40 jaar na de Iraanse revolutie 2 De vrouwenstrijd

‘We hebben geen revolutie gemaakt om achteruit te gaan’

Sinds de machtsovername van Khomeini in 1979 dragen Iraanse vrouwen verplicht de hijab en ondergaan zij andere vormen van sekse-apartheid. Tegelijkertijd traden zij de afgelopen decennia in groten getale toe tot arbeidsmarkt en universiteit.

De Rey Traditional-bazaar in de buurt van het heiligdom voor sjah Abdol Azim in Teheran © Arash Khamooshi / The New York Times / HH

Vrijheid is noch oosters, noch westers, maar universeel!’ scandeerden Iraanse vrouwen op en rond 8 maart 1979. Aan één Internationale Vrouwendag hadden ze niet genoeg. Dagenlang voerden ze actie om te laten weten dat het postrevolutionaire Iran een land moest worden waar vrouwen willen wonen. Hoogtepunt van de protesten was een lange mars van de Universiteit van Teheran naar het Plein van de Vrijheid. Meer dan honderdduizend vrouwen demonstreerden voor gelijke rechten, gelijke kansen, kinderopvang en andere kwesties waarvoor feministen wereldwijd barricaden beklommen, maar het onderwerp dat de gemoederen het heftigst bezighield was de verplichte hijab.

Het is onwaarschijnlijk dat de opkomst even massaal was geweest als ayatollah Khomeini daar niet over was begonnen. In de aanloop naar die 8ste maart zei hij dat vrouwen binnen afzienbare termijn alleen nog in het openbaar gezien mochten worden als ze een hoofddoek droegen. Nauwelijks een maand was hij terug in Iran of hij begon al met het afkondigen van maatregelen om zijn conservatieve aanhang tegemoet te komen, met de sluier voor vrouwen als belangrijk symbool.

Veel vrouwen die tegen het hijabgebod demonstreerden hadden deelgenomen aan de protesten die islamitische revolutie gingen heten nadat de uit ballingschap teruggekeerde Khomeini leiding begon te geven aan het nieuwe Iran. Ze waren erbij geweest toen de ene in bloed gesmoorde manifestatie tegen het bewind van sjah Mohammad Reza Pahlavi de andere uitlokte, ze hadden pamfletten uitgedeeld met de namen van doodgeschoten jongens en meisjes en de oproep in verzet te komen, ze hadden mee gediscussieerd over plannen voor nog meer acties tegen de dictatuur, en ze hadden zich op z’n minst geïdentificeerd met moedige jonge vrouwen die bloemen uitdeelden aan militairen die waren gestuurd om vreedzame anti-sjahbetogingen met tanks en machinegeweren te beteugelen.

Nadat het bewind van de sjah was verjaagd hadden ze hoge verwachtingen van dat nieuwe Iran. Hun revolutie zou ervoor zorgen dat kennis, macht en inkomen eerlijk zouden worden verdeeld over alle mensen en dat het veel gebezigde woord vrijheid betekenis zou krijgen voor beide seksen. Een van hun favoriete leuzen: ‘We hebben geen revolutie gemaakt om achteruit te gaan.’

Vrouwen van divers pluimage sloten zich aan bij de demonstraties van maart 1979. Van in het buitenland tot wasdom gekomen linkse en feministische studentes die in de loop van ’78 naar Iran waren teruggekeerd om mee te doen met de revolutie tot ongeletterde huisvrouwen die voor het eerst van hun leven de straat op gingen om iets te eisen, en van schoolmeisjes uit het welvarende noorden van Teheran die zelden een chador hadden aangeraakt tot oudere vrouwen die uit gewoonte nooit zonder haarbedekking hun echtelijke woning zouden verlaten. Veel demonstrerende vrouwen met hoofddoek of chador waren minstens zo vastberaden als de vrouwen met losse haren. Door Khomeini’s hoofddoekgebod voelden ook zij zich belazerd. Voor hen had hun hijab juist betekenis omdat ze daarmee uitdrukking gaven aan hun vrije keuze voor de islam. ‘Ik wil dat mijn dochters ook zelf kunnen kiezen’, zei een van die vrouwen tegen een feministische tv-ploeg uit Frankrijk. ‘Als Khomeini zo doorgaat, wil ik niet langer moslim zijn.’

