Smári McCarthy over vrijheid van informatie

‘We kunnen ze niet vertrouwen’

Als software-ontwikkeling democratiseert, waarom kan wetgeving dan niet dat voorbeeld volgen? vraagt Smári McCarthy, van het Icelandic Modern Media Initiative, zich af

.

Medium smari screenshot

‘Iets meer dan honderd jaar geleden leefden mensen nog in een klein dorp of op een boerderij, waar hun persoonlijke infrastructuur grotendeels afgesloten was van de buitenwereld. Vandaag is onze infrastructuur niet minder belangrijk geworden, maar we laten haar beheersen door mensen die verder en verder van ons vandaan staan. We hebben er nauwelijks toezicht op. Het zal niet makkelijk zijn, maar we moeten onze technische infrastructuur volledig gaan vervangen. We moeten ophouden Gmail te gebruiken, we moeten ophouden cloud hostende providers te gebruiken. We moeten naar een systeem toe waar alle e-mail voor iedereen altijd encrypted is, zodat het voor justitie niet langer betaalbaar is om iedereen als een verdachte te behandelen en alle e-mail “zomaar” te kunnen lezen. We kunnen de bedrijven die de onderzeese datakabels beheren niet vertrouwen, we kunnen onze internetproviders niet vertrouwen, we kunnen onze telefoonbedrijven niet vertrouwen – vooral telefoonbedrijven. Zelfs als de aardigste mensen in de wereld een telefoonbedrijf zouden beginnen, zouden we nog steeds alles moeten encrypten – want zelfs de aardigste mensen doen niet altijd de aardigste dingen.

Ik denk dat we moeten nadenken over nieuwe, moderne wetgeving, waarin rekening wordt gehouden met de recente software-ontwikkelingen die klokkenluiders als Snowden hebben geopenbaard. We moeten ervoor zorgen dat wetten geschreven worden voor de mensen die de wetten moeten dienen, niet voor hen met de diepste zakken. Onder bepaalde omstandigheden is wetgeving net software, alleen is het de software die een maatschappij draaiende houdt. Wanneer je de wet benadert vanuit dat perspectief, dan zie je dat veel wetgeving is geschreven met allerlei “bugs”, met veel herhalingen en veel dingen die gewoonweg niet kloppen.

In de goeie ouwe tijd werd software geschreven door een comité, als het ware. Een kleine groep mensen die besliste hoe het moest functioneren, wat het moest kunnen doen, hoe het moest worden ontworpen. Ze stonden los van het publiek, of de uiteindelijke gebruiker. Min of meer is dit ook wat er gebeurd is als het gaat om wetten. De laatste paar eeuwen hebben we het model gehad waarin maatschappijen werden ontworpen door comités. We hebben mensen in Kamers en parlementen gestopt, en hebben ze gezegd eens wat wetten te ontwerpen. Hoe die wetten vervolgens precies werden gemaakt, daar heeft het publiek weinig over te zeggen gehad.

Free software heeft de laatste jaren de manier waarop software wordt geschreven openbaar toegankelijk gemaakt, waardoor nu iedereen die dat wil en kan mee kan doen, met als gevolg dat het buitengewoon transparant is geworden hoe bepaalde software functioneert en via welke processen een beslissing wordt genomen. Free software is een democratisering dus van software. Deze technische ontwikkeling zouden we ook voor wetgeving moeten gaan gebruiken, computertechniek gebruiken om duizenden mensen in staat te stellen te participeren in heel complexe politieke processen. “Liquid democracy” wordt dat nu genoemd. Je zou wetten moeten behandelen als wiki’s… and then let the chaos just happen. We hoeven die creatieve chaos niet altijd zo veel te controleren zoals we dat zouden willen. Het lijkt misschien makkelijker om een groepje volwassen bekende politici te hebben, die in een Kamer tegen elkaar kunnen schreeuwen, maar wetgeving kan een stuk slimmer worden als we iedereen toestaan te participeren.

Een van de belangrijkste onderwerpen waarmee ik me binnen wetgeving heb beziggehouden is het updaten van wetgeving rond de vrijheid op informatie. Traditioneel gezien hebben burgers altijd weinig nagedacht over hun recht om te weten waar hun overheid zich precies mee bezighoudt. In de jaren zeventig begonnen mensen zich af te vragen of de documenten van de overheid niet openbaar zouden moeten zijn voor het publiek. Vrijheid-van-informatiewetten werden opgericht in landen als de Verenigde Staten, waar iedereen elk document van de overheid kon opvragen, al hield de overheid het voorrecht verzoeken met “nee” te beantwoorden. Na een tijd werd ingezien dat dit niet langer voldoende was, omdat het gewone publiek nu eenmaal niet weet welke documenten de overheid wel of niet heeft. Dat was de tweede generatie die in landen als Noorwegen en Estland opkwam, waar mensen nu toegang kunnen krijgen tot lijsten waarop staat welke documenten de overheid allemaal heeft. Nu zijn we aangekomen bij de derde generatie, die moderner is en eigenlijk zegt: hé, als we een lange lijst hebben met documenten, waarom maken we die lijst niet aanklikbaar? Gebruik het internet ten volle en cut out the middle man – de ambtenaar die “nee” kan zeggen.’

Smári McCarthy is directeur van het Icelandic Modern Media Initiative. Vertaling Joost de Vries