Het uitgeholde midden

‘We lachen niet meer om hetzelfde’

Succes is geen keuze, vindt Rien Fraanje van het Wetenschappelijk Instituut van het CDA. Hoger opgeleiden minachten lager opgeleiden, zegt René Cuperus van de Wiardi Beckman Stichting. Over het gevaar van het verdwijnen van de middenklasse.

Medium groene neoliberale 20octopus 5b6 5d

René Cuperus, wetenschappelijk medewerker bij de aan de pvda gelieerde Wiardi Beckman Stichting, begint met een anekdote. De vraag was of in Nederland de kinderen van de lagere klasse ook veel minder kansen hebben dan die van de hogere inkomensgroepen, zoals de Amerikaanse wetenschapper Robert Putnam voorspelt in zijn boek Our Kids: The American Dream in Crisis.

‘Een jaar of vijf geleden haalden wij Putnam naar De Balie in Amsterdam. Dat was toen onder meer naar aanleiding van zijn boek Bowling Alone, over het uit elkaar vallen van sociale verbanden. Putnam bleef vooraf maar vragen of er toch wel een kingsize-bed was op zijn hotelkamer in het Krasnapolsky. Wat een man met sterallures, dachten wij toen. Maar Putnam bleek een heel lange vent te zijn die een groot bed nodig had om zich te kunnen uitstrekken. Hij had helemaal geen sterallures. Ook toen was overigens de vraag of wat hij over de Verenigde Staten schreef ook al voor Nederland gold.’

De conclusie toen was, en moet dat volgens Cuperus ook nu zijn, dat er tussen de VS en Nederland een enorm schaalverschil is: ‘De heftigheid van ontwikkelingen in de VS is groter dan hier. De getto’s daar zijn echt getto’s, hier niet. De rijken daar zijn veel rijker dan rijken hier.’

Cuperus ziet wat Putnam beschrijft wel als een angstbeeld dat hier de alarmbel moet doen afgaan. ‘Als we doorgaan met het verraden van onze Europese wortels worden wij ook als de VS. We moeten niet doorgaan met het afbreken van het naoorlogse sociale contract tussen burgers. Dat contract had als doel om de samenleving, die als gevolg van het nazisme en het communisme was ontspoord, weer op de rails te krijgen.’

Rien Fraanje, directeur van het Wetenschappelijk Instituut (WI) van het cda, denkt net als Cuperus dat we in Nederland nog in de risicofase zitten: ‘De egalitaire tendensen in Nederland kunnen het hopelijk nog tegenhouden. Maar het is niet uitgesloten dat de toekomst die Putnam beschrijft voor de kinderen in de VS uit de lage klasse ook de toekomst wordt van onze kinderen.’

pvda en cda zijn de twee politieke partijen die van oudsher mensen met verschillende achtergronden wisten te verbinden; beide slagen daar echter steeds minder in. ‘cda en pvda waren twee grote middenpartijen die in zichzelf de pacificatie tussen rangen en standen, bevoorrecht en kwetsbaar tot stand brachten. Ze vertegenwoordigden verticale zuilen’, kijkt Rien Fraanje terug. ‘Wat je nu ziet in de samenleving is een horizontale segmentatie. Die segmentatie zie je terug in het stemgedrag, veel hoogopgeleiden stemmen op d66, laagopgeleiden op de SP. De pacificatie zal tussen de verschillende politieke partijen moeten gebeuren, zoals in het college van Amsterdam, waarin zowel d66 als SP vertegenwoordigd is.’

Volgens Fraanje schuilt het gevaar van nog verdere segmentatie in een doorgeslagen streven naar een meritocratische samenleving. ‘Dat is het nieuwe geloof. Ik snap wel hoe het is ontstaan. Het was een reactie op een maatschappij waarin standen en sociale klassen bepaalden waar de toekomst van een kind lag. Maar het gevaar van een meritocratische samenleving is dat iedereen helemaal zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen leven.’

