We hebben sinds Parijs alleen maar gepráát over de CO2-uitstoot

‘Nederland hoeft niet altijd het braafste jongetje van de klas te zijn.’ ‘Het mag wel een tandje minder’. Of het nu Buma, Bolkestein of Dijkhoff was, uit de rechterhoek van het kabinet kwamen de laatste maanden voortdurend waarschuwende geluiden: we hebben weliswaar het Akkoord van Parijs ondertekend, maar we moeten vooral niet al te drastische maatregelen nemen. Die schaden onze industrie, zijn slecht voor de werkgelegenheid en jagen de burgers op kosten. We doen al genoeg.

Dat laatste is zeker niet waar. Nederland is kampioen CO2-uitstoot: per hoofd van de bevolking stoten we in Europa het meeste CO2 uit en op wereldschaal staan we in de top-tien per capita, met vooral notoire olie- en/of kolenverslaafden als Saoedi-Arabië, Canada en de VS boven ons.

De kleinverbruikers blijken vier keer zo zwaar belast te worden als de industrie

Eigenlijk hebben we in Nederland sinds Parijs alleen maar gepráát over CO2-reductie en blijven veel concrete maatregelen uit. De lichte daling die sinds twee jaar te zien is, valt voor een groot deel toe te schrijven aan de elektriciteitssector, die minder kolen gebruikt door de prijsverhoging op de wereldmarkt. En, een maatregel die wél werkt, de elektriciteitsbedrijven genieten sinds enkele jaren geen vrijstelling meer in het Europese emissiehandelssysteem (ets) en moeten voor elke ton broeikasgas emissierechten betalen.

Door de toegenomen vraag is bovendien de prijs van deze rechten in korte tijd gestegen van 8 naar 23 euro. Het wordt dus voor de Essents en Nuons in ons land steeds duurder om kolen te verstoken.

De rest van de industrie wordt echter nog met zijden handschoentjes aangepakt. Sterker nog, een extreem lage energieprijs voor grootverbruikers is al tientallen jaren een hoeksteen van ons industriebeleid. Vorige week presenteerde Faiza Oulahsen van Greenpeace een schokkende grafiek op een bijeenkomst in Pakhuis de Zwijger in Amsterdam waar industrie en milieubeweging met elkaar in gesprek gingen. Ze had op een rijtje gezet welke heffingen de Nederlandse huishoudens en het mkb over de energierekening moeten (gaan) betalen, en wat de industrie. De kleinverbruikers bleken vier keer zo zwaar belast te worden als de industrie, terwijl de grote bedrijven twee keer zoveel subsidie krijgen. Het moet voor de industrie duurder worden om CO2 uit te stoten, daarover is bijna iedereen het eens. De methode verschilt echter. De milieubeweging en de oppositie willen een generieke heffing, die in meer of mindere mate teruggesluisd wordt naar bedrijven die daadwerkelijk investeren. Het kabinet denkt nog steeds aan een ingewikkelde bonus-malus, zo blijkt uit een uitgelekte ambtelijke notitie, waarbij relatief goed presterende bedrijven juist geld toe krijgen en de slechte moeten betalen.

Dit lijkt erg op de tot voor kort falende systematiek van het Europese emissiehandelssysteem, dat ook een bonus-malussysteem kent, waarbij een aantal van de grootste Nederlandse vervuilers jarenlang niets hoefde te betalen en zelfs miljoenen te veel aan gratis rechten kreeg overgemaakt, omdat er in Zuid-Europa nog heel wat oude inefficiënte fabrieken staan. Tata Steel, veruit de grootste Nederlandse uitstoter, ‘verdiende’ zo in 2018 (bij de huidige marktprijs) ruim 73 miljoen euro. Trots liet de Nederlandse Emissieautoriteit dit jaar weten dat er weer 42 miljoen emissierechten (voor bijna een miljard euro) aan 361 bedrijven werden uitgekeerd. Voor de bedrijven die grote hoeveelheden gratis emissierechten krijgen, bestaat er geen enkele incentive om minder uit te stoten. Multinationals passen hun beleid aan als overheidsmaatregelen hun spreadsheets gaan beïnvloeden. Die maatregelen en de heffingen moeten dan klip en klaar zijn en zeker geen ontsnappingsroutes bevatten. Want daar weten de lobbyisten van bijvoorbeeld Shell en Tata Steel wel raad mee.