Nieuw Koerdistan

‘We hebben wijze bestuurders nodig’

26 februari 2014 - Langzaam maar zeker krijgt in Noord-Irak een onafhankelijk Koerdistan gestalte. Macho, seculier en booming. En met de deuren open voor de broeders en zusters uit Syrië, Turkije en Iran.

Medium img 8142

Ala loopt ’s avonds met haar vriendinnen door Erbil. De gloednieuwe straten worden uitsluitend bevolkt door mannen. Traag nemen ze het ene na het andere koffiehuis in de Koerdische hoofdstad in. Het is Ala’s eigen ‘naakte revolutie’. Naakt, omdat ze besloot zich bewust bloter te kleden dan strikt genomen comfortabel is. Dat kleine hemdje, dat iets te diepe decolleté, ook al volgen de blikken haar overal. De boodschap: ‘Ja ik heb huid, ik ben naakt en wat dan nog? Er gebeurt niets en er zal niets gebeuren ook. Ik wil laten zien dat een goed meisje best een beetje bloot kan zijn.’

Als Koerdisch-Zweedse die in Iraans Koerdistan geboren is, vertrok Ala naar Koerdisch Irak om mee te bouwen aan een nieuw Koerdistan. Ze schrok van de haast vrouwloze samenleving waarin ze terechtkwam. Vrij bewegen als vrouw in het seculiere, ongelovige Koerdistan bleek een enorme uitdaging te zijn. Haar zelfstandig uitgeroepen ‘naakte revolutie’ is een gevaarlijke strijd, want de bedreigingen zijn niet van de lucht. ‘Er komt een moment dat ik me afvraag welke prijs ik nog wil betalen. Ik kan dit niet alleen blijven doen, ik wil strijden maar laat me niet vermoorden voor deze zaak. Als het zo doorgaat komt er een dag dat ik mezelf gedwongen zie terug te keren naar Zweden.’

Ook het noordelijke bergplaatsje Duhok lijkt overdag een stadje zonder vrouwen. Verbijsterd loop ik tussen honderden mannen in de leeftijd van achttien tot veertig jaar, zonder ook maar één vrouw tegen te komen. In het modernste café van de stad word ik niet alleen uitgelachen maar ook bruut de deur gewezen. Vrouwen horen hier niet in het publieke domein. Als twee Koerdisch-Syrische vluchtelingen die werkzaam zijn in de hippe koffiebar niet hadden ingegrepen en uiteindelijk toestemming kregen om me op een donkere vliering weg te stoppen, had ik nergens een simpel kopje oploskoffie kunnen drinken. ‘Ze weten echt niet hoe ze hier met vrouwen om moeten gaan’, mompelt een van de obers terwijl hij schichtig om zich heen kijkt. ‘In dit land hebben vrouwen geen gezicht.’

In de hele Arabische wereld worden mij verhalen verteld over de florerende opkomende Koerdische staat en foto’s getoond van protserige kantoorflats en mega shopping malls. Ik ben nu zelf naar Noord-Irak afgereisd om te zien of, en zo ja hoe, een onafhankelijk Koerdistan vorm aanneemt. In een poging greep te krijgen op de vele regionale ontwikkelingen die in dit kleine woestijnachtige berggebied samenkomen, reis ik kriskras door dit land van ‘verschroeide aarde’. De reis brengt me terug in de recente gewelddadige geschiedenis van Koerdisch Irak en van het Koerdische volk dat worstelt met de diepe trauma’s van onderdrukking en overheersing.

De achtergebleven positie van de vrouw kent meer oorzaken dan simpelweg religie, begrijp ik al snel. Decennia van gewapend verzet, genocide en burgeroorlog hebben het land gemilitariseerd en de Koerdische man tot een stalen wapen gemaakt. In deze machocultuur dient iedere vrouw te worden beschermd, bespioneerd en begeleid. Wee de vrouw die alleen woont en een man mee naar boven neemt of met een man in de auto zit. Er wordt hard op de deur geklopt, het raampje moet open, vragen, dreigementen, tot je het als vrouw wel uit je hoofd laat om je eigen gang te gaan of simpelweg te moe bent om nog langer de straat op te gaan.

