Nederland berecht internationale misdadigers

‘We houden ons stoepje schoon’

Nederland behoort tot de top van landen die werk maken van het vervolgen van oorlogsmisdadigers. Momenteel staat een Ethiopische Nederlander terecht voor misdrijven die veertig jaar geleden in Ethiopië zijn gepleegd.

Medium gettyimages 515219042
Addis Abeba, 1977. Militairen van Ethiopië’s nieuwe leger, in Noord-Koreaanse uniformen en met Russische automatische wapens © Bettman / Getty Images

De deur zwaait open. Een politieagent stapt de rechtszaal binnen, gevolgd door de verdachte. Met opvallend atletische tred loopt Eshetu A. naar de beklaagdenbank. Enkele seconden zien de bezoekers op de publieke tribune zijn gezicht. Opvallende jukbeenderen. Kort zwart haar. Grijze plukjes aan de slapen. Vage snor. Strak gelaat. Hij draagt een grijs gewatteerd jack, dat hij zal aanhouden omdat hij zich niet lekker voelt. Als Eshetu A. (63) naast zijn advocaten heeft plaatsgenomen, kijkt hij aan tegen een indrukwekkende rij toga’s: twee officieren van justitie, vier rechters en twee griffiers. Allen vrouw, op de reserve-rechter na. Op de wit gesausde bakstenen muur achter hen het staatsieportret van de koning met de hermelijnen mantel.

De publieke tribune zit vol als de rechtbank van Den Haag op 30 oktober 2017 begint met de inhoudelijke behandeling van een van de grootste oorlogsmisdrijvenzaken die sinds jaren in Nederland dient. ‘U bent hier als verdachte’, zegt rechter Mariëtte Renckens, die deze meervoudige kamer voorzit. ‘Dat betekent dat u geen vragen hoeft te beantwoorden. Maar het mag wel.’ Eshetu A., die tijdens de politieverhoren veel heeft gezwegen, zal de komende dagen spreken over zijn leven en zijn geliefde Ethiopië, waar in 1978 de misdrijven plaatsvonden waarvoor hij is aangeklaagd. Begin jaren negentig vluchtte hij naar Nederland, kreeg asiel en de Nederlandse nationaliteit. Hij verdiende als beveiliger de kost. Tot in de vroege ochtend van 29 september 2015 de politie zijn Amstelveense woning binnenviel. Sindsdien zit hij in voorlopige hechtenis.

Nicole Vogelenzang, officier van justitie, staat op, schikt haar witte bef en begint met het voorlezen van de tenlastelegging. Eshetu A. wordt beschuldigd van vier feiten: vrijheidsberoving van 321 personen, de marteling van negen personen, de executie van 75 mensen, en het zonder eerlijk proces gevangen zetten van 240 mensen.

Wat vindt u van de lijst van beschuldigingen? vraagt rechter Renckens. ‘Dank u wel, mevrouw de voorzitter’, antwoordt Eshetu A. in keurig Nederlands. ‘Ik vind het heel erg schokkend’, klinkt zijn zachte, licht-hese stem, maar ‘ik zie mijzelf niet in dat verhaal. Ik ben niet degene die verantwoordelijk is voor de feiten in de tenlastelegging.’ Hij voegt eraan toe: ‘De officier van justitie richt zich op de verkeerde persoon.’ Renckens: ‘Is het iemand anders misschien?’ De verdachte: ‘Ik zou het niet weten.’

Gedurende drie weken zullen in de rechtszaal gebeurtenissen centraal staan die maar liefst veertig jaar geleden plaatsvonden. Eshetu A. behoorde tot de top van de Derg, de marxistisch-leninistisch geïnspireerde junta die van 1974 tot 1991 met grote wreedheid Ethiopië regeerde en rücksichtslos optrad tegen gewapende afscheidsbewegingen en oppositiepartijen. Met name de Ethiopian People’s Revolutionary Party (eprp), dat aanslagen pleegde, moest het ontgelden. De vervolging van deze oppositiepartij staat centraal in dit proces. Van 1977 tot 1978 was Eshetu A. de hoogste vertegenwoordiger in de noordwestelijke provincie Gojjam waar hij, aldus de aanklacht, een gewelddadige campagne tegen eprp-leden leidde. Maar als Renckens vraagt tot wanneer hij in Gojjam was, antwoordt de verdachte: ‘Dat is moeilijk te zeggen. Mijn geheugen is erg achteruit gegaan.’

