Ton Lemaire over het einde van de win-win-situatie

‘We hebben Orpheus én Prometheus nodig’

Filosoof en antropoloog Ton Lemaire gaat in zijn laatste boek uitgebreid in op de gevaren van en alternatieven voor het vooruitgangsdenken, dat onze cultuur in een wurggreep houdt. ‘Niet alleen in economisch opzicht leven we op afbetaling.’

DE GRIEKSE HALFGOD Prometheus, die het vuur van de goden stal en aan de mensen schonk, was de grote held van uiteenlopende denkers als Karl Marx, Auguste Comte, Friedrich Nietzsche en Adolf Hitler. Zij trachtten allemaal God van zijn troon te stoten en de mens op diens plaats te zetten en zagen in Prometheus het symbool van de menselijke vooruitgang. De beheersing van het vuur was een metafoor voor de beheersing van de natuur, voor de overtuiging dat de mens de wereld volledig naar zijn hand kon zetten. De schaduwzijden van het prometheïsme - dat werd aangehangen door wetenschappers, industriëlen, liberalen, futuristen, communisten en nationaal-socialisten - werden vooral in de loop van de twintigste eeuw steeds manifester. De Materialschlachten van de Eerste Wereldoorlog, Auschwitz en Tsjernobyl - het waren gebeurtenissen die lieten zien dat het vuur mensen niet alleen kon verlichten en warmen, maar ook kon verblinden en zelfs verteren. Het vooruitgangsdenken liep hierdoor deuken op, maar nog altijd staat de westerse samenleving in het teken van eeuwige groei, voortdurende vooruitgang en het geloof dat de mens uiteindelijk voor elk probleem wel een technologische oplossing zal vinden.
In het koor van de kritiek op het prometheïsche denken - denk aan Rousseau, Herbert Marcuse en Hans Jonas - laat de Nederlandse maar in Frankrijk woonachtige filosoof en antropoloog Ton Lemaire al decennia zijn stem horen. Onlangs publiceerde hij De val van Prometheus, waarin hij uitgebreid ingaat op de gevaren van en mogelijke alternatieven voor het vooruitgangsdenken.