Hoe ver de sociale controle reikt, merk ik bij aankomst bij het appartement van Khontcha waar ik mijn eerste nacht in Koerdistan verblijf. Het is twee uur ’s nachts en Khontcha wacht me in een pyjama op straat op. Zodra ik uit de taxi stap, worden we omsingeld door drie Arabische mannen met AK47’s en een shotgun. Ze dreigen met ons mee naar boven te gaan. Op dat moment komt de taxichauffeur tussenbeiden en onthult zijn ware identiteit: die van asayish, lid van de Koerdische geheime dienst. De vier mannen belanden in een verbaal gevecht waarbij enkele waarschuwingsschoten worden gelost. Khontcha en ik vluchten naar boven en weten net op tijd de deur te barricaderen. De volgende dag ontdekken we dat ze de nieuwe buurtwachten zijn die van de huisbaas de instructie hebben gekregen om nachtelijke bezoekers aan het adres van de jonge vrijgezelle Khontcha op afstand te houden. Ondertussen riepen onze ‘bewakers’ echter doodleuk dat zij zelf wel even een bezoekje aan ons bed zouden brengen.

Hoewel Koerdisch Irak vrouwelijke parlementariërs heeft en zich voorstaat op haar geëmancipeerde seculiere samenleving is het westerse doen en laten slechts een dun laagje vernis. Anders dan in de directe buurlanden komen vrouwen hier pas ’s avonds naar buiten en verschansen zich direct in grote shopping malls – althans, de happy few die geld hebben. In middenklassecafés en -restaurants zijn vrouwen alleen welkom in een gescheiden ‘familievleugel’, meestal een verdieping hoger. Een fenomeen dat verder alleen in Iran en de Arabische Golf voorkomt.

Iedere Koerd benadrukt dat Koerdistan anders is dan de rest van de Arabische wereld. Nationaliteit is voor velen hoog boven religie verheven. De meerderheid van de bevolking is seculier. Met geld van Saoedi-Arabië en Qatar rukt echter ook hier het religieus fanatisme op. Ala wijst me verontrust op de verkiezingsoverwinning van de drie islamitisch-Koerdische partijen bij de regionale parlementaire verkiezingen eerder dit jaar. ‘Religie was altijd een privé-kwestie, een zaak van het hart. Maar dat is nu aan het veranderen, het is een wapen geworden waar te pas en te onpas mee geschermd wordt.’

Medium img 8022
‘Religie was altijd een privé-kwestie, een zaak van het hart. Maar nu is het een wapen geworden’

Roerloos rusten de witte gelijkvormige stenen van het kersverse monument van Chan Chamal op de harde droge grond. De 740 naamloze gedenktekens schitteren in het licht van de felle zon. Ze zijn nog niet aangetast door het woestijnzand, de zomerse hitte en de winterse kou. Honderden vlaggetjes wapperen in de wind. Ooit wapperde de Koerdische driekleur – rood, wit en groen met het symbool van een uitbundige zon in het midden – in de Republiek van Mahabad, het enige echte experiment met een onafhankelijke Koerdische republiek, dat in 1946 onder auspiciën van de Sovjet-Unie in Koerdisch Iran plaatsvond. De republiek hield slechts elf maanden stand. Toen de sovjets zich een half jaar na oprichting uit de jonge Koerdische staat terugtrokken wisten de Perzen binnen enkele maanden het hele gebied te heroveren.

Vanaf dat moment waren de Koerden weer een volk zonder land, opgejaagd en onderdrukt, zonder rechten of mogelijkheden tot expressie van de eigen taal, cultuur en identiteit. Nu de Koerden in Koerdisch Irak vergaande autonomie hebben verkregen en de Koerden in Syrië steeds meer controle krijgen over hun geboortegrond lijkt de komst van een Koerdische republiek weer even dichtbij als in die onrustige dagen van Mahabad.

Medium img 8357

Traag loopt Dolzar tussen de gedenkstenen. Naast hem loopt Ako Sirini met gebogen hoofd. Hij is een oud-pesjmerge, een vrijheidsstrijder die al op zijn zeventiende de bergen in trok om tegen de troepen van Saddam Hoessein te vechten. Ako, nu veertig, overleefde twee mosterdgasaanvallen, de mannelijke familieleden van Dolzar werden gedood tijdens Saddams brute geweldscampagnes. Zijn vader, ooms, opa en neven werden in de beruchte Al-Anfal-operatie naar het zuiden gedeporteerd en vermoord.

Dolzar is 24 maar lijkt eind dertig. Hij was slechts twee maanden oud toen de troepen van Saddam zijn geboorteplaats Chan Chamal binnenvielen en het stadje van de kaart veegden. Zijn moeder vluchtte met haar baby de bergen in en veranderde zijn naam in Dolzar, wat ‘verwond hart’ betekent. Met een ernstige blik overziet hij de graven. Tot op de dag van vandaag weet niemand waar zijn familie ligt. In een poging Irak blijvend te arabiseren deporteerde Saddam Hoessein in 1988 honderden families van Koerdisch Irak naar het Arabische zuiden. Volgens de goed gedocumenteerde archieven van de Koerdische autoriteiten kwamen er bij deze operaties 182.000 Koerden om.