Small b8e5f867a5334f5e962a2b4da0bb8a7e 0
Sebene Ademe toont foto’s van haar broer Belachew, die in 1978 in opdracht van Eshetu A. zou zijn vermoord © Mike Corder / AP / HH

In die jaren werden in Ethiopië vele mensen gedetineerd en gemarteld, hoe zat dat in Gojjam? vraagt de rechtbank. ‘In mijn tijd was geen sprake van zo’n onmenselijke behandeling’, stelt de verdachte. Tekende u executieopdrachten? ‘Ik heb nooit mijn handtekening onder dodenlijsten gezet.’ Over executies die bij de gevangenis van de provinciehoofdstad Debre Marcos plaatsvonden, zegt hij: ‘Het is onvoorstelbaar. Maar ik ben er niet bij aanwezig geweest. Het is een foute beschuldiging.’ Toch hebben getuigen over de misdrijven verklaard en hem als verantwoordelijke aangewezen. ‘Ze liegen’, aldus de verdachte, die drie dagen door rechters en officieren aan de tand wordt gevoeld.

Het is opvallend dat vrijwel niemand uit de Ethiopische gemeenschap in Nederland op het proces is afgekomen. Slechts één Ethiopische Nederlander zal alle zittingen bijwonen. Op de publieke tribune zitten wel enkele Ethiopische slachtoffers die hebben getuigd en speciaal zijn overgekomen vanuit de Verenigde Staten en Canada, waar ze al decennia wonen. De tickets zijn door Nederland betaald. Stilletjes luisteren ze naar de ontkenningen.

Na de zitting is een slachtoffer bereid zijn verhaal te vertellen. Hij neemt plaats in het cafetaria van het Haagse Paleis van Justitie. Een stijlvolle verschijning in een lichtgrijs pak. Hij weet nog goed hoe in 2013 opeens de Nederlandse politie voor de deur stond met het verzoek of hij wilde meewerken aan het onderzoek tegen de verdachte. Vier jaar heeft hij moeten zwijgen om de zaak niet in de wielen te rijden. Ook nu wil hij alleen anoniem zijn verhaal doen. ‘Als ik naar Eshetu kijk, lopen de rillingen me over de rug. Alle herinneringen komen terug’, zegt hij. Het was half februari 1978 toen op zijn middelbare school in Debre Marcos ‘exposure meetings’ werden gehouden waarbij mensen zichzelf als eprp-lid moesten aangeven. De getuige weet het zeker: Eshetu A. was aanwezig. ‘Nadat ik mijn lidmaatschap had opgebiecht werd ik eerst meegenomen naar een militair kamp.’ Maar daarna belandde hij in de hel: het politiekamp. De gevangenen zaten in overvolle ruimtes. Er waren geen sanitaire of medische voorzieningen. Families moesten eten brengen. Maar het ergst waren de martelingen.

Eshetu A. wordt ervan beschuldigd vijf speciale verhoorders uit Addis Abeba te hebben laten komen. ‘Vergeleken met anderen ben ik niet zwaar gefolterd. Ze hebben me met een soort riem, waarin een spijker zat, op mijn voetzolen geslagen. Dat deed verschrikkelijk veel pijn. Ik ben daardoor gewond geraakt en kon moeilijk lopen.’ Als hij denkt aan het lot van schooldirecteur Melaku kan hij zijn tranen niet bedwingen. ‘Ze hebben hem met de handen achter zijn rug gebonden opgehangen en zijn hele lichaam afgeranseld. Buiten de martelkamer hebben ze hem op het gravel gelegd. Daar heeft een ondervrager met de bajonet van zijn kalasjnikov een kruis in zijn rug gekerfd. Melaku was stervende. Met een zachte stem vroeg hij om water. Maar de gevangene die hem wilde laten drinken werd geslagen. Eindelijk lukte het de gevangenen om hem mee te nemen en zijn wonden te verzorgen. Maar hij zou het niet halen. Hij spuwde bloed en stierf voor onze ogen’, vertelt de getuige.