Een van de metaforen die u in uw boek gebruikt is de ziekte kanker. U verwijst daarbij naar de explosieve groei van het aantal mensen dat aan kanker lijdt. Ziet u niet over het hoofd dat de diagnostiek tegenwoordig veel adequater is, terwijl bovendien onze levensverwachting enorm gestegen is?
Ton Lemaire: ‘Deels heeft u gelijk, de detectietechnieken zijn beter en sommige vormen van kanker openbaren zich pas op latere leeftijd. Maar de statistieken wijzen uit dat steeds meer kankervormen zich op steeds jongere leeftijd manifesteren. Terwijl bijvoorbeeld hersentumoren vroeger vrijwel uitsluitend op gevorderde leeftijd voorkwamen, worden ze nu ontdekt bij vrij jonge mensen. Er is wel degelijk iets aan de hand, sommige kankervormen zijn in korte tijd dramatisch in omvang toegenomen en die toename valt niet uitsluitend te verklaren uit betere diagnose en een hogere levensverwachting.
Hier komt nog bij dat er een grote weerstand bestaat tegen het erkennen van andere oorzaken. Als bewezen wordt dat meer auto’s, vliegverkeer en chemische industrie zou leiden tot meer gevallen van kanker, dan is dat heel funest voor het vooruitgangsidee. We willen natuurlijk niet dat onze leefwijze en welvaart aangetast worden. Tegelijkertijd gebruik ik kanker ook als metafoor. Groei is een wonderlijk fenomeen, waarover nog lang niet alles bekend is. Maar het stoppen van de groei is even wonderlijk. We staan er vaak niet bij stil, maar bepaalde organen groeien op zeker moment niet meer, omdat je dan allerlei afwijkingen zou krijgen. Wij zijn de eerste samenleving die permanente groei als leidend principe heeft gekozen. In de natuur wordt groei altijd afgewisseld door verval of begrensd door het optreden van predatoren. Dat is een belangrijk aspect van het ecosysteem. Een samenleving die zo bezeten is van permanente groei zal vroeg of laat haar hoofd stoten. Nu al leven we zo'n 25 procent boven de ecologische draagkracht van de planeet. Niet alleen in economisch opzicht leven we dus op afbetaling.’
Uw boek doet me denken aan een cultuurpessimistisch traktaat uit het interbellum. Waar u schrijft over de Amerikaanse cultus van de lach, de infantilisering van het consumentisme en de sportverdwazing lijkt een duidelijke echo van Ortega y Gasset en Huizinga hoorbaar.
'Er zit in mijn boek een zeker conservatief element, ik begin niet voor niets met Huizinga’s In de schaduwen van morgen. Daar schaam ik mij ook niet voor. Tegelijkertijd denk ik dat heel die tegenstelling tussen progressief en conservatief, tussen links en rechts, door de milieuproblematiek sterk onder druk staat. De gevolgen van de transformaties die we nu doormaken, zoals de globalisering en onomkeerbare aantasting van het milieu, vergen een begrenzing van onze prometheïsche ambitie.’
Dat is natuurlijk geen leuke boodschap voor de landen die pas nu beginnen te profiteren van de economische groei.
'Wereldwijd is dat inderdaad navrant, en dus gaat het erom dat de rijkdom eerlijk verdeeld wordt. Door de globalisering onder auspiciën van het neoliberalisme zijn de mondiale verschillen tussen rijk en arm, en ook de inkomensverschillen binnen de westerse landen, nog veel groter geworden. Dat moet anders. We zullen naar een nulgroei moeten, gecombineerd met een radicale herverdeling. We worden gedwongen tot een transformatie die in allerlei opzichten pijnlijk zal zijn. Dit is het einde van de win-win-situatie, zoals die door politici verkocht wordt. Er bestaat helemaal geen win-win-situatie. Er is hoogstens een minder verlies-situatie, waarbij fundamentele keuzes moeten worden gemaakt. En hierbij is een hoofdrol weggelegd voor een ecologische economie en een ecologisch socialisme.’
In uw boek komt deze term niet voor. Is dat een tactische zet, omdat het socialisme tegenwoordig zo'n slechte naam heeft?
'O, daar was ik me niet zo van bewust. Is dat zo? Ik beschouw mezelf als socialist, maar dit boek gaat niet zozeer over politiek, zodat ik ook geen specifiek politiek standpunt heb ingenomen. Feitelijk sta ik dicht bij GroenLinks, maar ik vind deze partij te weinig groen en te weinig links. Ik vind het onzinnig om te denken dat het falen van de communistische regimes automatisch betekent dat de Amerikaanse variant van het kapitalisme het enige alternatief is. Het kapitalisme is zelfdestructief, zowel wat mensen betreft als waar het om de planeet als geheel gaat. Onmatigheid is inherent aan het kapitalisme. De ongelimiteerde opeenhoping van kapitaal, en ook de in principe ongelimiteerde concurrentie en hebzucht hebben allerlei negatieve consequenties. Met dit boek probeer ik op een voorzichtige manier te zoeken naar de contouren van een nieuwe cultuur die zich volgens mij nu bezig is te vormen. Een noodzakelijke transformatie, die ook gepaard zou kunnen gaan met een nieuw soort spiritualiteit.’

