Herfried Münkler over de zelfopvattingen van de Duitsers

‘We hebben nieuwe mythen nodig’

Het Duitse ‘superherdenkingsjaar’ - 20 jaar val van de Muur, 60 jaar Bondsrepubliek, 90 jaar republiek van Weimar - is een mijlpaal gebleken. Over historische schuld ging het zelden, over trots des te meer. De toonaangevende politiek filosoof Herfried Münkler durft zelfs te pleiten voor nieuwe nationale mythen.

KAN EEN LIED een oorlog veroorzaken? Politiek filosoof Herfried Münkler betoogt van wel. In zijn laatste, op de Leipziger Buchmesse gelauwerde boek Die Deutschen und ihre Mythen beschrijft hij de ontwikkeling van Duitsland aan de hand van mythen. Van de slapende keizer Barbarossa tot het Wirtschaftswunder, van het gebombardeerde Dresden tot de DDR als geboren uit het antifascistische verzet. Het resultaat is een bijzonder soort ‘mentaliteitsgeschiedenis’, legt Münkler uit in zijn werkkamer op de Berlijnse Humboldt Universiteit. 'Het is een geschiedenis van de zelfopvattingen van de Duitsers, van de illusies, de hoogmoed en de depressies.’
Illusies of niet, de invloed van mythen op de geschiedenis is uiterst reëel. Zonder Nibelungen-mythe was er misschien geen Eerste Wereldoorlog geweest, meent Münkler zelfs. Het Nibelungenlied is het verhaal van de jonge, krachtige drakendoder Siegfried die op laffe wijze vermoord wordt. En het gaat over zijn tegenspelers, de Bourgondische koning Günther en zijn opofferingsgezinde kameraad Hagen. Ook zij sterven uiteindelijk, tegenover een overmacht van Hunnen. Maar ze vechten dapper en blijven elkaar trouw tot het bittere eind.
Dat idee van de Nibelungen-trouw werd Duitsland fataal, denkt Münkler: 'In 1909 heeft rijkskanselier Von Bülow voor het eerst verwezen naar de Nibelungen-trouw, als beschrijving voor de verhouding tussen Duitsland en Oostenrijk-Hongarije. In lijn daarmee gaf de regering in Berlijn in de zomer van 1914 de Oostenrijkers rugdekking tegenover Servië. Had zij dat niet gedaan, dan zou tenminste vanwege deze kwestie de Eerste Wereldoorlog niet begonnen zijn. Die beslissing kwam niet voort uit een koele, rationele afweging. Ze was het gevolg van een esthetisering van de politiek, door het Nibelungenlied. Dat is waar mythen toe kunnen leiden.’