Na de Amerikaanse inval in Irak van 2003 – door de Koerden niet ‘invasie’ maar ‘bevrijding’ genoemd – heeft Koerdisch Irak vergaande autonomie verkregen en beschikt het nu over een eigen federale regering en parlement. In razend tempo bouwen de Iraakse Koerden een nieuwe staat op. In het land van de verschroeide aarde, waar Saddam ruim vijfduizend stadjes, dorpen en gehuchten liet verwoesten, herrijzen nieuwe plaatsen. Onderdeel van de wederopbouw van Koerdistan is ook de verwerking van het gewelddadige verleden: de Koerdische genocide, de gifgasaanvallen en Al-Anfal, de hongersnood en vervolgens de burgeroorlog in de jaren negentig tussen de twee grote heersende politieke facties – de kdp die tegenwoordig de dominante partij van de hoofdstad is en de puk die de tweede grote stad van de Koerdische Regionale Autoriteit (krg) controleert. Onderdeel van dit verwerkingsproces is de zoektocht naar de tienduizenden vermisten, om ze van een definitieve rustplaats te voorzien. Het moderne Koerdistan kent zelfs een ministerie van Al-Anfal dat zich richt op de grootschalige zoektocht naar massagraven, de identificatie van slachtoffers en compensatie van de overgebleven familieleden.

‘We weten in ieder geval van het bestaan van vijftig massagraven die nog moeten worden geopend’, vertelt de directeur van het monument van Chan Chamal. Vanaf zijn ruime kantoor in het nieuwe museum had hij ons tussen de graven zien lopen. ‘Door de veiligheidssituatie in het zuiden kunnen we de graven nog niet openen om de lichamelijke overschotten terug te brengen naar Koerdistan.’

‘Het is niet nodig om voor hen die voor dit land zijn gesneuveld te huilen, zij zijn niet dood maar leven voort in het hart van ons volk’, staat er op iedere witte steen. ‘Wat je voelt is het geweeklaag van het Koerdische volk’, fluistert Ako terwijl hij de tranen van zijn gezicht veegt. Deze 740 graven zijn net nieuw. dna-testen moeten nog uitwijzen wie hier begraven liggen. Het zouden slachtoffers uit dit gebied moeten zijn, maar voor hetzelfde geld komen ze uit een ander dorp. Voor Dolzar maakt het allemaal niet uit. ‘Voor mij is ieder graf mijn vader, mijn oom en mijn neef.’ Er is een speciale sectie voor de tweehonderd kinderlijkjes die hier begraven liggen. Sommige kinderen werden gevonden met de knikkers nog in de hand.

Ik verblijf twee nachten bij de familie van Ako: zijn moeder, tante, oom en neven en zijn zus die met haar verloofde vanuit Nederland op bezoek is. We slapen op kleden en kussens op de grond. Ik deel een bed met Ako’s zus. Het kleine huis heeft geen douche of gewoon toilet. Ako’s oom en tante zijn de zestig gepasseerd en hebben allebei een tijd in de gevangenis gezeten, een tactiek van het regime om hun zonen te dwingen de strijd op te geven. ‘En?’ vraag ik Hemn Qadr, een van die zonen die nu halverwege de dertig is. ‘Natuurlijk gaven we de strijd niet op!’ antwoordt hij direct. ‘Papa had via-via duidelijke instructies gegeven, hij stierf liever in de gevangenis dan dat zijn kinderen zich zouden overgeven. Maar veel vrienden legden de wapens wél neer in die tijd. Zij konden de druk van het idee dat hun eigen moeder en vader in het gevang zaten niet aan. Het was een valstrik. Zodra ze zich overgaven werden ze vermoord en de familie werd slechts zelden vrijgelaten.’

‘Het is niet nodig om voor hen die voor dit land zijn gesneuveld te huilen, zij leven voort in het hart van ons volk’

Twee dagen eerder smokkelen Ako en zijn medewerker Nawa Maaroof me in hun auto door Kirkuk. Een bloedlinke stad op de grens van de Koerdische Regionale Autoriteit en Irak, waar iedere dag wel ergens gevochten wordt of een autobom afgaat. In de zanderige verschroeide berm van een gloednieuwe snelweg blijf ik staan en kijk uit over de donkere rookpluimen van de olievelden in de verte. Aan velden als deze hebben de vijf tot zes miljoen Koerden hun steeds comfortabeler levensstijl te danken. De overheid betaalt vrijwel al haar programma’s uit olie-inkomsten en de meeste Koerden hoeven niet of nauwelijks belasting te betalen.

