Do It Ourselves: Naastenliefde van de kerk

‘We kunnen niet verder springen dan de stok lang is’

Door de crisis kloppen steeds meer mensen aan bij de kerk. Protestants of katholiek, de toegenomen kerkelijke hulp brengt de mensen dichter tot elkaar. Maar: ‘De kerk wil niet terug naar de caritas.’

Als de kerk geen kamer had geregeld en de huur daarvan niet zou betalen, had hij nu nog steeds geen vaste verblijfplaats gehad. ­Souaré (29) is gekleed in een simpel T-shirtje en een winterjas, ook gekregen van de kerk. Hij is verwikkeld in een slepende procedure tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Sinds die afwijzing in 2005 was het constant zoeken naar onderdak en sliep hij bij gebrek daaraan soms op straat. Hij heeft geen geldige identiteits­papieren en de ambassade van zijn thuisland Sierra Leone wil hem die ook niet verlenen. Ook zelf wil hij niet terug naar Sierra Leone. Te onveilig, vindt hij. Dan leeft hij nog liever als illegaal in Nederland.

Via de voedselbank in de Utrechtse Trium­fatorkerk kwam hij in aanraking met de diaconie, het orgaan van een kerk dat zich bezighoudt met het bieden van praktische hulp. De kerk heeft iemand gevonden die hem een kamer wil verhuren en betaalt de tweehonderd euro huur per maand. Ook krijgt Souaré 25 euro leefgeld per week van de kerk. ‘Vroeger at ik vaak alleen brood. Nu kan ik weer eens kip of rijst kopen. Ik ben heel blij.’ Het valt hem zichtbaar zwaar om te vertellen over het eentonige, onzekere bestaan dat hij leidt. Hij zou graag naar school willen en werken. Zijn hoop is gevestigd op de procedure die erop is gericht hem vanwege zijn kwakkelende gezondheid een verblijfsvergunning te verlenen. ‘Misschien komt het goed.’

Vanuit de protestantse wijkgemeente in Utrecht-West worden naast Souaré momenteel nog twee andere illegale asielzoekers ondersteund. ‘Als onze hulp bekender wordt, zouden dat er zo 23 kunnen zijn’, zegt diaken Diny Ulaen. De kerk zit met de kwestie in de maag. ‘Het is niet de bedoeling dat de hulp van de diaconie structureel is. Met het toenemende aantal illegalen is dat echter moeilijk vol te houden. Als wij wel structureel hulp moeten bieden, is er iets mis in de samenleving.’ Door Utrechtse kerken wordt daarom geprobeerd de gemeente te winnen voor steun aan een nog op te richten Wereldhuis, waar illegalen kunnen slapen en elkaar kunnen ontmoeten.

Ulaen werd begin 2011 diaken. ‘Om missionair bezig te zijn. Dat is niet hetzelfde als evangeliseren, beslist niet. Het is waar het christendom voor staat: heb je naaste lief als jezelf. Dat geldt ook voor materiële zaken.’ Sinds haar aantreden heeft ze het aantal materiële hulpvragen zien groeien van twee naar zes tot zeven per maand. ‘Er is veel stille armoede, vooral onder ouderen met alleen een aow-uitkering.’

Zo was er een alleenstaande 75-jarige mevrouw die door de medicijnen die ze gebruikte in korte tijd veel dikker geworden was. Bijna haar hele garderobe moest daarom vervangen worden. Zoveel nieuwe kleren kon ze niet betalen van haar aow en piepkleine pensioentje. Kleding bij een postorderbedrijf bestellen leek de oplossing. Die kon ze dan later wel betalen. Ze eindigde echter met een hoeveelheid schulden die ze nooit meer zou kunnen afbetalen. Heel haar inkomen ging eraan op. Zelfs voor een bloemetje voor een verjaardag was geen geld meer. Dus ging ze maar niet. Kinderen heeft ze niet, vereenzaming lag op de loer. In grote nood richtte ze zich tot de kerk waar ze lid van is. Ze spraken af dat de diaconie de schulden zou aflossen, zodat die niet nog groter worden door de hoge rente. De vrouw betaalt nu in termijnen het bedrag terug aan de diaconie.

Ook een 39-jarige vluchteling uit Afghanistan zag zich geconfronteerd met de beperkingen van zijn lage inkomen. Nadat hem een verblijfsvergunning was verleend, kreeg hij een sociale huurwoning toegewezen. In zijn eigen land was hij fysiotherapeut en verpleger. Zijn diploma’s zijn in Nederland niet geldig, dus hij kan hier niet aan het werk. Hij leeft daarom van een bijstandsuitkering. Door zijn in de oorlog opgelopen trauma kwam hij in aanraking met maatschappelijk werk. Zij ontdekten dat zijn flatje nauwelijks ingericht was. Er werden wat tweedehands meubels bij elkaar gescharreld, maar dat was nog geen inrichting. Maatschappelijk werk deed een beroep op de kerk in de wijk. Die maakte mogelijk dat de kamers in de flat van vloerbedekking werden voorzien.

