt in essentie: de toekomst is voorbij. Maar de toekomst is nooit voorbij’, zegt Michael Ignatieff halverwege het gesprek in Amsterdam. Het is een nuchtere vaststelling, maar in Europa wordt daar niet overal zo tegenaan gekeken. Een van de belangrijkste leden van de Europese Unie is onderweg naar de uitgang. In Brussel wordt met angst en beven vooruitgekeken naar de volgende Europese verkiezingen, over amper twee maanden. En sommige lidstaten worden steeds onvrijer en steeds vijandiger ten opzichte van de unie waar ze lid van blijven.

Nog niet zo lang geleden sprak ook Ignatieff zelf nog omineuze woorden. ‘De toekomst van Europa staat op het spel’, zei hij afgelopen september in het Europees Parlement in Brussel. De parlementsleden moesten toen beslissen over een strafprocedure die de Europese Unie kan starten tegen landen die ‘aanhoudend tegen de grondbeginselen van de Europese Unie ingaan’. Dat land was Hongarije, en een van de zaken waar andere Europese landen zich aan stoorden was de manier waarop de Hongaarse regering de Centraal-Europese Universiteit (ceu) in het nauw dreef: de universiteit waar Michael Ignatieff rector is.

De ceu wordt dwarsgezeten door de Hongaarse overheid omdat de universiteit is opgericht door de Amerikaanse financier George Soros. En Soros is het mikpunt van een campagne door de Hongaarse regering van premier Viktor Orbán, leider van de rechts-conservatieve partij Fidesz en held van alt-rechts in heel Europa. Vooralsnog is alt-rechts klein in het Europees Parlement, en de strafprocedure tegen Hongarije kwam er dan ook. Maar dat hielp de ceu uiteindelijk niet. Nadat Hongarije besloot dat de universiteit geen diploma’s meer mag uitgeven in Hongarije, maakte Ignatieff in december bekend dat zijn universiteit komende zomer naar Wenen verhuist.

‘Wat vertelt je dat over het Europa van nu?’ vraagt Ignatieff, voorafgaand aan een lezing in De Balie in Amsterdam. ‘De regering wil ons weg hebben omdat Soros een liberaal is, een vluchteling die gelooft in een genereus migratiebeleid. Hij is ook een jood en een holocaust-overlever. Wij zaten 25 jaar in Boedapest, als school, niet als politiek instituut. Dat een lid van de Europese Unie een universiteit uit zijn land kan dwingen, alleen omdat het de politieke oriëntatie van zijn oprichter niet bevalt, vertelt je veel over het moment waarop we nu zitten. En het vertelt je ook veel over wat voor gemeenschap Europa is.

Europa is zowel een waardengemeenschap als een gemeenschappelijke markt. De EU is meedogenloos waar het de verdediging van de markt betreft, vraag het de Grieken maar, of de Britten. Maar zo spijkerhard als de Europese landen zijn waar het de verdediging van hun belangen betreft, zo zwak is Europa in het verdedigen van zijn waarden. Dat is de kritieke vraag die bij kwesties op tafel ligt als de omgang van de Europese Unie met Hongarije. Hoe stelt Europa zich teweer als het gaat om de rechtsstaat, om academische vrijheid. Wil het zich, en kán het zich zo verdedigen als wanneer zijn economische belangen op het spel staan?

Het is volledig voorstelbaar dat we naar een Europa gaan dat half vrij is en half democratisch. Nog steeds een gemeenschappelijke markt en vrij verkeer van personen, maar met de helft van de regeringen ondemocratisch van aard. Ik zeg niet dat dit zal gebeuren, maar het is een voorstelbare Europese toekomst. En dat is niet zoals het oorspronkelijk bedoeld was. Europa zou een gemeenschap van waarden en belangen zijn. Ik maak me nu zorgen dat Europa het vermogen verliest – als het dat ooit had – om zijn waarden te herstellen.’

Michael Ignatieff is geen Europeaan, hoewel misschien een halve. Zijn grootmoeder van vaders kant was een Russische prinses, zijn grootvader een graaf en een belangrijk adviseur en minister van de laatste tsaar. Na de Russische Revolutie in 1918 werd graaf Ignatieff gevangen gezet en weer vrijgelaten, waarna hij met zijn gezin naar Canada vluchtte. Daar groeide Ignatieffs vader George op, die eerst diende in het Canadese leger in de Tweede Wereldoorlog, en daarna diplomaat werd. Hij was onder meer Canadees ambassadeur bij de Navo, bij de Verenigde Naties en in Joegoslavië.