De Koerden die een meerderheid vormen in deze olierijke stad, waar geen boom staat, eisen de autoriteit over het gebied op, terwijl de Iraakse overheid in een verwoede poging de stad te controleren de demografie in het voordeel van de Arabieren wil buigen. Daarom stuurt zij duizenden (gast)arbeiders uit het zuiden en zet ze Arabische boeren in de raffinaderijen en op de olievelden aan het werk.

Zodra ik de grenzen van de krg achter me laat, voel ik de dreiging. De wegen zijn slechter. De uniformen bij de checkpoints armoediger. Overal beton, gaas, hekken, metaaldetectoren, wegblokkades. Terwijl de krg floreert, wordt Irak nog steeds opgeschrikt door de ene na de andere geweldsuitbarsting. Soennitische en sjiitische milities gijzelen de bevolking, Bagdad wordt geplaagd door autobommen en in Mosoel, Basra en Falujah wordt regelmatig op klaarlichte dag gevochten. De christenen van Irak worden opgejaagd en vermoord. Van de tweeduizend jaar oude Iraakse kerken is niet veel meer over dan verbrande ruïnes, behalve dan binnen de veilige grenzen van de krg, waar veel christenen een veilige haven vinden. Hier stromen de oliedollars en wordt in snel tempo een nieuwe staat uit de grond gestampt.

De diverse Koerdische bevolking leeft vreedzaam samen met de vele christelijke groeperingen die onder meer het uitgestrekte uitgaansgebied Ankawa in Erbil bevolken. Naast relatieve stabiliteit en economische ontwikkeling is een goede omgang met minderheden voor de Koerdische autoriteiten een manier om internationale steun te krijgen voor de oprichting van een eigen staat. Die kan tegelijk een safe haven vormen voor de opgejaagde christenen in de regio.

Koerden uit de diaspora – oorspronkelijk afkomstig uit Iran, Turkije of Syrië, met of zonder omweg door Europa waar ze één of twee generaties geleden tot Zweedse, Nederlandse of Britse staatsburgers zijn genaturaliseerd – keren terug of arriveren voor het eerst in hun eigen ‘Koerdistan’. Voor hen is het niet de vraag óf er een Koerdische republiek komt, maar wanneer.

In een poging de zware pagina’s van de geschiedenisboeken om te slaan wordt er als een gek gebouwd en daarbij wordt vaak geprobeerd zo veel mogelijk op het Westen te lijken. Opvallend genoeg zijn het niet de Koerden zelf die hun land omvormen tot een grijze wereld van beton en asfalt, maar de Turken die een graantje meepikken van de Koerdische opmars. De vijand van de ene Koerd is de vriend van de andere. Terwijl de Koerden in Turkije zich met man en macht tegen de Turkse donatie verzetten, kijken de Koerden in Irak met respect naar de Turken, sturen ze hun kinderen het liefst naar Turkse scholen, wonen ze in door Turken ontwikkelde huizen en stroomt hun olie straks ook door een Turkse pijplijn.

Kritische Koerden, zoals mijn vriendin Beri Shalmashi, waarschuwen voor de goede banden tussen Erbil en Ankara. ‘Het is gewoon een nieuwe manier van de Turken om controle te houden over wat hier gebeurt’, zegt ze verontwaardigd. ‘De Turken zijn doodsbang voor de komst van onze Koerdische staat. Dat verklaart ook de verzoenende houding van Erdogan richting de Koerden in eigen land. Hij weet dat de situatie onhoudbaar is, zeker nu de Koerden in Syrië al ruim twee jaar de controle hebben over hun gebied en door de Syrische burgeroorlog vergaande autonomie hebben verkregen.’

Naast het oude fort van Salah ad-Din, de legendarische Koerdische veldheer uit de tijd van de Kruistochten die in het Westen beter bekend is als Saladin, staat een kleine zandsteenkleurige replica van de Big Ben in Londen. In de tweede grootste stad van de Koerdische regio Slemani schittert de slechte replica van de Burj al-Arab uit Dubai.

De nieuwe hoofdstad van de Koerdische Regionale Autoriteit Erbil – in het Koerdisch Hewlêr genoemd – is volgens de lokale bewoners de oudste nog bewoonde stad ter wereld. Al in het vroegere Mesopotamië zou het een bloeiend ontmoetingspunt van de verschillende volken in deze regio zijn geweest. Nog steeds komen hier eeuwenoude volken en religieuze sektes samen: de Koerden, natuurlijk afkomstig uit breder Koerdistan, maar ook de christelijke Chaldeeën, Armeniërs, Assyriërs, Arabieren, Yazidi’s en zelfs enkele zoroasten, madaeïsten en joden. Hier stromen de Eufraat en de Tigris, nu magere stroompjes maar eens brede rivieren waarvan de vruchtbare oevers Adam en Eva in de bijbelse Hof van Eden een thuis boden.