Het waren woorden naar het hart van de documentairemaaksters en van een andere naar Iran afgereisde westerse feministe, de in 2017 overleden Amerikaanse schrijfster en activiste Kate Millett. Samen met de fotografe Sophie Keir, haar geliefde, ging ze in op het verzoek van Iraanse vrouwen aan internationaal bekende feministen om naar Teheran te komen. In haar boek Going to Iran deed ze verslag van haar dagen in Iran, waaraan een einde kwam toen ze op 18 maart het land werd uitgezet vanwege ‘provocaties tegen de islamitische revolutie’.

Going to Iran is een beklemmende terugblik op Milletts verblijf in de islamitische republiek in wording. Momenten van euforie die ze beleeft als ze zich tijdens de demonstraties omringd voelt door vrouwen met een feministische inborst worden overschaduwd door haar voortdurende angst. Ze is niet alleen bang voor de volkse mannen van de ‘Partij van God’ die op de protesten af komen om de actievoersters te bedreigen en uit te schelden voor hoeren van het Amerikaanse imperialisme. Ze is minstens zo bang voor de mannen van de door Khomeini gestuurde milities die de vrouwen moeten behoeden voor aanvallen van kwaadaardige mannen. Met bewondering constateert ze dat de Iraanse vrouwen zich net zo min laten intimideren door conservatieve en gewelddadige islamisten als een jaar eerder door de soldaten van de sjah, ook als bekend wordt dat een paar meisjes en vrouwen na afloop van de eerste maartdemonstraties zijn mishandeld en vermoord.

Bij Millett neemt paniek het over zodra ze haar Engelssprekende Iraanse vriendinnen uit het oog verliest. Met tederheid schrijft ze over de solidaire mannen en jongens die zich hand in hand om de demonstrerende vrouwen heen groeperen om hen te beschermen, maar ze heeft er weinig vertrouwen in dat deze bondgenoten veel kunnen uitrichten tegen de agressie van hun huiveringwekkende seksegenoten. Haar boek is doordrenkt van de suggestie dat enge mannen haar te grazen zullen nemen, dat ordinaire knokploegen uit Zuid-Teheran of milities van Khomeini haar zullen martelen en verkrachten, kortom alles met haar zullen doen wat de Savak – de mede door de cia opgeleide geheime dienst van de sjah – voorheen deed met Iraniërs die in verzet kwamen tegen het Pahlavi-regime.

In New York was ze lid geweest van een comité voor artistieke en intellectuele vrijheid in Iran. Tegen de sjah en tegen de bemoeienis van Amerika met Iran had ze net zo enthousiast gedemonstreerd als tegen de oorlog in Vietnam. Ze wist dat de Amerikaanse inmenging in Iran al lang werd ingegeven door begeerte naar de oliebronnen in het zuiden, waarover Amerika en Engeland onder de sjah onevenredig veel zeggenschap hadden. Overtuigend kon ze uitleggen dat de Iraanse revolutie van ’78-’79 alles van doen had met het jaar 1953, toen de Amerikaanse regering-Eisenhower samen met de Engelse regering van Winston Churchill een staatsgreep orkestreerde tegen de democratische premier Mohammad Mossadegh omdat hij die oliebronnen wilde nationaliseren. Het is een geschiedenis die ze schaart onder de mensenrechtenschendingen van haar geboorteland. Haar anti-imperialistische kritiek beschermt haar echter niet tegen de weerzin die ze als Amerikaanse op zich af voelt komen nu ze solidair loopt te zijn met de vrouwen van Iran. Ze schrikt van het fanatisme waarmee leuzen als ‘Dood aan Amerika’ worden geroepen, en ze is jaloers op het Canadese paspoort van haar vriendin Sophie.