Vanaf zijn elfde ging Michael naar kostscholen in Canada en daarna volgden studie en promotie aan een reeks universiteiten: Toronto, Oxford en Harvard. Vanaf zijn dertigste woonde Ignatieff meer dan twintig jaar in Engeland, verbonden aan de universiteit van Cambridge maar vooral bekend om zijn journalistieke werk: als columnist voor The Observer, documentairemaker voor de bbc en freelance verslaggever van de oorlogen in voormalig Joegoslavië. Hij schreef daar drie boeken over, waaronder The Warrior’s Honour, naast twaalf andere boeken over politiek, geschiedenis en filosofie, en drie romans. Ook schreef hij essays, praatte op radio en tv over internationale kwesties, verscheen op het omslag van bladen en werd een van de zichtbaarste public intellectuals van de jaren negentig.

De oorlogen in voormalig Joegoslavië en de genocide in Rwanda hadden van Ignatieff een overtuigd pleitbezorger van humanitaire interventie gemaakt. Het leidde tot wat vriend, vijand en hijzelf als zijn grootste beoordelingsfout zouden beschouwen: steun aan de invasie van Irak in 2003. In 2000 was Ignatieff teruggekeerd naar Canada. Daar werd hij verkozen in het parlement en werd hij in 2009 gekozen tot leider van de centristische Liberal Party. Na een slecht verkiezingsresultaat in 2011 stapte hij weer op. In de jaren daarna doceerde hij in Toronto en aan Harvard, om in 2016 te landen bij de Centraal-Europese Universiteit in Boedapest.

‘Ik verzet me tegen extremisme dat wordt aangemoedigd door apocalyptische verhalen’

Daar is Ignatieff betrokken geraakt bij een conflict dat hij beschouwt als een slag om de ziel van Europa. ‘Er is in Europa een christelijk conservatisme type twee opgekomen, die je prominent ziet in Polen en Hongarije. Het is een vreemd fenomeen: Hongarije was nooit een bijzonder christelijk land in vergelijking met andere Europese landen, en je ziet dat christendom nu eigenlijk een synoniem is voor anti-islamitisch en conservatieve familiewaarden, niet voor het christendom op zich. En dat krijgt achttien, twintig procent van het electoraat in heel wat landen. Die ideologie controleert nu twee Europese regeringen, en het potentieel is groter.

Het christelijk conservatisme versie één is nu bijna vergeten. Dat is het conservatisme van Adenauer en De Gasperi, een christendom dat sterk verbonden was met de rechtsstaat, democratie en vrije markt. De huidige versie twee is veel verder naar rechts geschoven. Er is een gevecht gaande tussen een progressief-liberale visie op Europa en die van christelijk conservatisme versie twee, maar ook een gevecht tussen deze nieuwe versie en de oudere christelijk-democratische traditie. Ik kan niet inschatten hoe dit gaat lopen. Je leest vaak dat de demografie aan de zijde van de progressief-liberale visie is. Veel jongeren worden nog steeds aangetrokken door het perspectief van een verenigd, democratisch Europa. Maar het christelijk conservatisme versie twee, van Fidesz en anderen, heeft erg veel jonge aanhangers. Het is helemaal niet zeker dat een progressieve visie de slag om de jonge generatie wint.’

© Patrick Post / HH

Als progressief-liberaal was Ignatieff net zo zelfvoldaan als anderen, zegt hij, overtuigd dat hij aan de juiste zijde van de geschiedenis stond, aan de juiste zijde van de toekomst. Wel had hij naar eigen zeggen minder vertrouwen in de onstopbare opmars van democratie, door wat hij in Europa zag. ‘Vanaf 1991 versloeg ik over een tijdspanne van tien jaar de oorlogen in voormalig Joegoslavië. Democratie betekende daar zelfbestuur; zelfbestuur betekende etnisch meerderheidsbestuur; en dat betekende etnische verdrijving en zuivering.’ En toch, zegt Ignatieff, heeft hij de erfenis van het communisme in Oost-Europa onderschat.

‘We willen altijd dat de geschiedenis onze dromen en illusies bevestigt. Dat is heel menselijk. Ik kan me herinneren hoe mensen huilden van blijdschap toen de Muur in 1989 viel. Het is zinloos om dat nu naïef te noemen; het wás ook de bevrijding van miljoenen mensen. Maar we begrepen toen het gewicht van de eenpartijtradities in Oost-Europa niet. Als een land alleen eenpartijbestuur heeft gekend en de mensen krijgen stemrecht, zullen velen dat gebruiken om eenpartijbestuur terug te krijgen. De politieke cultuur van die landen is veel moeilijker te veranderen dan iedereen zich realiseerde. In Rusland, Hongarije, Polen, de Tsjechische Republiek, heeft de geschiedenis een koppige terugkeer gemaakt.