Waarom hebben we per se een vorm van spiritualiteit nodig? Je kunt toch ook op zuiver rationele overwegingen tot de conclusie komen dat we onze relatie tot de natuur moeten wijzigen?
'Natuurlijk is het zo dat je de problematiek rond natuur en milieu heel goed op rationele wijze, vanuit ons eigenbelang, kunt benaderen. Er zijn economen die proberen de waarde van de natuur te becijferen en onder te brengen in economische tabellen. Dat is ook gevaarlijk, omdat je de natuur dan al binnen de logica van het kapitalisme trekt. Ik pleit ervoor dat we beseffen dat de mens beperkt is. In dat verband citeer ik Goethe: “Das schönste Glück des denkenden Menschen ist, das Erforschliche erforscht zu haben und das Unerforschliche zu verehren.” In laatste instantie is het besef van onkenbaarheid, van onbeheersbaarheid heel belangrijk. Hoe diepgaand je de natuur ook bestudeert, er blijft een mysterieuze “rest” over. Dat kun je ervaren als je ’s nachts naar de sterrenhemel kijkt of een hoge berg beklimt. Dat is iets anders dan de spiritualiteit van een monotheïstische godsdienst als het christendom, die in een kerk gevierd wordt. Een indiaan zegt: mijn kerk is hier, in de natuur. Ik probeer tot een herwaardering te komen van de indiaanse en Indische religiositeit, die je animistisch of pantheïstisch kunt noemen. Voor mij is spiritualiteit het sluitstuk van mijn gehele betoog.’
Een spirituele beleving van de natuur zie je ook heel sterk bij wat de 'diepe ecologie’ wordt genoemd, de radicale vleugel van de milieufilosofie en milieubeweging die ervan uitgaat dat de mens geen heerser is over de natuur, maar er slechts een heel nietig onderdeel van uitmaakt. Toch bent u daar ook tamelijk kritisch over.
'De diepe ecologie heeft ook gevaarlijke kanten, er bestaat een neiging tot eco-fundamentalisme. Sommigen verheerlijken de niet-menselijke natuur, de wildernis, en relativeren het verschil tussen mens en dier wel heel sterk. Om mijn positie te schetsen verwijs ik meestal naar het model van Wim Zweers, de belangrijkste milieufilosoof van Nederland. Hij heeft een typologie van “grondhoudingen” tegenover de natuur opgesteld. Aan de ene kant van dit continuüm staat de “despoot”, die de natuur zijn wil tracht op te leggen, en aan de kant de “mysticus”, die zich met de natuur vereenzelvigt. Daar tussenin bevinden zich respectievelijk de posities van de “verlichte heerser”, de “rentmeester”, de “partner” en de “participant”. Ik voel me het meest thuis in die laatste categorie. Ik sta dus dichter bij de mysticus dan bij de despoot, maar ik ben van mening dat het niet mogelijk en onwenselijk is om de natuur opnieuw te sacraliseren, te mythologiseren.
We kunnen de geschiedenis niet ongedaan maken. De ontwikkeling van de natuurwetenschappen, en de objectivering ervan in de technologie, verhindert de terugkeer naar mythologie. Ik streef naar het behouden van het goede van de moderne cultuur, vooral het kritisch denken en de rationaliteit, maar wil die tegelijkertijd begrenzen door de herwaardering van archaïsche elementen.’
U schrijft dat de houding ten opzichte van de natuur bij veel mensen erg dubbel is: ze doen volop mee met het moderne leven en het consumeren, terwijl ze in hun vrije tijd op zoek gaan naar een meer spirituele vorm van omgaan met de natuur.
'Dat wordt vaak afgedaan als het sussen van het geweten, maar volgens mij is dit typisch een uiting van de gespletenheid van de moderniteit. Die gespletenheid is volgens mij niet wenselijk, maar waarschijnlijk wel onvermijdelijk. Het nazisme was er een uiting van. Het nazisme was typisch een moderne beweging, die sterk beïnvloed was door wetenschap en technologie, en tegelijkertijd erg op de natuur gericht was en trachtte deze te hermythologiseren. We hebben gezien waartoe dat kan leiden. Enerzijds de verering van de natuur, de enorme liefde voor dieren, en tegelijkertijd een bijzonder destructieve houding ten opzichte van mensen. De New Age-beweging is natuurlijk geen nazisme, maar wordt wel gekenmerkt door een zekere gespletenheid.
Waar ik me tegen verzet, is de stelling dat er slechts twee keuzes zijn. Aan de ene kant het antirationalisme en de cultus van de emotie, en aan de andere kant een eendimensionale rationaliteit, zoals die zichtbaar wordt in de technologie en de computerwereld. Eigenlijk kom ik uit bij wat je “wereldbeschouwelijke ascese” kan noemen: het besef dat de laatste vragen onbeantwoordbaar zijn en dat er een onvermijdelijke disharmonie tussen mens en wereld bestaat. Dit komt neer op het aanvaarden van de tragische dimensie van het mensenleven.
Waar ik voor pleit, is dat naast Prometheus ook de figuur van Orpheus een belangrijke rol gaat spelen. Orpheus was degene die met zijn muziek de mens en de natuur, zelfs de dieren en de bomen, kon betoveren, terwijl Prometheus de natuur wilde overheersen. Orpheus was een muzische figuur, de representant van het esthetische. Die hebben we net zo goed nodig als Prometheus, zoals we zowel alfa’s als bèta’s nodig hebben. Volgens mij zijn die twee posities heel goed met elkaar te verzoenen. We hebben ook geen andere keus.’

Ton Lemaire, De val van Prometheus: Over de keerzijden van de vooruitgang. Ambo, 375 blz., € 24,95