Ondanks de suspense in Going to Iran is Millett ongeschonden thuisgekomen. Van alles spookte er door haar hoofd. Naast gruwelgedachten over wat haar allemaal zou kunnen gebeuren veel echo’s van het benepen katholicisme uit haar jeugd die op haar af stormen bij het zien van vrouwen in chador. Haar Iraanse leed bestond voornamelijk uit zorgen van financiële aard omdat ze erg weinig geld bij zich had, onbehagen over het feit dat ze alleen in Hotel Intercontinental en bij mensen thuis een borrel kon krijgen, en geïrriteerde ongerustheid rond afspraken met Iraanse vriendinnen die soms niet of later dan gepland werden gekomen. Het naarste wat haar overkwam was dat ze samen met Sophie Keir een nacht op het vliegveld werd vastgehouden voordat ze op een toestel naar Parijs werd gezet. Toch zou ze op haar avonturen in Iran terugblikken als was het een grote nachtmerrie: ‘Ik ben nog nooit van mijn leven zo bang geweest.’

Van de Amerikaans-Iraanse sociologe Negar Mottahedeh verscheen onlangs Whisper Tapes. Consciëntieus beluisterde ze de cassettebandjes die Millett veertig jaar geleden in Teheran opnam en waarop zij Going to Iran baseerde. Mottahedeh toont aan dat Milletts bangigheid mede was gefundeerd op onbegrip. Verschillende gebeurtenissen werden door Millett verkeerd geïnterpreteerd omdat ze geen Perzisch sprak en haar vertalers er in alle hectiek niet aan toe kwamen alles te vertalen. Ook wijst Mottahedeh op Milletts herhaalde vaststelling dat ze getuige was van het allereerste ontwaken van Iraans feminisme, waarmee ze een kleine honderd jaar vrouwengeschiedenis over het hoofd zag. Verder lijkt het erop dat ze weinig idee had van de context waarin ze terechtkwam. Ze was naar Teheran gekomen in de hoop dat ze na het houden van een toespraak en het overbrengen van solidaire groeten van Simone de Beauvoir, Gloria Steinem en andere westerse kopstukken kon doorreizen naar het mooie Isfahan.

Samen met haar tot voor kort in New York wonende Iraanse vriendinnen en vrienden wilde ze genieten van mooie tapijten, oogverblindende moskeeën, thee in rozentuinen en andere geneugten van het Perzië van Duizend-en-een-nacht. In plaats daarvan kwam ze terecht in de chaos van een revolutie die nog moest indalen, in de aanloop naar het referendum van 1 april 1979 waarin de bevolking zich in meerderheid voor een islamitische republiek zou uitspreken, al was het maar omdat het enige alternatief leek te bestaan uit terugkeer van een wraakzuchtige sjah onder de vleugels van Amerika. Bovendien viel haar verblijf in Iran samen met de opmaat naar Noruz, het Iraanse nieuwjaar dat op 21 maart begint en gepaard gaat met meerdere feestdagen. Voorzover haar Iraanse kennissen niet bezig waren met actievergaderingen werden ook zij in familiekring verwacht. Mottahedeh concludeert: ‘Millett was een vreemdeling en bleef een buitenstaander.’

‘Het is een ervaring die ervoor zorgt dat je niet meer zo snel bang bent een afwijkende mening te verkondigen’

Het neemt niet weg dat er dapperheid voor nodig was om voor feministische eisen de straat op te gaan in een periode waarin het wemelde van mannen met buitgemaakte wapens, een periode ook waarin menigeen het spook van interventie door Uncle Sam zag opdoemen. Dat waren niet alleen conservatieve islamisten. Op een clubje trotskisten na waren er geen partijen die ondubbelzinnig steun betuigden aan de vrouwendemonstraties van maart ’79. Van grote guerrillabewegingen als de Mojahedin-e Khalq (mek) en de Fedayan tot de communisten van de Tudeh-partij, de maoïsten en al die andere revolutionaire groeperingen: allemaal waren ze geneigd het feminisme te beschouwen als een dwaalleer van bourgeoisdames en dus van ‘het Westen’. Het overheersende ideaalbeeld van de geëmancipeerde vrouw onder Iraanse activisten was hetzelfde als dat van menige marxistische Europeaan, dat van een onverschrokken kameraad die haar eigen wensen en haar privéleven opoffert om te vechten voor het proletariaat en tegen Amerika. Een rebelse meid was voor alles een parel in de anti-imperialistische klassenstrijd.

