Boekenweek: Het nieuwe uitgeven

‘We hebben geen grachtenpand’

Hoe kan het bestaan dat in sombere tijden voor het boekenvak er telkens nieuwe, kleine uitgeverijen opduiken die ook nog overleven?

Medium 11258619

‘Uitgeven is niet moeilijk’, zegt Luc de Rooy van de onafhankelijke literaire uitgeverij Karaat. ‘Je pakt een tekst, laat hem drukken en probeert hem in boekvorm te verkopen.’ De woorden klinken bijna even laconiek als die waarmee uitgever Thomas Rap graag zijn metier mocht samenvatten: ‘Een uitgever kan niets. Niet schrijven, niet drukken, niet boekbinden, niets.’ Valse bescheidenheid natuurlijk, want de als kleine zelfstandige uitgeverij begonnen Rap bestaat, als onderdeel van een concern, nog steeds en De Rooy timmert met zijn Karaat sinds drie jaar stevig aan de weg.

En dat is opmerkelijk, in een tijd die wordt gekleurd door sombere berichten uit het boekenvak. Forse omzetdalingen (ruim dertig miljoen euro in 2012, volgens NRC Handelsblad), gestaag terreinverlies van het boek ten opzichte van televisie en internet, bedreigde boekhandelketens, met als gevolg krimpende of samengevoegde uitgeverijen en zelfs gedwongen ontslagen. Maar ondanks de mineurstemming zijn de goed bezochte literaire avonden niet te tellen en duiken er naast de gevestigde uitgeverijen om de haverklap nieuwe namen op: Karaat, Babel Voss, Gibbon, Marmer, Bertram + De Leeuw, De Kring, Nobelman, om er slechts een paar te noemen. Vorige week voegde zich de eerste, veelbelovende, digitale uitgeverij Fosfor toe aan het uitgeversbestel. De vraag dringt zich op: waarom? Waarom beginnen ze een bedrijf in een sector die volgens velen in zwaar weer verkeert?

Luc de Rooy wil meteen benadrukt hebben dat er absoluut geen sprake is van een David-versus-Goliath-gevoel ten opzichte van de gevestigde uitgeverijen. ‘Niet die trant van “zij-zijn-groot-en-slecht-en-wij-zijn-verfijnd-en-goed”.’ Maar toen hij en zijn compagnon Bart Kraamer in 2008 de eerste ideeën op papier zetten, stond voorop dat de uitgeverij vooral ‘klein’ moest zijn. ‘We zagen dat grotere uitgeverijen het moeilijk hadden en we konden de vinger op de zere plek leggen: ze gaven te veel boeken uit.’

Dat is geen nieuws, er wordt door boekhandelaren, recensenten en consumenten al jarenlang geklaagd dat er te veel verschijnt, maar De Rooy stipt nog een ander, minder belicht gevolg van de overproductie aan: al die boeken moeten eerst intern aan de man worden gebracht. Tijdens aanbiedingsvergaderingen presenteren redacteuren en uitgevers hun nieuwe titels aan de vertegenwoordigers en pr- en marketingmedewerkers. Powerpoint, filmpjes, ingevlogen auteurs: alles wordt in het werk gesteld om de collega’s van zo veel mogelijk informatie te voorzien. Maar onthoud die informatie maar, van zo’n vijftig nieuwe titels per aanbieding.

‘Onze ervaring bij onze vorige werkgevers was dat lang niet alle werknemers de boeken kenden die we uitgaven. En dus konden ze er ook niet vol enthousiasme over praten. Zo belandden automatisch veel titels al bij voorbaat buiten de schijnwerpers’, zegt De Rooy. Het is de belangrijkste reden dat Karaat maar vier of vijf titels per jaar wil uitgeven: aandacht. Niet alleen aandacht voor het redactieproces, maar ook de persoonlijke aandacht van de uitgevers als het gaat om de relaties met de pers en de inkopers van boekhandels.

Dat geldt ook voor de collega’s van Babel Voss, de uitgeverij die in 2010 werd opgericht door ex_-NRC-_journalist en ex-Meulenhoff-­uitgever Reinjan Mulder en de jonge journalisten/schrijvers Daniël van der Meer en Daan Heerma van Voss. Van der Meer liep ooit stage bij een concernuitgeverij: ‘Er was een voortdurende druk. Boeken moesten af zijn, omdat anders de winkels zogezegd hun vertrouwen in de tijdige levering zouden verliezen. Een extreem voorbeeld van de gevolgen daarvan was meteen het eerste manuscript dat ik begeleidde. Ik vond enkele hyperlinks in de tekst en toen ik het door een plagiaatmachine van de universiteit liet halen, bleek dat er grote delen waren gekopieerd van Wikipedia. Maar tijd om de tekst te herschrijven was er niet.’ Op het gebied van marketing ziet hij ook voordelen van het opereren op een kleinere schaal: ‘Het is misschien een detail, maar als wij benaderd worden door een leesclub kunnen we altijd meteen reageren. We krijgen vaak te horen hoe zeldzaam dat is bij andere uitgeverijen.’