Meteen na de dood van de schooldirecteur kwam Eshetu A. langs. ‘Ik zie hem nog voor me. Hij tikte met een stok ergens tegenaan.’ Hij vervolgt: ‘Ik heb het geluk dat ik leef. Zoveel vrienden zijn op last van Eshetu geëxecuteerd. Ik hoop op gerechtigheid voor alle mensen die zijn gedood, zodat onze geliefde vrienden niet tevergeefs zijn gestorven.’

Lange tijd dacht André Klip, hoogleraar internationaal strafrecht bij Maastricht University, dat Nederland nooit dit soort zaken zou doen. Na de Tweede Wereldoorlog waren weliswaar vele duizenden mensen vervolgd voor collaboratie met de Duitsers, maar aan de berechting van Nederlanders en personen hier te lande, die verdacht werden van internationale misdrijven in het buitenland, waagde de overheid zich niet. Ook al bestond al decennia het wettelijk instrumentarium. Vanaf 1952 was de Wet Oorlogsstrafrecht (wos) van kracht. Nederland had zich aangesloten bij het Genocideverdrag en Folteringverdrag, waardoor volkerenmoord en marteling strafbaar waren. In 1994 was het Nationaal Opsporingsteam Joegoslavische Oorlogsmisdadigers (nojo-team) opgezet, in 1998 omgezet in het Nationaal Opsporingsteam voor Oorlogsmisdrijven (novo-team). Deze politieteams werden echter ‘zonder geestdrift’ aangestuurd door het militair parket in Arnhem, aldus Klip. Enkele politici, zoals cda’er Ernst Hirsch Ballin en pvda-Kamerlid Gerritjan van Oven, ‘probeerden politiek draagvlak te krijgen, maar anderen vonden dat Nederland niet een al te grote broek moest aantrekken’, vertelt Klip. ‘De officier van justitie van het militaire parket kwam Arnhem niet uit. Hij toonde zich onzeker over zijn bevoegdheden. Mogelijk had de politiek zelfs expres voor een zwakkere aanstuurder gekozen.’ Klip dacht: ‘Dit gaat ’m niet worden.’

‘Ik hoop op gerechtigheid voor alle mensen die zijn gedood, zodat onze geliefde vrienden niet tevergeefs zijn gestorven’

De hoogleraar had echter buiten Fred Teeven gerekend. Toen deze crimefighter, na een kortstondig avontuur als lpf-parlementariër, in 2003 terugkeerde bij het Landelijk Parket stortte hij zich op het dossier internationale misdrijven. Minstens zo belangrijk was dat Teeven de jurist Ward Ferdinandusse van de UvA plukte. Nederland zou resultaten boeken. In 2004 werd een Congolese commandant veroordeeld. Daarna volgden twee Afghaanse functionarissen van de staatsveiligheidsdienst (een derde werd vrijgesproken), de Rwandezen Joseph M. en Yvonne B. voor hun rol tijdens de genocide, en na een moeizaam proces vijf Sri Lankese Tamil Tijgers.

Ook twee Nederlandse zakenlieden liepen tegen de lamp. Frans van Anraat werd veroordeeld voor het leveren van een grondstof voor mosterdgas dat het Iraakse regime gebruikte bij gifgasaanvallen op Iran en de Koerdische bevolking. Hij kreeg 16,5 jaar gevangenisstraf. Na jaren van procederen werd Guus Kouwenhoven dit jaar bij verstek tot negentien jaar celstraf veroordeeld (en vorige week in Zuid-Afrika opgepakt) voor het verstrekken van wapens aan de voormalige Liberiaanse president Charles Taylor.

‘We houden ons stoepje schoon. Nederlanders en buitenlanders die zich hier bevinden, maar in verre landen misdrijven hebben begaan, kunnen verwachten dat zij op een dag kunnen worden vervolgd. Dat zijn we logisch gaan vinden’, aldus Klip.

De successen zijn te danken aan politieke wil en de bundeling van expertise. Nederland heeft inmiddels een gespecialiseerde justitie-zuil opgebouwd. In 2003 werd het novo-team omgevormd tot het Team Internationale Misdrijven (tim). Het nieuwe kabinet heeft besloten extra geld uit te trekken voor dit multidisciplinaire politieteam, dat niet alleen bestaat uit rechercheurs, maar ook uit juristen, historici en antropologen. Het Landelijk Parket in Rotterdam beschikt over een speciaal cluster met twee officieren, parketsecretarissen en een antropoloog. Rechters-commissarissen houden toezicht op het opsporingsonderzoek en horen getuigen. De rechtbank in Den Haag kreeg een aparte IM-kamer met gespecialiseerde rechters die nu de Ethiopische zaak doen.