Desondanks waren er veel linkse vrouwen die deelnamen aan de protesten, en was er een fine fleur onder hun mannelijke partijgenoten die hand-en-spandiensten verrichtten. De hijab voor vrouwen werd een van de onderwerpen waarover in Iran hartstochtelijk van mening werd verschild, ook onder islamisten. Religieuze én seculiere Iraniërs denken met smart terug aan liberale geestelijken als de in september 1979 overleden Mahmoud Taleghani, alleen al omdat hij ervoor zorgde dat het hoofddoekgebod – naar later zou blijken voorlopig – van tafel ging.

Demonstranten tegen de verplichting van de hijab worden beschermd door jonge mannen. Teheran, Iran, 10 maart 1979 © Bettmann Archives / Getty Images

Nogal wat Iraanse vrouwen die destijds actie voerden raken bevangen door weemoed als ze terugblikken op de demonstraties van maart 1979. Zij herinneren zich een periode vol energie, saamhorigheid, spontaniteit, debat, lef, en de overtuiging dat zij de revolutie in hun richting konden doen ombuigen. In hun geheugens horen de vrouwenacties bij de episode die is geboekstaafd als ‘Iraanse lente’. Teheran was het decor van vele – linkse en islamistische – groepen en groepjes met eigen tijdschriften, eigen vergaderruimten, een eigen vaandel, en snackbars die dienden als stamcafé waar werd gegeten en gedronken en gediscussieerd, onder meer over de vraag of het leiderschap van Khomeini wel of juist niet omarmd zou moeten worden.

De stemming op straat was vaak carnavalesk. Er werd niet alleen ernstig gesproken over de toestand van Iran, maar ook in het openbaar door mannen en vrouwen gedanst en gezongen. Hier en daar zag je giechelende tieners die zich lieten fotograferen met een mensgrote afbeelding van Yasser Arafat, de Palestijnse leider die als een van de eersten naar Teheran kwam om ayatollah Khomeini te feliciteren met de Iraanse revolutie. Samen met Che Guevara, Vladimir Lenin, Rosa Luxemburg en Ho Chi Minh deed hij dienst als cultfiguur en overal in de toen al van files vergeven stad gingen jongens en meisjes van auto naar auto om pamfletten uit te delen. In de kranten werd nu vrijwel dagelijks gemeld welke (vermeende) Savak-agenten na berechting door een revolutionaire rechtbank waren geëxecuteerd, maar voor Iraniërs die niet met de sjah werden geassocieerd was er sprake van een ongekende politieke vrijheid.

‘De jaren tussen 1979 en 1981 beschouw ik nog steeds als de mooiste van mijn leven’, zegt Halleh Ghorashi, hoogleraar diversiteit en integratie bij de afdeling sociologie van de Vrije Universiteit in Amsterdam. Zij hoorde bij de vele jonge revolutiemakers die zich aansloten bij een marxistische groepering. ‘Zeventien was ik toen het bewind van de sjah werd verdreven. Het was fantastisch om je onderdeel te voelen van een beweging die ervan overtuigd was Iran te kunnen veranderen in een basisdemocratie. De kracht die je putte uit het idee dat wat jij dacht en wilde meetelde was overweldigend. Het is een ervaring die je de rest van je leven met je meedraagt en die ervoor zorgt dat je niet zo snel bang bent een afwijkende mening te verkondigen.’