Met dit soort gevallen had de kerk altijd wel te maken. Maar de laatste jaren zijn de aantallen mensen die een beroep doen op persoonlijke hulp substantieel gestegen. In 2010 maakte het rapport Armoede in Nederland al melding van een sterke toename van het aantal individuele hulpaanvragen bij de aan het onderzoek deelnemende kerken naar bijna 34.000. Het rapport is gebaseerd op gegevens van de Protestantse Kerk in Nederland (pkn), de rooms-katholieke kerk en een aantal kleinere kerkgenootschappen over 2009. Toen werd gemiddeld per kerk ruim vierduizend euro per jaar uitgegeven aan financiële ondersteuning aan particulieren. Gegevens van plaatselijke kerken laten zien dat die bedragen de afgelopen twee jaar zijn gestegen, in sommige gevallen tot meer dan het dubbele.

Daarnaast is de kerk ook hulp gaan bieden op terreinen waar zij vroeger niet of veel minder actief was. Dat gaat om activiteiten als de opvang van illegale vluchtelingen, begeleiding van mensen met een psychiatrische aandoening, het organiseren van voedselbanken en het bieden van schuldhulpverlening. Vaak wordt hierin samengewerkt met andere maatschappelijke organisaties en soms ook de overheid.

Zo kwam in de Overijsselse gemeente Hellendoorn in 2007 een hulpfonds tot stand nadat kerken de noodklok hadden geluid over de grote aantallen mensen die bij hen voor hulp aanklopten. De overheid draagt jaarlijks een euro per inwoner bij aan de Stichting Hulpfonds Hellendoorn. Dat komt neer op een bedrag van ongeveer 36.000 euro. De kerken van Hellendoorn leggen samen tachtig- tot honderdduizend euro per jaar bij elkaar. Het fonds opereert als onafhankelijke instelling en helpt mensen met geld of goederen als ze nergens anders terecht kunnen. Hiervoor bestaan geen vaste regels, elke aanvraag wordt apart bekeken. Wel worden er vanuit de gemeente enkele voorwaarden gesteld. Zo mag de hulp niet structureel van aard zijn en mag deze niet worden verleend aan illegalen.

Jan Imhof, diaken van de Protestantse Gemeente Nijverdal, ziet voor- en nadelen in de samenwerking met de gemeente Hellendoorn, waar Nijverdal deel van is: ‘Toen wij alles nog zelf deden, gaven we hogere bedragen aan minder mensen. We bereiken nu een veel bredere doelgroep. De samenwerking met de gemeente heeft de efficiency van ons werk bevorderd. Maar we moeten oppassen dat problemen die ontstaan doordat de overheid zich terugtrekt niet bij ons over de schutting worden gekieperd. De overheid kan gaan denken dat het wel gemakkelijk is om bepaalde taken over te laten aan anderen en zich nog verder terugtrekken.’

Dat is niet de intentie waarmee de overheid de samenwerking met kerken zoekt, zegt Ria Bakhuis van de lokale partij BurgerBelang. Ze is wethouder Werk, Inkomen en Cultuur van de gemeente Hellendoorn. ‘Maar de gemeente mag mensen aanspreken op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid. De overheid heeft de taak om mensen een basisinkomen te garanderen dat hen in staat stelt te participeren, maar er zijn altijd mensen die net buiten de kaders vallen. Die kunnen we via het Hulpfonds toch nog helpen.’ Zij denkt dat mensen door de samenwerking met het maatschappelijk middenveld bovendien beter begeleid kunnen worden. ‘Op deze manier blijven de problemen klein. Er zijn minder partijen bij betrokken, waardoor de problemen sneller kunnen worden opgelost.’

Sommige mensen hebben echter geen geld of goederen nodig, maar iemand die tijd voor hen heeft. Bij het Hulpfonds werd geconstateerd dat bepaalde mensen steeds terug­kwamen met verzoeken om financiële steun. Wat zij nodig hadden was structurele begeleiding bij het beheren van hun financiën. Voor dat doel is Stichting Financiële Begeleiding Boom (Budget Op Orde Maken) opgericht. Die koppelt mensen met schulden aan een speciaal hiervoor getraind ‘maatje’ dat hen helpt met het op orde krijgen en houden van de huishouduitgaven. De stichting maakt deel uit van het landelijke project Schuldhulpmaatje dat twee jaar geleden werd gestart door een aantal kerken en het Platform Christelijke Schuldhulppreventie.