De christenen van Irak worden opgejaagd en vermoord. Van de oude Iraakse kerken is niet veel meer over dan ruïnes

Erbil is een grote maar vooral ook doodse stad. De buitenwijken staan vol identieke halfhoge vrijstaande huizen, alle in eenzelfde stijl. Ik bivakkeer in grote, lege en vooral kale appartementen, bewoond door net gearriveerde westerse Koerden. Altijd staat in de hoek van de kamer of op de gang een gepakte trolley voor het geval er naar Europa gevlucht moet worden of naar familie aan de andere kant van de grens. Het centrum telt veel glazen torenflats, kantoorpanden en neonverlichte shopping malls. Afgezien van een groot park is er nauwelijks groen in deze betonnen blokkendoos. Enorme suv’s rijden over de brede wegen. De Amerikaanse bevrijders hebben hun werk goed gedaan.

In de restaurants en betere winkels werken veel Libanezen. Bij de onbekende fastfoodketens nemen Turken, Egyptenaren en Chinezen je bestelling op. Zo ontmoet ik Sayed, een jonge boerenzoon uit de Egyptische Delta die bij Chili House in Family Mall werkt. Een McDonald’s heeft Erbil nog niet, een Kentucky Fried Chicken opent binnenkort. Ikea heeft al gelobbyd om een vestiging, maar liep vast op de stroperige bureaucratie van Bagdad, dat alleen met het Zweedse verzoek akkoord wil gaan als er ook een Ikea in de Iraakse hoofdstad komt, zo fluistert de Zweeds-Koerdische Khontcha me in.

Sayed vindt Erbil prachtig: groot, modern en schoon. ‘Ik word goed betaald, in Egypte kon ik geen werk vinden maar hier is werk in overvloed.’ Het is wellicht ook een van de redenen waarom veel Koerdische investeerders vanuit het buitenland massaal terugkeren of zich voor het eerst vestigen op Koerdisch grondgebied. Zo ontmoet ik in Barista Café – een slap aftreksel van Starbucks waar jonge westers georiënteerde Koerden samenkomen en hele dagen achter hun laptops doorbrengen – een dertigjarige Brits-Koerdische zakenman die in onvervalst Oxford-Engels afgeeft op de eurocrisis en de Europese economie. Volgens hem is dit het juiste moment om in Koerdistan te investeren. Hij runt verschillende bedrijven en is daarnaast sinds kort zaakwaarnemer voor de Verenigde Arabische Emiraten die ook willen profiteren van de economische boom in het land.

Ondertussen groeit er een nieuwe generatie Koerden op die nog nooit een wapen in de hand heeft gehad. Hoe sterk de Koerdische geschiedenis desondanks een stempel op hen drukt, blijkt bij een bezoek aan het Internationaal Filmfestival in Duhok, een klein bergstadje in het noorden van het land, niet ver van de Turkse grens. Ik vergezel mijn vriendin Beri naar de première van haar korte film over eerwraak en zelfverbranding. Beri is een van de vele Koerdische Nederlanders die naar Koerdistan is vertrokken en daar gewoon pindakaas en ontbijtkoek van het C1000-huismerk bij een plaatselijke Hollandse supermarkt kan inslaan. Ze vertrok in eerste instantie naar de krg om Kader Abdolah’s bestseller Het huis naast de moskee te verfilmen, maar bleef plakken om te helpen de culturele identiteit van het moderne Koerdistan nader vorm te geven.

Beri’s familie komt niet uit Koerdisch Irak maar uit het Iraanse deel van Koerdistan. En hoewel ze telkens benadrukt dat in Koerdisch Irak de taal, eetgewoonten, omgangsvormen en positie van de vrouw schril afsteken bij die van de Koerden aan de andere kant van de grens is en blijft dit toch haar Koerdistan. Trots toont ze me haar film, die gedraaid wordt te midden van een reeks korte films van jonge Turks-, Iraaks-, Syrisch- en Iraans-Koerdische filmmakers. De thema’s van de films zijn groots en meeslepend: dood, gevangenschap, oorlog en het heldhaftige optreden van vrijheidsstrijders in de groene bergen van groter Koerdistan. De kwaliteit is tenenkrommend; het regent afschuwelijke special effects en slechte dialogen. ‘Nog een reden waarom ik hier wel moet blijven, er is echt zoveel werk te doen’, fluistert Beri in m’n oor.