‘Nederland behoort samen met Duitsland en België tot de internationale top’, zegt Klip. ‘Als je rondkijkt in de wereld doen we het fantastisch. Maar je komt nog altijd makkelijker weg met genocide dan met winkeldiefstal. Ook zie je bij de keuze van mensen die vervolgd worden dat zij niet gebonden zijn aan grote mogendheden. Ik zie niet snel dat men Chinezen voor Tibet, Russen voor Tsjetsjenië, Amerikanen voor Irak en Afghanistan vervolgt.’ Maar Gaetano Best, gepromoveerd op IM-zaken en nu advocaat in Suriname, nuanceert dat: ‘Het onderzoek neemt ontzettend veel tijd in beslag. Daarom wordt bij de vervolging ingezet op mensen die in Nederland woonachtig zijn, en niet op Amerikanen die hier twee dagen op bezoek zijn.’

Een IM-zaak kost 1,5 miljoen euro per jaar. In een vergaderzaaltje leggen twee officieren van justitie uit wat erbij komt kijken. Thijs Berger was van 2012 tot 2016 aan het IM-cluster verbonden. Nicole Vogelenzang stapte in 2015 in. Als officieren van justitie geven ze leiding aan het politieonderzoek. Het betekent continu mailen, bellen en overleggen met instanties in Nederland en het buitenland. ‘Vrijwel al onze zaken zijn cold cases, die zich afspeelden in een ver land’, legt Vogelenzang uit. Informatie over verdachte personen komt uit verschillende bronnen. ‘We krijgen alle 1F-dossiers van de ind’, vertelt hij, verwijzend naar asielverzoeken die de Immigratie- en Naturalisatie Dienst afwees omdat tegen deze personen verdenkingen zijn van ernstige mensenrechtenschendingen. Ook komt informatie van ngo’s en andere landen. Verder kunnen burgers het OM informeren of aangifte doen. Ook de media spelen een rol. Al op 13 juni 1998 publiceerde Vrij Nederland een artikel over Eshetu A., ook al ontdekte het tim het stuk pas in 2009. Nederland stuurde een rechtshulpverzoek naar Ethiopië, waarna de zaak echter drie jaar stil lag.

Als justitie verdachten op het spoor is dienen zich legio kwesties aan, zoals: vallen de misdrijven onder de Nederlandse wet. Vogelenzang: ‘In vrijwel elke zaak zijn we tegen juridische obstakels aan gelopen waardoor de uitkomst van een zaak heel onzeker kan zijn.’ In de wandelgangen bij het proces tegen Eshetu A. wijzen waarnemers op zo’n punt: de nexus. Het OM heeft de Ethiopiër aangeklaagd voor oorlogsmisdrijven, maar dan moet justitie wel aantonen dat er toen in Ethiopië sprake was van een gewapend conflict en dat de misdrijven waarvan hij wordt beschuldigd in nauw verband daarmee zijn gepleegd.

Omdat het bewijs zich vooral in het buitenland bevindt, moet de politie over de grenzen onderzoek doen. Berger: ‘Maar zijn de autoriteiten bereid mee te werken? Is het veilig genoeg voor onze mensen? Kunnen we onafhankelijk onderzoek doen, want in bepaalde landen wil je niet dat er enige inmenging is van de autoriteiten.’ Hoe groot het risico kan zijn, bleek tijdens het onderzoek in Rwanda naar Joseph M. toen twee getuigen spoorloos verdwenen.