Peyman Jafari, historicus aan de Universiteit van Amsterdam, houdt zich al jaren bezig met de Iraanse revolutie. ‘Over die revolutie wordt meestal gesproken als schoolvoorbeeld van een omwenteling die alleen maar meer ellende bracht’, zegt hij. ‘Als je naar het Iran van nu kijkt lijkt daar weinig tegenin te brengen. Achteraf lijkt er een wetmatigheid in te zitten dat de conservatieven rond Khomeini de touwtjes in handen kregen, maar voordat in 1980 de oorlog met Irak uitbrak was er nog veel mogelijk.’

De Teheraanse sociologe en feministe Fatemeh Sadeghi was pas een jaar of acht toen er nog volop werd gediscussieerd over de vraag waar het heen moest met de Iraanse revolutie, maar de uitbundige stemming kan ze zich nog goed herinneren, evenals de overweldigende participatie van vrouwen. ‘Pas veel later ben ik me gaan realiseren hoe betekenisvol het was om dat als klein meisje mee te maken. Ongetwijfeld is in die periode de kiem gelegd voor de mondigheid en de maatschappelijke betrokkenheid die je ziet bij veel Iraanse vrouwen van nu. Zelfs toeristen die naar Iran komen valt op hoe stevig Iraanse vrouwen op hun benen staan. Omdat de revolutie werd gekaapt door een conservatief machtsblok is het voor veel mensen moeilijk de sfeer van die begintijd terug te halen. Sommige spraakmakende Iraniërs willen de revolutie samen met de islam uit onze geschiedenis wegretoucheren en het er nooit meer over hebben, maar die geschiedenis is onderdeel van ons dna.’

Sadeghi wijst erop dat veel vrouwen zich indertijd juist níet afzetten tegen de islam. Behalve bij Marx, Luxemburg en De Beauvoir vonden ze inspiratie bij theoretici van het islamisme. Met een van de belangrijkste ideologen van de sjiitische islam heeft ze zich uitvoerig beziggehouden, de in Parijs opgeleide socioloog en kettingroker Ali Shariati (1933-1977). De revolutie heeft hij niet meer meegemaakt. Onder verdachte omstandigheden overleed hij als balling in Engeland, naar wordt aangenomen vermoord door agenten van de Savak. Na de revolutie werden er straten naar hem genoemd, maar behoudende islamisten hebben altijd moeite met hem gehouden. ‘We moeten van hem houden en we moeten hem haten’, zei ayatollah Khomeini over hem.

Shariati was wars van conservatisme. Zijn opvattingen waren verwant aan die van roots-bewuste zwarte Amerikanen die de islam omarmden. Black muslims als Malcolm X en Ali Shariati waren loten van dezelfde stam, maar ook had Shariati de gewoonte zijn betogen te larderen met citaten van Descartes, Sartre en Freud. Zijn ideeën werden sterk beïnvloed door Frantz Fanon, wiens werk hij in het Perzisch vertaalde. Met in zijn achterhoofd Fanons denkbeelden over de psychosociale impact van het westerse kolonialisme op mensen met een donkere huidskleur was hij op zoek naar eigenheid voor mannen en vrouwen uit ‘de Oriënt’. ‘Wat hij schreef over de oosterse vrouw is ronduit feministisch’, zegt Sadeghi. ‘Het is niet voor niks dat reactionaire vrouwen hem de hel toewensten.’

Een van Shariati’s bekendste boeken is Fatemeh Is Fatemeh. Daarin zet hij zich af tegen het westerse ideaalbeeld van het economisch afhankelijke kindvrouwtje als rolmodel voor vrouwen uit de moslimwereld. Hij vond het onderdrukkend dat het imago van westerse vrouwen werd gedomineerd door wulpse filmsterren, gewillige reclamemodellen en sexy echtgenotes van invloedrijke mannen. Zijn opmerkingen daarover zijn nauwelijks te onderscheiden van radicaal-feministische maatschappijkritiek. Niet de vrouwen die zijn verlaagd tot ‘slaven die mannen bedienen’ moesten volgens hem op het netvlies van hun oosterse zusters staan, maar ontwikkelde vrouwen als de scheikundige Marie Curie en Angela Davis, de communistische heldin van de Amerikaanse anti-racismebeweging.

