Boris Pilnjak, Het naakte jaar

«We kunnen het zelf wel»

Boris Pilnjak

Het naakte jaar

Uit het Russisch (1922) vertaald door Arthur Langeveld

De Arbeiderspers, 203 blz., € 19,95

Onlangs verscheen Het naakte jaar, het door Arthur Langeveld vertaalde hoofdwerk van de Russische schrijver Boris Pilnjak, die in 1937 werd geëxecuteerd op beschuldiging van spionage voor Japan. De roman speelt in 1919, daar slaat de titel Het naakte jaar op. Het gaat om een ver in Azië aan de Wolga gelegen stadje Ordynin, dat behalve een Kremlin alles heeft wat Moskou ook heeft, plus een koetsierswijk Europa en een China-stad, en heel veel kerken. Het lijkt wel een Rusland in het klein. De dorpen eromheen worden afwisselend door Witten en Roden bezet; of de indringers zijn anarchisten die met veel enthousiasme veldwerk doen, intellectuelen, vrouwen, die het een tijdje goed kunnen vinden met de in witte kleding en zware laarzen gestoken sektariërs. De boeren noemen zich tegenover de leren jacks, de bolsjewisten uit Moskou, volmondig communisten. Ze spreken het woord anders uit, weten ook niet wat het inhoudt, als het maar op z’n Russisch is, dat wil zeggen lijkt op alles wat ze al duizend jaar kennen.

Over die duizend jaar gaat de roman – of althans het voorlopige eindpunt: 1919. In maart 1919 zijn de Witten vertrokken, dankzij de Roden herrijst de fabriek. Een wonder? Economische noodzaak breekt wetten, gevoegd bij de wil van de leren jacks, van wie Pilnjak er één is, zegt hij terzijde. De adellijke dégénérés worden weggejaagd, de voorzitter van het Armencomité heeft de macht maar weet niet wat hij ermee moet doen, de anarchisten zijn indringers, de sovjetmacht is alleen goed voor de stad, ook de arbeiders hebben niets te eten; boeren weten dat het spoor beter op de schroothoop kan en bestellen grote hoeveelheden doodskisten: «Wij zijn voor de bolsjewieken! voor de sovjets! dat het allemaal op onze manier gaat, op z’n Russisch. We hebb’n de heer’n gehad – en dat was genoeg! Het mot op z’n Russisch, op onze manier! We kunnen het zelf wel.»

Kortom: chaos alom. Het laatste hoofdstuk van de roman, zonder titel, is zo mogelijk nog korter: Rusland. Revolutie. Sneeuwstorm. Het zou een rebus kunnen zijn: revolutie = sneeuwstorm. Een paar bladzijden ervoor wordt de revolutionaire sneeuwstorm zelf sprekend ingevoerd – alle betrokkenen komen zelf aan het woord (dat is de skaz-techniek, je zou het rollenproza kunnen noemen), dus ook de razende revolutie. De vermomming als sneeuwstorm zou wel eens een grove denkfout kunnen zijn, niet alleen van Pilnjak. Sommige van de nabootsende klanken – Gvioe, gvaaoe, goe-voe-zz, Glavboem – betekenen iets. Glavboem, zo leer ik uit andere bron, is de afkorting voor het Centraalbestuur Papier, de andere slaan op Decodeerafdeling, Hoofd bestuur van het Militair-Ingenieur wezen, Artillerie-Hoofdbestuur et cetera. Hebben de sovjets aan die afkor tingswoede niet ook de Goelag te danken? Toch is de roman geen satire onder de titel: Storm over Azië.

«Ik, de auteur, heb aan deze expeditie deelgenomen.» Pilnjak voert zichzelf op als een van de stoere Leren Jacks die na het verdrijven van de Witten de fabrieken in gebruik nemen. «Schrijver dezes» dacht dat ze wel onverrichter zake naar Moskou zouden terugkeren. «Maar we gingen – naar de fabrieken, omdat er niets is dat niet gedaan kan worden (Pilnjak onderstreept dat zelf), omdat er niet niets gedaan kon worden.» Dat kan geen spot zijn. De jonge schrijver heeft nog echt willen weten met en voor wie de Revolutie werd gemaakt. Arme boeren, moet de jonge revolutionair gedacht hebben, luisterend naar hun oude spreuken en gezangen. En arm waren ze, passief maar tot alles bereid, vol onbegrip – het liefst klommen ze op de kachel om te slapen en naar de wind te luisteren.

In 1919 was Pilnjak 25, niemand kende de jongeman die in z’n eentje verhalen zat te schrijven; hij deed aan de hongermarsen mee. Voor of tegen, maar geen Rus die niet het gevoel had dat er een nieuwe jaartelling was begonnen. Het is een misverstand vanwege bepaalde uiterlijke kenmerken van zijn roman te denken dat Pilnjak daar in Rusland bezig was zijn bijdrage te leveren aan de moderne Roman. Hij wilde zoals alle kunstenaars een bijdrage leveren aan de revolutie, maar welke, van wie? Pilnjak heeft alle partijen aan het woord gelaten, het gaat niet om individuen, niet eens om helden – het doet er niet eens toe dat de ene Natalja communiste is, een arts die haar adellijke familie verlaat, en de andere Natalja een anarchiste; het gaat om groepen, beweging, om Rusland. Revolutie. Sneeuwstorm. Met de bolsjewistische revolutie keerde Rusland terug naar de boerenopstanden uit de zeventiende en achttiende eeuw – die slavofiele opvatting wordt op diverse plaatsen in de roman verwoord, maar aan de roman lees je niet af dat Pilnjak enig vertrouwen had in het lompenpakhuis dat de boerenstand moest verbeelden, evenmin als in de geëxalteerde voorchristelijke sektariërs, postchristelijke anarchisten, laat staan in de adellijke dégénérés die werden weggevaagd. Pilnjaks slotsom was even somber als dubieus: de commune Poretsj van de landheren was dood, het Poretsj van de anarchisten was dood, net als dat van het Armencomité, dat nu de macht had. Waarom? Omdat ze allemaal de wil om te handelen, te scheppen misten, «aangezien scheppen altijd vernietigt». Met die tegenstrijdigheid zat Pilnjak in 1919 in zijn maag , niet met de vraag hoe het verder moest met de moderne roman.