Aanvankelijk werkten de Ethiopische autoriteiten mee in de zaak tegen Eshetu A. Sterker, er lag al een dik dossier klaar. De verdachte was al twee maal in absentia in Ethiopië berecht en veroordeeld tot de doodstraf én levenslang. Terwijl Nederland volop in het onderzoek zat, verzochten de Ethiopische autoriteiten om zijn uitlevering omdat zij vonden dat Eshetu A. zijn straf in Ethiopië moest uitzitten. Toen dat om diverse redenen onmogelijk bleek, schortte Ethiopië de medewerking op. Het Nederlandse politieteam beschikte inmiddels wel over 41 pagina’s met kopieën van cruciale documenten zoals dodenlijsten met de namen van mensen die werden geëxecuteerd, voorzien van de handtekening en stempel van de provinciale vertegenwoordiger. Bij huiszoeking in de woning van de verdachte kon de politie een diplomatiek paspoort, een militaire pas, foto’s en andere papieren in beslag nemen. Ook werd een politie-informant ingezet die met de verdachte gesprekken voerde.

Een groot deel van het bewijs komt van getuigen. Maar als misdrijven lang geleden zijn gepleegd zijn herinneringen vervaagd en minder betrouwbaar. Slachtoffers kunnen te kwetsbaar zijn om te worden gehoord. ‘Ook moeten we er rekening mee houden dat getuigen in de tussentijd met elkaar gesproken hebben over wat hen is overkomen, en elkaar wellicht hebben beïnvloed’, zegt Berger. Mensen die lid waren van dezelfde groepering, militie of legereenheid als de verdachte kunnen belangrijke getuigen zijn. ‘Alleen kan het zulke insiders soms goed uitkomen een ander te beschuldigen om hun eigen straatje schoon te vegen.’

Ook in Nederland kan het lastig zijn onderzoek te doen. De politie besloot pas na aanhouding van Eshetu A. hier getuigen te horen omdat anders de kans aanwezig was dat de verdachte er weet van zou krijgen. Zo kwam de politie eerst uit bij Ethiopische slachtoffers in de VS en Canada die oorspronkelijk uit Gojjam kwamen.

Het OM heeft de opdracht om zowel belastend als ontlastend bewijs te zoeken. Toch zullen vooral advocaten zich moeten inzetten voor het belang van hun cliënt. Juist nu politie, OM en rechtbank gespecialiseerd zijn, doen verdachten er goed aan zelf ook een gespecialiseerde strafpleiter te kiezen, stelt Gaetano Best. Internationale zaken mogen moeilijk zijn voor het OM, maar dat geldt ook voor advocaten, die beperkingen ervaren. Sander Arts, die Eshetu A. verdedigt, wilde de rechtbank wraken omdat de rechters diverse onderzoeksvragen, zoals het horen van andere getuigen, hadden afgewezen.

‘We doen het fantastisch. Maar je komt nog altijd makkelijker weg met genocide dan met winkeldiefstal’

Best pleit ervoor dat advocaten van verdachten ‘zelfstandig verdedigingsonderzoek’ kunnen doen in deze zaken, waar misdrijven zijn gepleegd in zwaar gepolariseerde samenlevingen, waarbij niet altijd duidelijk is wat de rol van de autoriteiten is en waar de getuigen staan. ‘Het was als vloeken in de kerk toen de verdediging dit in de zaak tegen Yvonne B. eiste en het is lang niet in alle IM-zaken gebeurd. Maar je moet zorgen dat verdachten een eerlijk proces krijgen en daarom moet je de verdediging alle tools en middelen bieden om eigen onderzoek te doen’, zegt Best.

Ondanks de grote inzet is het OM in de afgelopen jaren niet met een ‘verse’ zaak gekomen. ‘De vervolging van oorlogsmisdadigers kwam onder druk te staan na de vliegramp met de MH17’, zegt André Klip, ‘omdat het Landelijk Parket zich met dat onderzoek moest gaan bezighouden. Op zo’n moment zie je: eigen problemen gaan voor.’ Een deel van de politieagenten die zich bezighielden met de Ethiopische zaak werd op het MH17-onderzoek gezet. Het proces liep een jaar vertraging op toen Eshetu A. besloot opeens van advocaten te veranderen.

Er waren ook andere tegenslagen. In 2012 stonden OM en politie klaar om een Afghaanse verdachte aan te houden, toen hij onverwacht overleed. Na zijn dood besloot justitie een deel van het bewijs te publiceren: dodenlijsten met namen van mensen die in 1978 en 1979 waren geëxecuteerd. ‘Zo kregen nabestaanden eindelijk te horen kregen wat er met hun vermiste familieleden was gebeurd’, vertelt Vogelenzang. Een andere Afghaan, in 2015 gearresteerd, moest wegens gebrek aan bewijs worden vrijgelaten.