Karaat en Babel Voss vormen hun fondsen rond ‘kwetsbare’ genres: literaire (vertaalde) romans, essays, verhalen, poëzie. Het zijn de kleinere, niet schreeuwerige titels die steeds minder dreigen te verkopen omdat de meeste aandacht bij de grotere uitgeverijen en boekhandelketens nu eenmaal uitgaat naar de in potentie commercieelste titels: thrillers, waargebeurde verhalen, Bekende Nederlanders, sport. De Rooy: ‘De titels die we tot nu toe op de markt hebben gebracht zijn boeken die andere uitgevers te riskant vonden.’ De eerste twee boeken van de Chileen Alejandro Zambra waren novelles, het debuut van Valeria Luiselli was een essaybundel en Charles d’Ambrosio schrijft korte verhalen. Maar het werkt: de recensies zijn unaniem lovend, (zelfstandige) boekhandelaren zijn enthousiast en de Karaat-auteurs worden regelmatig herdrukt. Het geheim? ‘Onze keuze is gebaseerd op onze eigen leeservaring’, zegt De Rooy. ‘Vinden wij een titel veel beter dan standaard, dan komt hij in aanmerking voor Karaat. Want als ze ons opvallen, dan vallen ze een recensent ook op, en daarna de boekverkoper en de lezer. Geef je zo’n boek vervolgens goed verzorgd en met een mooi omslag uit, dan kan het niet meer mis gaan.’

Een open deur? Romantisch? Wellicht, maar hoe eenvoudig de filosofie ook is, het lijkt een van de weinig valide basisvoorwaarden om een uitgeverij te willen beginnen. Daniël van der Meer denkt er althans niet heel anders over. ‘Het belangrijkste is: vinden we een boek mooi? En dan: kunnen we het ons veroorloven – wat iets anders is dan: is het een winstgevende titel? Zeezwijgen van Nicol Ljubic was onze eerste aankoop. Niemand kende hem, het boek was net uit in Duitsland. Reinjan vond het zo goed dat hij meteen een bod deed. Dankzij de mooie recensies en de leesclubs hebben we het prima verkocht.’

Kun je eigenlijk leven van ‘prima verkocht’? De uitgevers doen er niet moeilijk over: op dit moment zijn ze in staat hun uitgeverijen draaiende te houden, dat wil zeggen dat ze nieuwe titels kunnen aankopen en iedereen die meewerkt keurig betalen: freelance correctoren, vormgevers, drukkers, vertalers. Het zijn, kortom, uzp’ers, uitgevers zonder personeel, en dat is ten opzichte van de grotere uitgevers meteen een van de voornaamste wapens om de turbulente tijden te doorstaan. Van der Meer: ‘We hebben geen grachtenpand, geen grote voorraden bij het Centraal Boekhuis, geen schoonmakers en we zijn geen onderdeel van een concern waarvan de aandeelhouders eerst moeten worden betaald voor er winst gemaakt kan worden.’

De vaste lasten leggen een grote druk op menige uitgever, vooral nu zogenaamde midlisttitels – tussen de vijf- en tienduizend verkochte exemplaren – zeldzaam zijn geworden en er van titels waarvan er enkele jaren geleden nog 2500 tot 3000 exemplaren werden verkocht, nu niet eens duizend worden verkocht. Dat is ternauwernood genoeg om de productiekosten te dekken, maar bij lange na niet de tijd die een uitgeverij eraan besteedt in de vorm van personeel. Om de verschillen nog enigszins goed te maken goochelen sommige uitgevers met de prijs, iets waar Karaat en B principieel tegen zijn: ze houden de verkoopprijs zo laag mogelijk. Karaat rekent tussen de twaalf en negentien euro, Babel Voss houdt de verkoopprijs maar liefst op tien euro. Het is dan ook logisch dat de grotere partijen liever tijd en aandacht steken in nog meer commerciële titels waar de omzet en eventuele winst mee moet worden behaald. Het gevolg is dat de kwetsbare genres verder in de verdrukking komen, wat dan weer kansen biedt aan nieuwe spelers voor wie omzet iets minder belangrijk is dan de literaire waarde.