HET ZEGT VEEL OVER de vorig jaar tot in den treuren gememoreerde Duitse geschiedenis dat Münklers favoriete nationale mythe de banaalste is. Eigenlijk heeft hij weinig op met het naoorlogse Wirtschaftswunder. 'Dat rondrijden in Volkswagens en BMW’s, die zelfvoldaanheid, het stimuleert niet bepaald de fantasie’, geeft hij toe. Maar toch: 'Het is goed geweest voor Europa dat het IJzeren Kruis is afgelost door de Mercedesster. Het Wirtschaftswunder heeft de mensen tenminste gelukkig gemaakt.’
Dat geldt niet voor het overgrote deel van de mythen die Münkler beschrijft. In de achttiende en negentiende eeuw ontdekte het Bilderbürgertum de mythen als onderdeel van een nieuwe, nationalistische geschiedschrijving. Of beter, het vond ze grotendeels uit. Dat gebeurde overal in Europa. In Nederland heetten de Batavieren ineens de eerste Nederlanders te zijn. De oorlog tegen de Spanjaarden werd tot nationale onafhankelijkheidsstrijd gekneed. Duitse intellectuelen omarmden helden als Germanenkoning Arminius die tegen de Romeinen vocht.
Na twee wereldoorlogen en de shoah zijn de Duitse mythen vrijwel allemaal 'verbruikt’, zoals Münkler het zelf noemt. In plaats van de belofte van een glorieuze toekomst bleken de mythen een vloek te bevatten. Zoals de langverwachte terugkeer van de slapende keizer Barbarossa. De door Hitler naar hem vernoemde operatie in Rusland luidde het begin van de totale nederlaag in. Münkler: 'Het Nibelungenlied leest zelfs als een draaiboek voor de Duitse geschiedenis. Wagner vergelijkt het keizerlijke leger dat in 1870-1871 de Fransen verslaat met de jonge, krachtige Siegfried. Wat doet Göring? Hij vergelijkt het zesde leger in Stalingrad met de Bourgondiërs die hun doodsstrijd leveren tegen de Hunnen.’
Toch zijn mythen niet per se reactionair, conservatief of militaristisch: 'Kijk naar Frankrijk. De mythe van de Franse Revolutie is progressief. Het hangt samen met wie de intellectuele hegemonie uitoefent, om de Italiaanse marxist Antonio Gramsci maar eens aan te halen. Diegene beschikt ook over de politieke mythen. In Duitsland zijn dat vooral de conservatieven geweest. Al zijn er ook teksten van Friedrich Engels waarin hij het proletariaat met Siegfried vergelijkt, met diens onstuimige kracht. En denk eens aan de pogingen van de DDR om progressieve elementen uit de Duitse geschiedenis te lichten en om te vormen tot stichtingsmythe.’ Een voorbeeld daarvan is de verering van Thomas Müntzer, het gezicht van de radicale Reformatie en aanvoerder van de armen tijdens de Boerenoorlogen.
Typerend voor de linkse argwaan tegenover mythen noemt Münkler de Franse denker Roland Barthes: 'Volgens Barthes waren mythen het semiotische systeem van de kleinburgers. Het proletariaat zou daarentegen de taal van de onmiddellijke werkelijkheid beheersen. Ik vind dat bizar. Barthes had maar naar de Sovjet-Unie hoeven kijken. Daar was, volgens Barthes althans, het proletariaat aan de macht. Maar wat is de personencultus rond Lenin en Stalin anders dan een vorm van politieke mythologie?’
Net zo min als 'de’ mythe links of rechts is, doet het er volgens Münkler toe of ze verzonnen is of zich op de realiteit baseert: 'Het gaat erom hoe zij vervolgens verwerkt wordt. Neem de mythe van het Wirtschaftswunder. Die vertelt hoe, nadat de oorlog verloren was en het land in puin lag, door de politiek van minister van Economische Zaken Ludwig Erhard en het zweet van alle Duitsers een economisch wonder tot stand kwam. De historicus zou zeggen dat de plannen voor Erhards politiek in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië ontwikkeld zijn. Hij zou wijzen op de stimulerende economische effecten van de Korea-crisis. De Duitse industrie was door de bommenoorlog bovendien zeker niet volledig vernietigd. En er was een gedisciplineerde, tot hard werken bereid zijnde en vooral hongerige bevolking uit het oosten gekomen die voor gunstige arbeidskracht zorgde. Over dat alles zegt de mythe niets.’