‘Competitie kan goed zijn. Het leidt tot innovatie. Maar moet je het toelaten in de zorg? In het onderwijs?’

Vorig jaar schreef Fraanje voor het WI het rapport Lang leve het verschil, weg met de fragmentatie, waarin hij de gevolgen van een meritocratische samenleving onderzocht. Dat geluk en ongeluk je eigen verdiensten zouden zijn, gaat hem veel te ver: ‘Ik kan wel zeggen dat het volledig mijn eigen inspanning is dat ik ben gekomen waar ik ben gekomen. Maar het was mooi meegenomen dat mijn ouders me stimuleerden en me hielpen bij mijn huiswerk. Op vierjarige leeftijd is het verschil tussen kinderen in taal al heel erg groot. Dat heeft niets te maken met de eigen inspanning van die kinderen, dat komt door de ouders: lezen ze wel of niet voor ’s avonds. Door huiswerkklassen, sporten of het bespelen van een muziekinstrument leren kinderen later ook discipline en krijgen ze doorzettingsvermogen.’

We zijn zo in de eigen verdienste gaan geloven dat we het niet meer nodig vinden ons in te zetten voor mensen met minder geluk, meent Fraanje. ‘Mensen die niet mee kunnen in de ratrace krijgen verwijten, terwijl ze er niks aan kunnen doen. Dat leidt tot depressie en machteloosheid. Het voedt de boosheid in de samenleving.’ Ook de marktwerking draagt bij tot een indeling in winnaars en verliezers. ‘Competitie kan goed zijn. Het leidt tot innovatie. Maar moet je het toelaten in de zorg? In het onderwijs? De winnaars organiseren ook hier in Nederland, net als in de VS, voor zichzelf de betere scholen.’

Ook René Cuperus ziet een tendens naar minder solidariteit. ‘De beschermingscocon van de naoorlogse verzorgingsstaat wordt afgebroken. Daar wordt door veel mensen op gereageerd met rancune. Kijk naar de reacties op de komst van vluchtelingen. Je kunt geen solidariteit met vluchtelingen vragen van mensen die hier als gevolg van die afbraak zelf geen solidariteit meer ondervinden. Je krijgt jaloerse en botte reacties als mensen voelen dat het niet rechtvaardig toe gaat. Internationale solidariteit bestaat niet zonder nationale solidariteit.’

Het is ergens in de jaren tachtig misgegaan, denkt hij: ‘De elite is veel te laconiek omgegaan met het bezuinigen op de verzorgingsstaat, de de-industrialisering en het verlies van banen die dat tot gevolg had. Je zou de banen van de hoogopgeleiden eens moeten weghalen!’ Volgens hem is het succes van de Republikeinse presidentskandidaat Donald Trump in de VS de rechtse wraak van de verdrukten op die ontwikkeling. ‘De reactie op het neoliberalisme komt, anders dan je had mogen verwachten, helaas niet van links. Wat we zien is rechtspopulisme. Kijk hier in Nederland naar de pvv.’

Hoewel hij zelf de term elite ook regelmatig gebruikt, wil Cuperus toch waarschuwen voor dat steeds maar indelen van de samenleving in hoog en laag. ‘Als je niet oppast wordt het een self-fulfilling prophecy. De sociale werkelijkheid is veel ingewikkelder. Met alleen hoog en laag vergeten we dat we hier in Europa een middenklasse-samenleving zijn. De middenklasse is juist het cement van die samenleving. Een ontevreden middenklasse is spelen met vuur. De huidige stoottroepen van het rechtse populisme hier bestaan uit vrij gemiddelde Nederlanders, zij die zich genegeerd voelen en achteruitgang vrezen of al hebben ondervonden. We moeten die middengroepen niet dwingen om te kiezen tussen bijvoorbeeld nationaal of internationaal. Maar dat lijkt wel van hen gevraagd te worden.’