Keerzijde is dat Karaat en Babel Voss hun eigen inspanningen nog niet kunnen honoreren. De Rooy: ‘We betalen onszelf geen loon. Natuurlijk willen we miljonair worden, maar geld is gewoon niet het belangrijkste.’ Hun collega’s van Gibbon Uitgeefgenootschap hebben eind vorig jaar wel het eerste dividend aan zichzelf uitgekeerd. Een bescheiden bedrag, maar toch. Het vooral in fictie en non-fictie gespecialiseerde Gibbon bestaat nu pas twee jaar en had recent succes met Martin Schoutens roman Het palingoproer en de autobiografie van ex-minister van Financiën Johannes Witteveen. ‘Wat me zo opvalt’, zegt uitgever Gert Jan de Vries, ‘is de staat van angstige afwachting waarin veel mensen in het boekenvak verkeren. Niemand weet precies wat er gaat gebeuren. Er zijn echter genoeg kansen – op het gebied van directe verkoop, e-books, het gebruik van sociale media – en die zijn voor een kleine, wendbare uitgeverij soms makkelijker te grijpen dan voor een traditionelere partij. Je moet voortdurend flexibel kunnen zijn.’ Net als hun collega’s van Karaat en B plaatst Gibbon vraagtekens bij traditionele methodes van het uitgeversvak. Nog steeds maken uitgevers bijvoorbeeld drie keer per jaar dikke aanbiedingsfolders waarin de nieuwe titels van het seizoen worden aangekondigd. ‘Onvoorstelbaar’, vindt Daniël van der Meer. ‘Er wordt zo krankzinnig veel tijd besteed aan die dingen, redacteuren zijn er weken mee bezig. Ze kosten verschrikkelijk veel geld, terwijl de meeste boeken die erin staan nog geschreven moeten worden; het is voornamelijk nattevingerwerk.’

Ook andere traditionele kosten worden gemeden, zoals advertenties. Niemand heeft ooit de effecten van een postzegelgrote advertentie in de krant kunnen meten; de algemene indruk is dat ze vooral worden geplaatst om de auteur een plezier te doen. In plaats daarvan wordt veel tijd besteed aan het onderhoud van het sociale-medianetwerk, een veel goedkopere en inmiddels ook vaak doeltreffender manier om het gewenste publiek te bereiken. Babel Voss schafte ten slotte zelfs het eeuwige recensie-exemplaar af: bij verschijning van de roman van Ljubic kregen de recensenten een boekenbon thuisgestuurd, waarmee ze een exemplaar in hun favoriete boekwinkel konden afhalen. Niet alleen scheelt het enorm in de kosten, maar ook de belangrijkste partner, de boekhandel, is blij.

‘Het grappige is natuurlijk dat aan de selectiviteit – in het bepalen van je fonds, in de manieren waarop je dat in de markt zet – niks nieuws kleeft’, zegt De Vries. ‘Het is eerder ouderwets. Uitgevers hebben de boekenmarkt de afgelopen decennia enorm opgepompt, maar in een krimpende markt kan dat niet meer.’ De Rooy beaamt dat wat Karaat doet in wezen de kern van het vak is: aandacht en liefde geven aan de titels die je de moeite waard vindt. En het werkt, want welke essaybundel van een onbekende buitenlandse schrijver beleeft binnen twee maanden een herdruk? Valeria Luiselli bijvoorbeeld, van Karaat. De Rooy en Kraamer zien een voorbeeld in uitgeverijen als Cossee, Van Oorschot, Podium en De Harmonie.

Allemaal hebben ze het idee dat het voor de concernuitgeverijen moeilijk zal zijn om het tij te keren. Van der Meer: ‘Wil de uitgeverijwereld moderniseren, worden wakker geschud, dan moet dat door externen gebeuren.’ En er komen meer externen, voorspelt De Rooy: ‘Ik hoorde al van twee soortgelijke projecten als Karaat die in 2014 van start willen gaan.’ De concernuitgeverijen weten ook wel dat schaalverkleining en focus de sleutel tot overleven is, want inside every fat publisher is a thin one screaming to get out. Het diëten is inmiddels in volle gang en hun nieuwe collega’s zouden voor een extra motivatie kunnen zorgen. ‘Het zijn echt geen kwade geniussen’, zegt Van der Meer tot slot, ‘maar het kritisch en innovatief vernuft is soms ver te zoeken. Daardoor verandert er zo weinig, zijn er nog steeds geen normale e-books in Nederland en zijn papieren boeken veel te duur. Boeken worden te veel beschouwd als een soort goed doel, als iets wat gesteund moet worden, in plaats van een onontbeerlijk en natuurlijk onderdeel van het leven.’ Niks nieuws. Wel verfrissend.