In de eerste plaats vond hij dat de oosterse vrouw een voorbeeld moest nemen aan Fatima, de dochter van de profeet Mohammad en moeder van imam Hosein, de belangrijkste sjiitische heilige. Shariati beschreef haar als een strijdbare, assertieve en geschoolde vrouw met een sterk ontwikkeld gevoel voor sociale rechtvaardigheid. Het waren opvattingen waarmee hij veel Iraanse vrouwen voor zich innam.

‘Er is een uitgebreid circuit van vrouwen die voorlichting geven over anticonceptie en gezinsplanning nu de overheid dat niet doet’

Tegen een hijabgebod had hij zich vast verzet, maar in de jaren zeventig waren er nogal wat Iraanse vrouwen en meisjes die met Shariati op zak besloten de hoofddoek te gaan dragen. ‘Voor hen was het een teken van zelfbewustheid’, vertelt Sadeghi. ‘Een van mijn oudere vriendinnen hoorde bij de vrouwen voor wie het juist daarom belangrijk was dat de hijab geen verplichting werd. In plaats van een symbool van onderdrukking moest het een symbool van bevrijding en solidariteit zijn. Toen Michel Foucault in 1978 in Iran was, heeft hij daar ook met haar over gesproken. Hij vroeg of de vrouwen in het nieuwe Iran net zo zouden kunnen leven als Simone de Beauvoir, of ze een liefdesrelatie met een man zouden kunnen hebben zonder te trouwen. “Jazeker”, was haar antwoord. Als ze daar nu over vertelt moet ze schamper lachen, maar in die begintijd van de revolutie hadden activisten zoals zij werkelijk het idee dat alles mogelijk was.’

Inmiddels is er heel wat meer gepubliceerd over de knieval van Michel Foucault (1926-1984) voor de islamitische revolutie dan hijzelf bij elkaar schreef over Iran. De ook onder feministen geliefde Parijse filosoof sprak met alle hoofdrolspelers, naast Khomeini onder meer met de vrijdenkende ayatollah Taleghani, en hij verwees naar het werk van Ali Shariati. Foucault raakte gefascineerd door de sjiitische bevrijdingstheologie toen hij voor de Italiaanse krant Corriere della Sera verslag deed van de Iraanse revolutie. Hij was begeesterd door wat hij ‘politieke spiritualiteit’ noemde en hij was erbij toen de demonstraties tegen de sjah in 1978 een apotheose bereikten rond Asjoera, de dag waarop sjiieten de martelaarsdood herdenken van imam Hosein in het jaar 680 in de nu Iraakse stad Karbala. In Teheran liepen twee miljoen mensen mee in een optocht die het midden hield tussen politiek protest en een religieuze processie. ‘Er zijn meer ideeën op aarde dan intellectuelen zich kunnen voorstellen’, schreef Foucault in Corriere della Sera. ‘En deze ideeën zijn actiever, sterker, gepassioneerder dan “politici” denken.’

‘Ik geloof niet dat zijn werk beoordeeld moet worden op die artikelen uit 1978’, zegt Fatemeh Sadeghi. ‘Wat hij schreef over uitsluiting, aanpassing en de sociale en psychologische mechanismen die zijn verbonden met alle machtsverhoudingen is ook voor Iraniërs veel interessanter.’ Toch valt de naam Foucault al snel als het gaat over de welwillendheid waarmee linkse, westerse intellectuelen (m/v) het leiderschap van ayatollah Khomeini aanvankelijk taxeerden. Begin jaren tachtig maakte hun mildheid overwegend plaats voor zwijgen. Ook Foucault heeft na 1979 niets meer over Iran geschreven.