Martine (niet haar echte naam) is een van de mensen die geholpen is door Stichting Boom. Niet lang nadat ze getrouwd was en een zoon had gekregen kwam haar man, vrachtwagenchauffeur, in de ziektewet terecht om later te worden ontslagen. Er brak een moeilijke tijd aan voor het jonge gezin. Ineens was er nog maar weinig geld te besteden. De lening die was afgesloten voor de bruiloft begon zwaar te drukken. Bovendien bleek dat Martine (29) en haar man de belastingaangifte niet goed hadden ingevuld. Hierdoor moesten ze onverwacht een groot bedrag terugbetalen. Ook duurde de verwerking van de WW-uitkeringsaanvraag lang. De schulden begonnen zich op te stapelen. Door alle spanningen kwam Martine zelf ook in de ziektewet terecht.

Via mensen van de kerk waar ze lid van was kwam ze in contact met Stichting Boom. ‘Daar had ik nog nooit van gehoord.’ De stap om zich te laten helpen was groot. ‘Dan denk je: is het zó erg met ons?’ Twee vrijwilligers hielpen het gezin bij het op orde brengen van het budget. Ze kregen bijvoorbeeld het advies om wekelijks honderd euro contant op te nemen en daar alles van te betalen. Aan die adviezen heeft ze nog steeds veel. De schulden waren ondertussen echter zo hoog opgelopen dat Martine en haar gezin, inmiddels uitgebreid met een dochter, een officieel schuldsaneringstraject moesten ingaan. Wel worden ze nog steeds geholpen door een vrijwilliger van Stichting Boom met bijvoorbeeld het invullen van de belasting­aangifte. Bovendien krijgen ze regelmatig nog iets extra’s van de diaconie en van familie en vrienden. Ook werkt Martine weer, als verpleegkundige voor ouderen. De financiën houdt ze scherp in de gaten. Daardoor redden ze het nu. ‘Hopelijk zijn we over drie jaar schuldenvrij.’

Jan Imhof heeft de houding van de gemeente naar de kerken toe zien veranderen: ‘Ik kan me niet voorstellen dat de gemeente vier à vijf jaar geleden had geaccepteerd dat schuldhulp­verlening vrijwillig door particulieren zou worden uitgevoerd. De gemeente ziet ons als een volwaardige partner, terwijl er in het verleden nog wel eens weerstand was tegen het delen van taken met kerken.’

De overheid bespaart door de inzet die kerkelijke vrijwilligers leveren veel kosten. Imhof rekent het voor: ‘De gemeente draagt 36.000 euro bij aan het noodfonds. Dat komt neer op ongeveer 0,5 fte. Vanuit de kerken zijn zo’n vijftig vrijwilligers actief voor het Hulpfonds. Reken maar dat die meer werk verzetten dan 0,5 fte.’ Daar mag volgens Imhof wat tegenover staan: ‘Als wij maatjes opleiden, verwachten we van de gemeente een bijdrage. Dan is er nog wel eens gesteggel over wie wat financiert.’

Een gevaar van samenwerking met de overheid is dat de kerk een deel van haar onafhankelijkheid verliest. ‘De kerk wil geen instrument zijn van de politiek’, stelt Mirjam Schuilenga. Zij is als consulent bij het Katholiek Centrum voor Maatschappelijk Activeringswerk in Arnhem betrokken bij het ondersteunen van vrijwilligers uit parochies in de regio. Volgens haar is het bewustzijn gegroeid dat de kerk door de hulp die zij biedt onbedoeld bijdraagt aan bepaalde politieke ontwikkelingen. ‘Er is momenteel binnen de kerk bijvoorbeeld discussie over de voedselbank. Er zijn mensen die niet willen dat de kerk daarin participeert, omdat je daarmee meewerkt aan het falen van de overheid. Want als de uitkeringen niet hoog genoeg zijn om volwaardige maaltijden van te betalen, dan is er iets mis. Anderen zeggen: we kunnen die mensen niet in de kou laten staan door zo politiek bewust te zijn.’

De opbouw van de verzorgingsstaat is volgens Schuilenga een heel goede ontwikkeling geweest: ‘De kerk zit niet te wachten op het terugkrijgen van de oude taken. Zij heeft een ontwikkeling doorgemaakt en is tot de opvatting gekomen dat het goed is dat de overheid een bepaald bestaansminimum garandeert. Zij wil niet terug naar de caritas.’ Wanneer de overheid dat bestaansminimum niet blijkt te kunnen bieden, zal de kerk zeker helpen, zo verzekert ze, ‘maar onder protest’.