Rien Fraanje vindt, net als Cuperus, dat er te weinig oog is voor de middengroepen: ‘Om met twee werkende ouders en twee kinderen te moeten rondkomen van een inkomen van ongeveer 45.000 euro is razend ingewikkeld. Stel dat een van die twee ouders dan ook nog de baan kwijt raakt en het gezinsinkomen dus daalt. Het risico bestaat dat door de robotisering veel banen verdwijnen. Zijn dat juist de middenklasse-banen? Wie kan dan aanhaken en wie niet? Gaat dat de lager opgeleiden wegdrukken? Het uithollen van het midden zou daardoor wel eens kunnen worden versterkt.’

Ontwikkelingen zoals de robotisering zijn volgens Cuperus geen natuurverschijnselen: ‘Het zijn trends, maar we hoeven trends niet te volgen. Politiek is er juist om trends te bevechten. Dat geldt ook voor de flexibilisering. Te meer omdat de elite niet flexibiliseert, maar voor zichzelf zorgt met vaste contracten, goede inkomens en pensioenen.’

‘Er moet een eerherstel van het vmbo, én het mbo, komen. Dat kan bijdragen aan het eerherstel van het midden’

Fraanje wijst erop dat ook de werktijden bijdragen aan het op achterstand raken van kinderen uit de lagere inkomensklasse: ‘De marktwerking heeft ervoor gezorgd dat er bijna geen gemeenschappelijke momenten meer zijn in een huishouden, ook is er daardoor geen dag van rust in de week meer. Als een van de ouders bijvoorbeeld altijd ’s avonds moet werken kan er niet worden voorgelezen aan de kinderen. Daar begint de achterstand van het kind al. Gelukkig is er een begin van een beweging terug. Zoals in de schoonmaakbranche.’

Waar het cda altijd wordt gezien als de gezinspartij is het juist René Cuperus die begint over het uit elkaar vallen van families en hoe zorgwekkend hij dat vindt: ‘Het is bijzonder om te zien hoe het ideaal van de jaren zestig, vrije seks en drugs en rock-’n-roll, niet wordt geleefd door de hoger opgeleiden maar door mensen aan de onderkant. Daar zijn veel meer echtscheidingen, meer eenoudergezinnen. Wij vinden onszelf artistiek en hip, maar dat zijn we helemaal niet. Dat is allemaal schijncreativiteit. We zijn braaf, leiden heel burgerlijke levens en sleuren onze kinderen al pamperend door het leven. Om kinderen op te voeden is discipline nodig. Aan de onderkant is die discipline er veel minder.’

Hij wijst erop dat Putnam dit als de belangrijkste oorzaak ziet van de scheiding tussen de kinderen aan wat hij dan toch voor het gemak maar even de bovenkant en de onderkant noemt. ‘Om als kind in je latere leven succesvol en gelukkig te zijn heb je strong families, strong schools en strong communities nodig. Bij mij in de middenklasse-stad Amersfoort herken je wat Putnam in zijn boek beschrijft nauwelijks, in een stad als Rotterdam of Den Haag veel meer. Dat zijn gesegregeerde steden. In Rotterdam is wel veel verbeterd, maar daar waren op een gegeven moment de burgerlijke gezinnen uit de stad verdwenen.’

Voor Fraanje is juist de segregatie, en daardoor het gebrek aan ontmoeting tussen mensen met verschillende achtergronden, opleiding en inkomen de grootste zorg. ‘We kunnen als samenleving best accepteren dat we er in de toekomst misschien niet op vooruitgaan. Maar niet dat we elkaar niet meer ontmoeten. Vroeger ontmoetten verschillende groepen elkaar nog op school, op het sportveld of in de kerk. Maar dat is niet meer. De hoger opgeleiden organiseren voor zichzelf de goede scholen. De voetbalclubs krimpen in ledental vanwege het gedoe langs het veld, terwijl er bij de hockeyclubs wachtlijsten zijn. En de kerken lopen leeg, waardoor wat ervan over is geen sociaal bindende functie meer heeft zoals vroeger. In het publieke domein is er daardoor geen gemeenschappelijke beleving meer. We lachen zelfs niet meer om hetzelfde.’