Medium img 7907

De starre cultuur is een van de vele redenen waarom niet alle Koerden een even sterke culturele affiniteit voelen ten aanzien van hun Koerdische broeders. Veel Koerden die oorspronkelijk niet uit Koerdisch Irak komen, blijven verlangen naar hun eigen deel van Koerdistan, zo ontdek ik in Makhmour bij mijn bezoek aan een pkk-kamp. Het kamp ligt net buiten de controle van de krg, midden in de woestijn, en de kippen rennen er kakelend tussen de kinderen door. Zachtjes wuift de wind langs de bladeren van een olijfboom in bloei. Volle druiventrossen bungelen aan een raster boven mijn hoofd.

De smalle tuin aan de buitenrand van het kamp van Makhmour is meer dan idyllisch. Het overdadige groen is het laatste wat de grote familie in het uit ruw beton en stenen opgebouwde huisje aan de groene bergen van Zuidoost-Turkije herinnert. Buiten de krakkemikkige houten poort begint een eindeloze zee van gruis en keien. Vijftien jaar woont deze familie hier al.

Opgejaagd door Turkse troepen werden de (ex-)pkk-strijders door Saddam Hoessein naar het gebied gelokt. Het was een politiek spel. Turkije steunde Koerdische partijen in Irak en dus besloot Saddam de pkk uit Turkije een toevluchtsoord te bieden. Een opvallende stap gezien de massale Al-Anfal-campagnes.

‘In Erbil werd ieder meisje met argusogen gevolgd. Soms kon ik niet geloven in Koerdistan te zijn’

Het bleek een valstrik: uitgeput kwamen de berooide vluchtelingen destijds in het kurkdroge gebied aan. Er was geen boom of grassprietje te bekennen. Het water was vergiftigd en het wemelde er van de kleine schorpioenen. In de eerste weken vonden tientallen mensen de dood. Vooral kinderen en verzwakte ouderen konden de nieuwe leefomgeving niet aan.

In het kamp verblijven tegenwoordig twaalf- tot veertienduizend mensen, volgens de inwoners zelf ligt het totaal echter op twintigduizend. Er zijn zeven van dergelijke pkk-kampen in Noord-Irak. De zanderige straten en betonnen stegen wemelen van de spelende kinderen en groepjes schoolkinderen die in uniform van en naar het lokale schooltje gaan. Terwijl hun ouders nog de Turkse nationaliteit hebben, hebben deze kinderen geen recht op een Turks paspoort. Tegelijkertijd worden ze ook niet als Iraaks staatsburger erkend. Ze zitten gevangen in een van de vele ingewikkelde politieke spelletjes in deze regio.

Ik bezoek het huis van de familie van Beritan (23), afgestudeerd filmmaker en voormalig topstudente. Beritan oogt eerder als 35 dan als een jonge twintiger. Naar haar zeggen maakt het leven in een kamp je oud. Samen met haar broertje Gomah (19) bereidt ze de lunch voor en geeft een rondleiding door hun dagelijkse leefgebied. Beiden waren nog kind toen ze aankwamen in Makhmour en ze dromen, zoals iedereen in het kamp, van een eigen Koerdische staat in Turkije. Hoewel de Koerdische Regionale Overheid Noord-Irak in snel tempo aan het uitbouwen is tot een volwaardige eigen Koerdische staat, beschouwen ze dit toch niet als hun land.

Beritan studeerde vier jaar lang in de Koerdische hoofdstad Erbil. Hoewel de sociale controle van thuis volledig verdwenen was, voelde ze zich op de campus minder vrij. ‘Hier is iedereen gelijk, vrouwen hebben een even prominente plek als mannen en ’s avonds kan ik met vrienden vrijelijk over straat’, legt ze uit. ‘Maar in Erbil moest ik om vijf uur ’s middags al naar binnen en werd ieder meisje met argusogen gevolgd. Soms kon ik niet geloven in Koerdistan te zijn.’

Dat is in dit pkk-kamp wel anders. In feite is Makhmour een commune gebaseerd op de communistische principes van de pkk. Mannen en vrouwen zijn volstrekt gelijk aan elkaar en religie speelt nauwelijks een rol. De gebedsoproep klinkt schraal uit een klein moskeetje in het midden van het kamp waar niemand naartoe gaat. Aan de muren van Beritans huisje hangen de foto’s van de martelaren van de familie. Twee zussen – op de foto’s met korte kapsels en tot de tanden toe bewapend – vonden als strijder in de Oost-Turkse bergen hun dood. Van de in totaal negen kinderen vechten nog twee zussen in het noorden. Ze houden minimaal contact per brief. ‘Ik ga naar de bergen’ is in het kamp nog steeds een veel gehoorde kreet. Het staat gelijk aan: ‘Ik ga strijden en kom waarschijnlijk nooit meer terug.’