Het is een illusie om te denken dat een zuivere breuk met de geschiedenis mogelijk is. 1989 moedigde die illusie aan, om te denken: nieuwe wereld! Er is nooit een nieuwe wereld, de oude houdt altijd stand, en muteert heel langzaam. We zijn allemaal op zoek naar een narratief, een verhaal waarmee we onze tijd kunnen begrijpen. We geloofden in het optimistische Fukuyama-verhaal dat er een mars van vrijheid zou beginnen. Nu hebben veel Europeanen dat optimistische verhaal ingeruild voor een veel pessimistischer verhaal: dat de wereld uit elkaar valt, dat de op liberale regels gebaseerde orde afbrokkelt, dat de democratie uitholt, dat autoritarisme opkomt en kapitalisme in crisis is. En alle ingrediënten van het verhaal lijken deels waar.

Dat donkere verhaal, dat zo veel stemmen trekt in heel Europa, zegt in essentie: de toekomst is voorbij. Maar de toekomst is nooit voorbij, niet in Hongarije, Polen, of West-Europa. Ik zie er uiteindelijk hoop in dat mensen elkaar zulke donkere verhalen vertellen. Want de toekomst wordt altijd gemaakt door mensen die wanhopig zijn. Door mensen die zeggen: we zitten op een dood spoor, ons verhaal ligt in duigen, we moeten een andere weg vinden.

Zelf zou ik nooit op zo’n manier aan verandering willen bijdragen. Ik heb een bepaalde leeftijd bereikt waarop de problemen van de toekomst niet meer mijn problemen zijn maar die van nieuwe generaties. Ik wil hun niet vertellen: geloof de donkere narratieven, want die geven tenminste vorm aan deze tijd. Het donkere narratief wordt actief gepropageerd door mensen met macht, door Trump en Orbán. Maar het donkere narratief is vaak net zo’n illusie als het hoopvolle. Het is belangrijk dat mensen dat begrijpen.

En ik geloof ook niet dat de geschiedenis zich herhaalt, hoe koppig de geschiedenis ook kan zijn. Mensen zeggen het wel: dat we het heden kunnen begrijpen door naar de jaren dertig te kijken. Maar als we dit gesprek in de jaren dertig hadden gehad en naar buiten keken, hadden we mensen in lompen gezien en bedelaars. Het fascisme kwam toen bendes werkloze arbeiders met elkaar vochten. Ik zie dat scenario niet. We hebben het over de rijkste samenlevingen die de wereld ooit heeft gekend, met zoveel meer kennis om de problemen die we tegenkomen aan te pakken. Ik maak me evenveel zorgen als wie dan ook, maar ik verzet me tegen extremisme dat wordt aangemoedigd door apocalyptische narratieven. Ik wil er niet aan meedoen.’

‘West-Europa moet oppassen voor “o, die arme Polen en Hongaren, ze zijn wat primitiever”’

Ignatieffs laatste boek is The Ordinary Virtues, waarin hij op zoek gaat naar deugden die over de hele wereld gelijk zijn. In dat boek beschrijft hij hoe over de hele wereld oude patronen verdwijnen, en hoe mensen die proberen opnieuw vorm te geven in een nieuwe omgeving. Europa is een van de plaatsen waar dit volgens hem bij uitstek zichtbaar is.

‘Toen ik jong was, in de jaren vijftig en zestig, was er een grote cult van het modernisme, een cult van nieuwe technologie en architectuur, een cult van de toekomst. Alles moest nieuw. Liberalisme heeft daarmee te maken: het moderniseren van de familie, cultuur, de samenleving. Dat moeten we nu ondervragen, en benadrukken dat datgene wat oud is, ook een samenleving bijeenhoudt.

Ik heb dat mijn leven lang in Europa gezien. Nu bijvoorbeeld in Nederland, een land dat grondig is veranderd sinds 1940. Een land dat bezet is geweest, dat collaborerend was bij de vernietiging van zijn joodse bevolking. Het was een koloniale macht, het was arm. Sindsdien is Nederland stuipachtig veranderd: enorme economische groei, verlies van het koloniale rijk, heropbouw, de waarheid van de Tweede Wereldoorlog onder ogen zien, intrede in de Europese Unie. En toch voel je de enorme kracht van de Nederlandse samenleving. Ik was in Maastricht om een eredoctoraat in ontvangst te nemen. De professoren in toga’s, de studentvrijwilligers: je voelt de tradities die de samenleving bijeenhouden. Ook nu het op veel plaatsen een multiculturele en multi-etnische samenleving is.

Misschien word ik oud, maar ik denk dat we tradities nodig hebben, om een raamwerk te bieden waarin veranderingen kunnen plaatsvinden. Modern liberalisme is vaak minachtend geweest over tradities en haalde zowel immaterieel erfgoed als gebouwen uit het verleden liever neer dan ze te renoveren. Nu realiseren we ons dat het verleden via tradities en stenen tot ons spreekt, terwijl populisten een monopolie proberen te krijgen op de trots die het verleden geeft. Maar als tradities werken, zijn ze niet gepolitiseerd.’