In de loop der jaren zijn ook personen uitgeleverd aan landen als Bosnië, Kroatië en Georgië. De kwestie die veel stof deed opwaaien was het verzoek van Rwanda om de uitlevering van twee Rwandezen. Nederland stelde zich op het standpunt dat deze genocideverdachten in hun geboorteland een eerlijk proces zouden krijgen. Ook het Rwanda Tribunaal droeg zaken over aan de Rwandese justitie en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens zag geen belemmering voor uitlevering. Caroline Buisman, advocaat van de twee Rwandezen, betwist die opvattingen. Zij wijst op een rapport van oud-officier van justitie Martin Witteveen. Na eigen onderzoek in Rwanda concludeerde hij dat een genocideverdachte niet kon rekenen op een goede verdediging, zoals ook Human Rights Watch en andere ngo’s betogen. De Nederlandse rechter legde het rapport echter naast zich neer en besloot de twee uit te zetten. ‘Dat is opmerkelijk, want het Verenigd Koninkrijk besloot juist op basis van de Witteveen-bevindingen om genocideverdachten niet naar Rwanda terug te sturen’, aldus Buisman.

Terug naar de rechtszaal . De vierde dag van de inhoudelijke behandeling in de zaak tegen Eshetu A. is gewijd aan de slachtoffers. Met een koptelefoon op, om de Engelse simultaanvertaling te horen, zitten ze vooraan op de publieke tribune. Raadsman Göran Sluiter vertelt over hun lot. ‘Mijn cliënten hebben opgesloten gezeten, zijn gemarteld en hebben familieleden verloren die in detentie zijn gestorven. Ze lijden nog altijd aan flashbacks, angstaanvallen en nachtmerries.’ Dat Eshetu A. hen beschuldigt van ‘liegen’ verzwaart het leed. Sluiter eist een schadevergoeding, maar moet zich tot zijn spijt baseren op het Nederlandse recht in de jaren zeventig. In die periode gold een maximumbedrag van vijfhonderd gulden, oftewel 226,89 euro.

Het woord is aan de slachtoffers die als getuigen in deze zaak optreden. Sebene Bezabeh Ademe, gekleed in een elegante zwarte lange rok, zwart shirt en zwarte shawl en een zilveren kruis om haar hals, staat op. Het gaat om haar broer Belachew, die in Gojjam gevangen zat. ‘Hij was zo genereus, lief en mooi’, vertelt ze, terwijl de tranen in haar stem doorklinken. Als familie brachten ze Belachew dagelijks eten. Tot de bewakers op een dag zeiden dat het niet meer nodig was. Pas later kwam de bevestiging dat hij was geëxecuteerd. Zijn naam staat op een dodenlijst die zich in het dossier bevindt. Ze zou ook haar zus verliezen, die in Addis Abeba verdween. ‘Ik heb haar overal gezocht, maar heb haar nooit kunnen vinden.’ Ook vrienden en klasgenoten zijn gedood. ‘Ik heb het gevoel dat ik niemand meer heb. Veertig jaar heb ik gehuild’, zegt ze. ‘Maar ik heb het geluk hier te kunnen staan. Dank Nederland, rechters en onderzoekers. Ik hoop op gerechtigheid.’ Advocaat Sluiter loopt naar de rechters om twee foto’s van de vermoorde Belachew te overhandigen. De portretten gaan rond.

Zijn cliënten hadden niet gedacht dat het ooit tot een proces zou komen, zegt Sluiter. De proceshouding van de verdachte hebben ze als ‘diep schokkend’ ervaren. Het was beter geweest als hij ‘iets van berouw’ had getoond. Alles bij elkaar is alleen de zwaarste straf op zijn plaats: levenslang. De rechter richt zich tot de verdachte. ‘Ik geef u de gelegenheid te reageren.’ Eshetu A. zal in het Engels spreken. Maar al snel verliest hij zich in een exposé over ideologie en machtsstrijd indertijd in Ethiopië. Tot de rechter hem onderbreekt en vraagt te reageren op wat de getuigen vertelden. ‘Ik heb het gevoel dat de rechtbank overladen is met één kant van het verhaal’, zegt hij. Hij wil zijn versie vertellen, maar vreest dat hij al is veroordeeld. Hij ziet in hoe verwoestend het Derg-regime was, maar dat hij persoonlijk verantwoordelijk is voor specifieke misdrijven wijst hij van de hand. ‘Ik ben schuldig aan de gebeurtenissen in Ethiopië, maar niet aan de feiten die mij ten laste worden gelegd.’ Als een getergde man zet hij zijn betoog voort. ‘Ik wil op mijn knieën om me te verontschuldigen tegenover deze slachtoffers en tegenover heel Ethiopië.’ Even kijkt hij schuin achterom naar de slachtoffers, maar blijft zitten: ‘Ik was niet in die gevangenis. Nooit! Nooit!’