Beritan heeft in haar hoofd al afscheid van haar zussen genomen. ‘Als iemand weggaat, ga je er al niet meer vanuit dat hij of zij terugkomt, je bent ze verloren’, zegt ze met droge ogen. Zelf wil Beritan niet gewapend het berggebied in. Trouwen wil ze ook niet. Ik denk wel te weten waarom: net als haar broertje heeft het er alle schijn van dat ze homoseksueel is. Ondanks alle broederschap en gelijkwaardigheid een onbespreekbaar taboe in het kamp. Samen met haar broertje wil Beritan via Turkije naar Europa – om films te maken, haar artistieke talenten te kunnen ontplooien en in volledige vrijheid te kunnen leven.

Ondertussen marcheert op straat een lange stoet mensen voorbij. Mijn bezoek aan Makhmour valt samen met de herdenking van de arrestatie van hun grote leider Abdullah Öcalan. Kinderen zwaaien met vlaggetjes en banieren met zijn gezicht erop. Stokoude mannen patrouilleren in guerrillakleding door de straatjes. Samen met een Koerdische vriendin zijn we de enige buitenstaanders in het kamp. Onopvallend volgen we de stoet tot een open terrein met een podium waar honderden mannen, vrouwen en kinderen zwaaien met vlaggen. Jonge meiden met een groene band met het logo van de pkk om de arm controleren geroutineerd onze tassen. Vanuit de speakers klinkt luide militaristische muziek ter ere van Öcalan, die door de mensen in het kamp aanbeden wordt als ware hij God zelf. Zijn gezicht staat haast op elke muur en in de huizen hangen foto’s van hem.

‘Ons bestaan oefent druk uit op Turkije. Als we opgaan onder de Koerden hier zijn zij van het probleem af’

Met de snelle geboorte van een semi-Koerdische staat in Noord-Irak hebben de inwoners van dit kamp voor het eerst de mogelijkheid zich buiten het kamp te vestigen en een leven in Erbil of een van de andere steden op te bouwen. Maar men kiest ervoor om in het kamp te blijven. Het is een politieke kwestie. ‘We blijven bij elkaar zodat we een gemeenschappelijke strategie kunnen bepalen en onze strijders kunnen sturen en steunen’, aldus Beritan. ‘Daarbij oefent ons bestaan druk uit op Turkije. Als we opgaan onder de Koerden hier zijn zij van het probleem af.’

Uiteindelijk bestaat er voor de inwoners van Makhmour maar één echt Koerdistan: hun eigen groene bergen in Turkije.

Medium img 8066

De Koerdische Regionale Autoriteit wil juist zo veel mogelijk Koerden huisvesten om de demografische balans in het Koerdische voordeel te laten uitslaan. Het verklaart haar warme opstelling ten aanzien van de massale influx van vluchtelingen uit Syrië, die voor het leeuwendeel Koerdisch zijn.

Samen met twee medewerkers van Stichting Vluchteling bezoek ik een nieuw tijdelijk vluchtelingenkamp in Arbat. In het geordende kamp verblijven momenteel 2448 vluchtelingen. Het zijn vrijwel allemaal Syrische Koerden. Noord-Irak grenst direct aan het Koerdische woongebied in Syrië en is het enige deelgebied onder Koerdisch bestuur met relatieve vrijheid en veiligheid in deze regio.

De hulporganisaties hebben weinig te klagen. Integendeel, ze prijzen de rol van de Koerdische Regionale Overheid, die inderdaad een verademing is in vergelijking met de andere overheden in de regio. Op een kwartier afstand van het tijdelijke kamp verschijnt een veel groter kamp dat formeel ruimte biedt aan veertigduizend vluchtelingen, maar waarvan de bouw door het lastige terrein veel vertraging heeft opgelopen. Ieder gezin krijgt zijn eigen stukje land met daarop in eerste instantie een tent, maar de vluchtelingen mogen in de loop van de tijd hun eigen onderkomen bouwen. Gezinnen krijgen hun eigen keuken en sanitaire voorzieningen – een ongekende luxe, gefinancierd en gebouwd door de plaatselijke autoriteiten die onder druk van de plaatselijke bevolking hun beste beentje voor zetten.

Aan de rand van Arbat staan tientallen al dan niet werkende airconditionings, oventjes, satellietschotels en andere goederen die gedoneerd zijn door de inwoners uit de stad. Maar ook hier neemt de druk gestaag toe nu Noord-Irak steeds meer overspoeld raakt. Zo is het uitgestrekte kamp Domiz oorspronkelijk ingericht voor vijftien- tot twintigduizend vluchtelingen, maar puilt het nu uit met ruim 53.000 man. In de eindeloze zee van tenten, hutjes, stenen huisjes en krotten van golfplaten zijn ook de hulporganisaties de tel kwijt. Het kamp is veranderd in een stad met kappers, bakkers, groentewinkeltjes en zelfs fietsenmakers. Er wordt druk gekocht en verkocht, zelfs Koerden van buiten het kamp komen er graag koopjes jagen.