Ignatieff laat een stilte vallen. ‘“Mensen hebben een raamwerk van tradities nodig.” Ik hoor mezelf dat soort dingen zeggen die je alleen zegt als je een bepaalde leeftijd bereikt, maar ik denk dat het waar is.

Landen zoals Nederland, die al lang democratieën zijn en al lang stabiele grenzen hebben, hebben het makkelijker om veranderingen in een raamwerk van tradities te passen. Maar dat is geen reden om jongere democratieën op te geven. India en Indonesië zijn geen perfecte democratieën, maar ze hebben zich wel geconsolideerd na imperiale overheersing. Ook in Hongarije en Polen is het werk in uitvoering. West-Europeanen moeten oppassen voor arrogantie, voor “o, die arme Polen en Hongaren, ze zijn wat primitiever, ze hebben niet hetzelfde democratische instinct dat wij hebben”. Als democratische tradities zwak zijn in een land, betekent dat niet dat democratie er niet kan werken. Dat schrijft de toekomst te makkelijk af. Noem me daarin niet naïef, liever hoopvol.’

The Ordinary Virtues begint met een beschrijving van de Schotse immigrant Andrew Carnegie, die rond 1850 in Pennsylvania begon te werken als telegrafist, zich opwerkte tot staalmagnaat en een van de rijkste mensen in de geschiedenis, en die zijn fortuin besteedde aan het bereiken van eeuwige vrede op aarde. Ignatieffs beschrijving van Carnegie, die nog net de Eerste Wereldoorlog mocht meemaken, is een ode aan de naïviteit. Inmiddels heeft Ignatieff van dichtbij nog zo’n filantroop als Carnegie aan het werk gezien: George Soros, wiens streven naar open samenlevingen hem een van de meest aangevallen personen van de wereld heeft gemaakt.

‘Zijn pogingen om de wereld te veranderen hebben inderdaad hun eigen terugslag gecreëerd. Ik bewonder aan Soros dat hij zijn naïviteit voortdurend benoemt en bevraagt: hij is kritisch over wat hij dacht te kunnen bereiken in Zuid-Afrika, Rusland, China en nu in Hongarije. Evengoed heeft hij extreem waardevol werk gedaan, niet zozeer in het promoten van democratie, maar in datgene wat democratie nodig heeft. Ik ben verbijsterd over de mate waarin hem dat de publieke vijand nummer één heeft gemaakt voor conservatief rechts in de hele wereld. Het is flagrant hoe die haat inspeelt op antisemitisme. Ik dacht dat we in een nooit-weer wereld leefden, maar dat is niet zo.

Daarin ben ik wel teleurgesteld in Europa. Zoals ik al eerder zei: Europa is veel vastberadener in het verdedigen van zijn belangen dan van zijn waarden, en academische vrijheid is een waarde. We hebben weinig hulp gehad van Europese staten, of van Europese instellingen, dat is een simpel feit. We moesten het alleen doen. We kregen wel steunbetuigingen, maar er was een groot gat tussen woorden en daden. Ik schrijf de Europese Unie niet af, maar ik ben sceptischer over de Unie dan drie jaar geleden.

Dat geldt voor de Unie, niet voor Europa als geheel. Europa is het museum van de wereld geworden, een plaats waar mensen vanuit de hele wereld naartoe komen om er tijd door te brengen. Je wordt gek van de toeristen in deze stad, maar ze zijn hier omdat ze iets authentieks ervaren, iets dat reëel is aan het verleden, dat mooi is en dat zij aanvoelen als waardevol. Europa beschikt in die zin over een waardevol kompas.

Het is heel goed dat dat kompas de moderniteit heeft overleefd. Ik hou van de moderniteit die wordt gerepresenteerd door smartphones en door alle kennis die nu circuleert, en de moderniteit die verbonden is met persoonlijke vrijheid, die mensen in staat stelt om open te zijn over wie ze zijn. Maar klimaatverandering heeft duidelijk gemaakt hoe destructief de hoop is geweest die we in de moderniteit hebben gesteld. We zien nu overal een debat over hoeveel moderniteit we willen, hoe snel we willen dat het komt, of we deze lawine van veranderingen kunnen controleren voor het alles wegvaagt op zijn pad. Dat zijn vragen waar we mee worstelen.

Maar ik ben daarin hoopvol over Europa, hoopvol over de balans die Europeanen proberen te maken tussen het verleden behouden en de toekomst voorbereiden. Ik ben niet pessimistisch. Ik ben het mijn leven lang niet geweest en ik ben het ook nu niet.’