Die stilte op links trad in nadat een groep studenten met de naam ‘Volgers van de lijn van imam Khomeini’ vanaf 4 november 1979 de Amerikaanse ambassade in Teheran bezette en 52 diplomaten in gijzeling nam. Ze eisten uitlevering van de sjah opdat hij in Iran gestraft – lees geëxecuteerd – kon worden voor zijn schendingen van de mensenrechten, een eis die de Amerikaanse president Jimmy Carter uiteraard niet kon inwilligen. In Washington werd Carter toch al beschouwd als een softie omdat hij had verzuimd de sjah met militaire middelen te hulp te komen. Er waren behoorlijk wat politici die stonden te popelen om alsnog in te grijpen. De Volgers van de lijn Khomeini hielden hun actie 444 dagen vol. De gijzeling werd pas beëindigd toen de sjah al was gestorven aan kanker, de oorlog met Irak was begonnen en Ronald Reagan revanche had genomen met immense wapenleveranties aan Saddam Hoessein.

Studenten in een collegezaal van de Universiteit van Teheran © Thomas Koehler / Getty Images

Peyman Jafari laat zich wel eens verleiden tot wat-als-exercities om te laten zien dat de uitkomst van de Iraanse revolutie niet van meet af aan een gelopen race was. De belangrijkste: wat als er in 1980 geen oorlog was gekomen met Irak? ‘Ik kan me voorstellen dat het voor de conservatieven niet zo gemakkelijk was geweest om af te rekenen met alles wat progressief was. Botsingen tussen geestelijken waren openlijk besproken, ook als het ging om de positie van vrouwen. De ideeën van Ali Shariati waren waarschijnlijk veel invloedrijker geweest.’

Hoe de geschiedenis van de revolutie was verlopen als Iran tussen 1980 en 1988 niet was ondergedompeld in oorlogsretoriek, rouw en de roep om nationale eenheid zullen we uiteraard nooit weten. Het land telde een snel toenemend aantal weduwen, wezen en veel ouders die treurden om hun gedode kinderen, onder wie zeer jonge pubers uit even arme als religieuze gezinnen die met een sleutel van het paradijs om hun nek en een band om hun hoofd met de tekst ‘Karbala’ de Iraakse mijnenvelden waren ingestuurd. Met grote gedrevenheid werd de binnenlandse oppositie aangepakt. Duizenden Iraanse mannen en vrouwen werden vanwege verzet tegen de islamitische republiek geëxecuteerd in de gevangenissen voor politieke gevangenen, onder wie ook vrouwen die hadden meegedaan met de acties rond 8 maart ’79.

Wie tijdens de oorlog in Iran was, herinnert zich luchtalarm, schuilkelders, rouwstoeten, uitvallende elektriciteit, voedseldistributie, buurjongens van ordediensten die linkse leeftijdgenoten aangaven bij de Revolutionaire Garde en meisjes die in het openbaar werden afgetuigd door vrijwilligsters van de zedenpolitie omdat hun haar onvoldoende was bedekt. Ook in Iran zijn het vaak vrouwen die andere vrouwen in het gareel houden.

Bij de 8 maart-protesten van 1979 liepen duizenden vrouwen in zwarte chador mee in een haastig georganiseerde tegendemonstratie om aanhankelijkheid te betuigen met de islamitische revolutie en het hijabgebod. Ze betoogden tegen Amerika, tegen het ‘westerse feminisme’ en voor vrouwenemancipatie onder de vleugels van Khomeini, een vat vol tegenstrijdigheden als het ging om de rol van de vrouw in de samenleving. Toen hij al volop bezig was met het invoeren van allerlei beperkingen voor vrouwen zei hij ook nog steeds dat ouders hun dochters moesten laten studeren en dat vrouwen buitenshuis mochten werken. Ongetwijfeld heeft het bijgedragen aan de grote toestroom van vrouwelijke studenten in het hoger onderwijs, ook uit traditionele gezinnen.

Inmiddels is zestig procent van de universitaire studenten vrouw en bemoeien vrouwen zich op sociale media en daarbuiten met alle maatschappelijke kwesties die Iraniërs bezighouden. De huidige economische crisis gaat gepaard met een terugloop van het percentage vrouwen in officiële banen, maar het aandeel van vrouwen op de arbeidsmarkt is sinds de revolutie wel toegenomen. Deden ze voor 1979 voornamelijk laagbetaald huishoudelijk werk, tegenwoordig tref je ze vaker in hogere functies en zijn er tal van vrouwen met eigen (middelgrote) bedrijven. Het zijn vormen van emancipatie die ondanks de formele sekse-apartheid en ondanks het opsluiten van feministische mensenrechtenactivisten zijn doorgegaan.