Ontluikend Koerdistan verwelkomt z’n Koerdische broeders aan de andere kant van de grens in eerste instantie met open armen. De vluchtelingen mogen vrijelijk de kampen uit en dat doen ze ook. In en rond de grote steden wemelt het van de Koerdische Syriërs die een eigen tentje opzetten, een huis huren of een appartement betrekken. En anders dan in Libanon kunnen ze hier wel werkvergunningen en zelfs verblijfsvergunningen krijgen. Internationale hulporganisaties hebben vrij spel om kampen te bouwen waarin de vluchtelingen uiteindelijk hun eigen huisjes mogen neerzetten.

Hoewel er niet overal werk is en de Koerdische Syriërs vooral laag onderbetaald werk doen, zijn er wel veel baantjes in de bouw- en servicesector. Tot genoegen van de lokale Koerden is de service in de koffiehuizen en restaurants flink verbeterd met de komst van deze goedkope maar vaak beter opgeleide arbeidskrachten.

De Koerdische autoriteiten zinspeelden er de afgelopen maanden herhaaldelijk op dat ze bereid zijn met hun troepen Syrië binnen te trekken om de Koerdische strijders daar te ondersteunen. Na de aanslagen op het ministerie van Binnenlandse Zaken en de geheime dienst in Erbil begin oktober, die volgens de Koerdische autoriteiten gepleegd zijn door de islamitische terreurorganisatie Islamic State of Iraq and Syria, staan de verhoudingen op scherp. Een Koerdische inval in Syrië zou van het Koerdische leger een vrij opererend orgaan maken dat zelfstandig internationaal opereert en president Berzani vergaande controle geven over de Koerdische bevolking – binnen én buiten de formele federale grens.

De Syrische Koerden in Arbat en Domiz vertellen echter een gemengd verhaal. Ze zijn dankbaar voor de hulp, maar een stuk kritischer over de Koerdische overheid dan de internationale hulporganisaties. ‘Schrijf op dat nieuw aangekomen Koerden zich niet meer kunnen registreren en daarom niet kunnen werken of langs de checkpoints kunnen komen’, zegt de lokale kapper in een krappe herensalon in Domiz. De mannelijke aanwezigen knikken. ‘Hij is gevangen in dit kamp.’ De kapper wijst op een boer uit de provincie Hassaka in Syrië die net anderhalve maand in Domiz verblijft. Over de reden waarom het nieuwe vluchtelingen moeilijker wordt gemaakt om zich bij de overheid aan te melden zijn de klanten het unaniem eens: ‘Ze willen ons terug naar Syrië hebben.’

Ook in Arbat wordt geklaagd over het grote tekort aan werk en de trage bureaucratie. ‘De overheid kan de toestroom niet aan’, zegt de ene hulpverlener. ‘Ze heeft in de kampen meer controle over de vluchtelingen dan in de stad’, oppert een ander. ‘Het zijn er gewoon veel en veel te veel.’

Terug bij het monument van Chan Chamal toont de directeur me trots het gigantische nog niet-geopende museum dat tevens zal fungeren als congrescentrum en waar een enorme filmzaal, bibliotheek, foto-expositie en een replica van een massagraf de bezoeker van het Koerdische lot moeten doordringen. Aan het eind van de rondleiding krijg ik een speciaal certificaat overhandigd dat normaal alleen voor politici en staatshoofden is bedoeld. Voor ik het weet ben ik tot ambassadeur van ‘Al-Anfal’ gelauwerd. De directeur toont me nog een grote vergaderzaal met uitzicht op de witte grafzerken. ‘Hier’, zegt hij plechtstatig, ‘zullen de politici van de verschillende partijen van ons land in de toekomst samenkomen. Met het verleden in het oog zullen ze hopelijk hun verschillen opzij kunnen zetten en betere beslissingen nemen voor de toekomst. Ons land heeft nog een lange weg te gaan en we hebben wijze bestuurders nodig.’


Beeld: (1) De achterzijde van het vluchtelingenkamp Domiz waar meer dan 53.000 Koerdische Syriërs onderdak hebben gevonden. (2) Herdenking van de arrestatie van leider Abdullah Öcalan in het PKK-kamp Makhmour. (3) Gedenkstenen van Chan Chamal. Op de achtergrond de pas gebouwde kermis. (4) Foto van PKK-strijders in de Turkse bergen in de woning van Beritan in PKK-kamp Makhmour. (5) Hekken om het vluchtelingenkamp Arbat.