Maar zonder het fundament van structurele overheidssteun en de professionele werkkrachten die daarvan betaald kunnen worden, blijken veel maatschappelijke initiatieven lastig vol te houden. Een andere vraag is of de kerk wel voldoende financiële armslag heeft om al die maatschappelijke activiteiten op zich te nemen. ‘Tot nu toe hebben we geen aanvragen om financiële redenen hoeven afwijzen, maar we kunnen niet verder springen dan de stok lang is’, zegt de Utrechtse diaken Diny Ulaen. ‘We bekijken bij ieder geval ook of die persoon misschien op andere manieren geholpen kan worden.’

In haar kerk zijn de uitgaven voor individuele hulpvragen in drie jaar tijd gestegen van 6200 euro naar meer dan negenduizend euro per jaar. Dat is ruim veertig procent van de begroting. En ze voorziet een verdere stijging: ‘De gevolgen van de terugtredende overheid zijn te merken.’ Per 1 januari van dit jaar wordt er in Utrecht voor de hulpverlening die onder de wmo (Wet Maatschappelijke Ondersteuning) valt een inkomensafhankelijke eigen bijdrage gevraagd. ‘Dat levert voor sommige mensen problemen op. Ik voorzie daardoor een nog grotere druk op de diaconie.’ Met de huidige financiële situatie van de kerk valt dat geen jaren meer vol te houden.

‘De gelden die we beschikbaar kunnen stellen, bereiken nu het plafond van wat we structureel kunnen opbrengen’, zegt ook Jan Imhof. Bij de Protestantse Gemeente Nijverdal zoeken ze daarom naar andere vormen om hulp te bieden. ‘We moeten creatief worden om de samenleving te mobiliseren. Vroeger had je altijd volle collectezakken, nu is dat niet meer zo.’ Hij zoekt daarom bijvoorbeeld naar sponsors in het bedrijfsleven. Verder vindt de ondersteuning van de diaconie tegenwoordig vaker plaats in de vorm van menskracht, waar ze vroeger meer financieel van aard was. Maar met de dalende betrokkenheid waarmee veel kerken zich geconfronteerd zien, wordt ook het vinden van genoeg vrijwilligers lastiger, zeker als tegelijkertijd vaker een beroep op de kerk wordt gedaan.

Het mooie van de toegenomen hulp door de diaconieën is volgens Imhof echter dat de kerk weer dichter bij de mensen is komen staan: ‘Voor de crisis waren we als diaconie vooral bezig met girootjes uitschrijven voor goede doelen. We zien nu een verschuiving van meer algemene goede doelen naar hulp aan de directe naasten. Zo kun je in de eigen omgeving van de kerk laten zien waar deze voor staat. De kerk komt zo dichter bij de mensen te staan. Het maakt mensen bewust van de rol van de kerk en geeft ons de mogelijkheid onszelf te profileren.’

‘Zo zul je dat de pastoor niet horen zeggen’, zegt consulente Mirjam Schuilenga. ‘De katholieke kerk zet in op een kleine geloofsgemeenschap die heel gemotiveerd gelovig is. Daarin staat allereerst de godsrelatie centraal. Niet de goede werken van mensen. Die goede werken doe je vanuit je geloof, niet om je te profileren. Kerken doen hun liefdadigheidswerk juist onzichtbaar.’ Maar ook Schuilenga heeft oog voor de kansen: ‘Ik zie dat het maatschappelijk middenveld dicht op de huid zit van mensen die hulp nodig hebben. Daar zijn mensen actief die zich laten raken door de nood van anderen. Het is opmerkelijk hoe vaak ik cynici hoor die zeggen dat het allemaal minder wordt in de samenleving. Ik zie juist enorm veel potentieel. Dat kán ik ook zien, omdat ik midden in die beweging zit, terwijl die cynici vaak op kantoren in beleidsfuncties zitten en niet in het veld. Ik ben optimistisch over wat er mogelijk is.’

‘Over wat een goed sociaal vangnet van de overheid is, zul je altijd discussie houden’, zegt Imhof. ‘Het staat onder druk. Kritisch kijken naar de verzorgingsstaat mag, maar je moet niet doorschieten. Uitgaan van eigen kracht is goed, maar er zijn ook mensen bij wie die eigen kracht niet zo groot is. Ik ben op zich niet tegen de ontwikkeling naar meer eigen verantwoordelijkheid, maar het is wel gevaarlijk. Voor de zwakken moet er een deugdelijk vangnet zijn.’