Over bijna alles verschillen de opposanten van de islamitische republiek van mening, maar over één ding zijn ze eensgezind: bij het vormgeven van een toekomstig Iran zullen vrouwen een hoofdrol spelen. ‘De veelgeroemde civil society in Iran wordt nu al gedragen door vrouwen’, zegt Fatemeh Sadeghi. ‘Ze zijn eraan gewend om buiten het zicht van de overheid hun eigen gang te gaan. In de diaspora heb je de meest uitgesproken woordvoerders van het feminisme, maar ook in Iran zetten vrouwen zich in voor klassiek-feministische issues. Er is bijvoorbeeld een uitgebreid circuit van vrouwen die voorlichting geven over anticonceptie en gezinsplanning nu de overheid dat niet meer doet en zelfs jacht maakt op vrouwen die zich hiermee bezighouden.’

Sadeghi doelt op de Australisch-Iraanse demografe Meimanat Hosseini-Chavoshi. Ze werd gearresteerd vanwege ‘infiltratie op grond van geboortecontrole’, een vergrijp dat in Iran nog maar kort bestaat. Haar detentie zal er niet voor zorgen dat vrouwen gaan doen wat de huidige ayatollah Khamenei wil: het geboortecijfer – nu ongeveer 1,5 kind per vrouw – omhoog helpen. Jonge vrouwen zeggen dat ze zich gewoonweg geen kinderen kunnen permitteren zolang het ze economisch slechter en slechter gaat.

Er zijn tal van onderwerpen waarover Iraanse vrouwen zich zorgen maken nu er vele donkere wolken boven het land hangen: van het gemis van vrouwenrechten tot de Iraanse bemoeienis met de rest van het Midden-Oosten en van de uitwerking van de nieuwe Amerikaanse sancties tot de dramatische milieuproblemen als gevolg van de klimaatverandering in Iran. Maar de verplichte hijab doet de gemoederen nog steeds hoog oplopen, en nog steeds luistert het nauw welke coalities daartegen worden gesloten. Op Instagram werd de naar Amerika uitgeweken anti-hijab-activiste Masieh Alinejad van vele kanten de les gelezen toen ze zich had laten fotograferen met Mike Pompeo, de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken. Het was not done dat ze een Amerikaan uit het Trump-kamp het aureool van vrouwenbevrijder bezorgde.

Tegelijkertijd zijn er legio Iraniërs die haar louter lof toezwaaien en deelt een meerderheid haar standpunt over de hoofddoek. Een onderzoeksinstituut van het Iraanse parlement hield vorig jaar een opiniepeiling naar de steun voor het hijabgebod. Zeventig procent van de Iraniërs bleek voor afschaffing. Sadeghi: ‘In het buitenland staart men zich vaak blind op wat Khamenei en andere conservatieven zeggen, maar de Iraanse samenleving is al lang veel vrijer en veel geëmancipeerder dan de machthebbers.’ Helaas ziet het er voorlopig naar uit dat de conservatieve islamisten rond de opperste leider alle middelen zullen inzetten om zowel in Iran als daarbuiten te laten zien dat zij nog altijd de baas zijn.


Dit is het tweede deel van een tweeluik over 40 jaar Iraanse revolutie. Het eerste deel verscheen in De Groene van 7 februari. Farhad Golyardi is socioloog en medeoprichter van Eutopia Institute, een transnationale verzamelplaats van denkers en schrijvers die zich onder meer bezighouden met het Midden-Oosten, migratie, cultuur en diversiteit. Marja Vuijsje is schrijfster en journaliste. Over de (migratie)geschiedenis van Iran schreef ze Het rijbewijs van Nematollah (Atlas Contact)