Het OM zal tijdens het requisitoir toelichten dat Eshetu A. ook is aangeklaagd op grond van zijn positie: het direct leiding geven, oftewel superior responsibility. Hij gaf de bevelen om mensen te detineren en tekende schriftelijk opdrachten om gevangenen te laten executeren. In zijn positie was hij dus ook bij machte geweest om de misdrijven, gepleegd door zijn ondergeschikten, te voorkomen en te bestraffen. Maar dat had hij nagelaten. Ook het OM eist de hoogste straf: levenslang.

Alle ogen zijn gericht op de twee advocaten. De verdediging bekritiseert het feit dat justitie niet over de originele dodenlijsten beschikt, maar slechts over kopieën. Ook al concludeerde een handtekeningenexpert dat het ‘uiterst onwaarschijnlijk’ is dat handtekeningen erop zijn nagebootst of gemonteerd, de advocaten wijzen op ongerijmdheden waardoor het maar de vraag is of hun cliënt die heeft gezet.

Sander Arts memoreert dat zijn verzoek om wraking van de rechters door een fout van de bureaucratie niet-ontvankelijk is verklaard. ‘De schijn van partijdigheid hangt over de rechtbank’, zegt hij. Zijn cliënt vindt dat er ‘eenzijdig politioneel strafonderzoek’ is gedaan omdat vooral getuigen uit het eprp-kamp zijn gehoord. Zij wilden ‘koste wat het kost een zondebok aanwijzen’, aldus Arts. ‘Barbertje moet hangen.’ Eshetu A. stond immers bekend als ‘de man van de dodenlijsten’ die in Ethiopië reeds was veroordeeld. In een lang betoog wijst hij op vele tegenstrijdigheden in de verklaringen, stelt dat getuigen verhalen aan elkaar hebben doorverteld, veel ‘van horen zeggen’ hebben, en informatie uit de media en boeken hebben gehaald. ‘Ik vind het onbetrouwbare verklaringen en herinneringen’, onderstreept Arts.

Maar dan komt het. Er was nog een andere Eshetu en de verdediging lijkt te suggereren dat die wel eens de echte verdachte zou kunnen zijn. De verhoorleider had namelijk dezelfde voornaam. Er zijn ‘sterke aanwijzingen’ dat de twee personen verward worden, aldus Arts. Zijn cliënt wist simpelweg niet van de misdrijven. ‘Het speelde zich achter zijn rug af.’ Advocaat Arts wijst erop dat in een fatsoenlijk rechtssysteem ‘iemand niet wordt veroordeeld op basis van roddel en achterklap en vage documenten’. Hij vraagt vrijspraak.

Na drie slopende weken heeft de verdachte het laatste woord.. ‘Ik ben afgeschilderd als een monster,’ zegt Eshetu A. Als hij geweten had dat in Gojjam zulke vreselijke zaken plaatsvonden ‘zou ik het gestopt hebben en opgetreden hebben’. Hoe eerlijk is dit proces eigenlijk? ‘Mijn advocaten zijn met z’n tweeën en moeten alles rechtzetten’ tegenover een OM dat ‘miljoenen euro’s heeft en honderden mensen om aan de zaak te werken’. Maar het is gebeurd, stelt hij. ‘Ik accepteer de uitspraak.’

Eshetu A. pakt zijn brillenkoker en stapel documenten. Als hij langs de rechters loopt, geeft hij een beleefd knikje. Twee politieagenten leiden hem de rechtszaal uit en trekken de deur dicht. De uitspraak is 15 december.


Met dank aan Niod-onderzoeker Thijs Bouwknegt