EN TOCH: ondanks alle ontsporingen in het verleden pleit Münkler voor nieuwe nationale mythen. De economische crisis en het ook in Duitsland urgente integratiedebat maken dat volgens hem onontkoombaar. Minstens zo provocerend is Münklers toevoeging dat het de taak van de intellectuelen is actief mee te werken aan die nieuwe mythevorming. Is dat niet, om bij het thema te blijven, de duivel à la Faust verzoeken?
'De Duitse republiek is dit jaar zestig geworden. Ze kampt met grote problemen. In zo'n situatie hebben we mythen nodig die voor zelfvertrouwen zorgen. Die ons vertellen waar we trots op kunnen zijn, en in Duitsland ook waarvoor we ons moeten schamen.’ Juist een gebrek aan mythen kan in roerige tijden als de onze tot conservatisme leiden, meent Münkler: 'Het gaat om bindende verhalen die ons verzekeren dat, hoewel de uitdagingen groot zijn, we het aankunnen.’
Daarmee lijkt Duitsland dezelfde richting op te gaan als Nederland. Samen met het debat over de multiculturele samenleving is een nieuw nationalisme opgekomen. In de jaren tachtig en negentig ontmaskerden academici als Eric Hobsbawm en Ernest Gellner nog vlijtig naties, nationalismen en mythen als 'uitgevonden’ en 'verbeeld’. Daar lijken steeds meer intellectuelen genoeg van te hebben. In plaats van te deconstrueren, willen ze een nieuw nationalisme construeren. Opiniemakers als Paul Scheffer pleiten zowel in Nederland als in Duitsland voor een sterkere nationale identiteit of Leitkultur. Gepopulariseerde geschiedenis op televisie, in kranten en tijdschriften is razend populair. Het nationaal-historisch museum waar ook Nederland aan bouwt, is in Berlijn al een feit.
Münkler wenst niets minder dan een nieuwe, democratische stichtingsmythe. Die moet het migranten en hun kinderen makkelijker maken te integreren. 'Ik doel op een inspirerende en tegelijkertijd verplichtende vertelling’, zegt Münkler. 'En ja, dat is heel wat anders dan het Verfassungs-patriottisme zoals Habermas dat voorstelt, of moderne reclamecampagnes als Du bist Deutschland. Neem in plaats daarvan Frankrijk. Daar is de mythische vertelling van de revolutie verbonden met de belofte van mensen- en burgerrechten. Die mythe van vrijheid en gelijkheid brengt rechten met zich mee voor migranten, maar ook de plicht zulke rechten voor andersdenkenden te erkennen.’

TWINTIG JAAR NA de val van de Muur is het voor Münkler des te pijnlijker dat de verenigde republiek de beste mogelijkheid voor zo'n democratische mythe heeft laten schieten: 'Het is lange tijd een probleem geweest van liberaal en links Duitsland dat hier nooit een geslaagde revolutie heeft plaatsgevonden. De Franse Revolutie sloeg niet over naar Duitsland. De barricadestrijders in 1848 vochten tevergeefs. De mislukte revolutie van 1918 is sowieso te zeer verbonden met de nederlaag in de Eerste Wereldoorlog.’
En dan is daar ineens het revolutiejaar 1989. Het verdeelde Berlijn, de symbolische Muur, de burgerlijke ongehoorzaamheid en uiteindelijk de chaotische ontlading van het overwinningsfeest - 'de stof, waaruit politieke mythen gevormd worden, was in overmaat voorhanden’, schrijft Münkler in zijn boek.
Op 9 november valt de Muur onder druk van de Oost-Duitse bevolking. Toch wordt niet deze revolutie van onderop uitgeroepen tot nationale feestdag. In plaats daarvan komt 3 oktober, de datum waarop in 1990 de Oost-Duitse deelstaten officieel toetraden tot de Bondsrepubliek. De reden ligt ook hier in de van mythen en historische data doordrenkte Duitse geschiedenis. Op 9 november vond in Duitsland in 1923 een putsch door Hitler plaats en kwam het in 1938 met de Kristallnacht tot antisemitische pogroms.
En toch spreekt Münkler van een gemiste kans. Want wat twintig jaar geleden gebeurde, was pas écht een Duits sprookje. 'Een vredige revolutie aan het front van de Koude Oorlog. En er valt geen enkele dode!’ In dat wonder, waar geen leider aan te pas kwam, is hij wél bereid te geloven.

Herfried Münkler, Die Deutschen und ihre Mythen, Rowohlt, 606 blz., € 24,90


Herfried Münkler
‘Eenmans-denktank’ luidt de bijnaam die het gezaghebbende weekblad Die Zeit hem gaf. Herfried Münkler (57), hoogleraar politieke theorie aan de Humboldt Universiteit in Berlijn, beperkt zich dan ook niet graag in zijn onderwerpkeuze. De afgelopen jaren verwierf hij vooral bekendheid met boeken over internationale politiek. In zijn Der Wandel des Krieges onderzocht hij de nieuwe, asymmetrische oorlogvoering van de 21ste eeuw. Met het boek Imperien schreef Münkler een geschiedenis van de grote rijken, van Rome tot de Verenigde Staten. Het maakte hem tot een van de meest gevraagde politieke adviseurs in Duitsland.
Zijn nieuwste boek over Duitse mythen werd dit jaar tot beste non-fictiewerk bekroond op
de Leipziger Buchmesse.