Als mensen beseffen dat succes geen keuze is en ze anderen wel zouden ontmoeten, leidt dat volgens Fraanje tot ‘de opdracht om te delen en tot nieuwe vormen van solidariteit. Dat is een oproep aan iedereen persoonlijk’. Maar daarnaast ziet hij ook voor de politiek een taak weggelegd. ‘De politiek moet laten zien dat Den Haag niet alleen bestaat uit het chique Benoordenhout, maar ook uit de Schilderswijk. Op school moet een onderdeel van de vorming ook zijn dat je leeftijdsgenoten ontmoet met andere achtergronden. Onderwijs is meer dan de jeugd klaarstomen voor de arbeidsmarkt. Die ontmoeting kan er zijn door uitwisselingsprojecten te organiseren of door sportterreinen te creëren waar voetballers, hockeyers en tennissers elkaar in de kantine en kleedkamer tegenkomen.’

Terwijl Fraanje zich zorgen maakt over het gebrek aan ontmoeting signaleert Cuperus minachting tussen de verschillende groepen: ‘Kijk naar de pijnlijke scheiding in het onderwijs. De bovenkant wil categoriale gymnasia en minacht het vmbo. Je hebt heel dramatische vmbo’s, maar een vmbo leerweg 1 is totaal verschillend van een vmbo leerweg 4. Als straks de eindexamens van het vwo beginnen, verschijnen er weer stukken in de kranten van bekende Nederlanders. Maar de eindexamens van het vmbo krijgen geen aandacht. Daar zit minachting in voor de onderkant. Een minachting die inmiddels wederzijds is. Er moet een eerherstel van het vmbo, en ook van het mbo, komen. Dat kan bijdragen aan het eerherstel van het midden.’

Ook Fraanje vraagt in feite om meer respect voor mensen met een lagere opleiding. Hij pleit voor het accepteren van verschillen: ‘Mensen zijn niet gelijk. De een is goed met zijn hoofd, de ander met zijn handen. Mensen die de concentratie kunnen opbrengen om in de maakindustrie een machine in de gaten te houden, dat is een gave. Een sportdocent die geweldig training geeft aan kinderen stuurt misschien een mailtje met veel taalfouten. Nou en? Wat die man op het voetbalveld kan, kan ik niet. Waarom moet iedereen mee in de kenniseconomie? Het menswaardige schuilt juist in verschillen.’

Zowel Fraanje als Cuperus realiseert zich hoeveel invloed het marktdenken en het neoliberalisme hebben op de ontwikkelingen in de samenleving waar Putnam voor waarschuwt. Cuperus heeft het over de neoliberale octopus. ‘Dat is een fluïde, veelkoppig monster. Het is niet eenvoudig te bestrijden. Het neoliberalisme komt niet van de liberale partijen, zoals de vvd of fdp in Duitsland. Dat komt door de miljoenen mensen die worden opgeleid in de economie van het marktdenken, die hun Master of Business Administration halen en voor elk probleem marktwerking als oplossing hebben, van de mensen van McKinsey. Daardoor zijn ook partijen als de pvda en het cda mee-geneoliberaliseerd. Hoe is het anders te verklaren dat het Europese project neoliberaal is en er niet is gekozen voor het Europese Rijnlandse model, terwijl de stuwende krachten achter de Europese Unie toch de sociaal-democratie en de christen-democratie zijn?’

Fraanje refereert aan ‘de grote, onderliggende ontwikkelingen’, zoals het dominante marktdenken, opkomende nieuwe economieën, de vergrijzing en ontgroening in Europa, en de invloed daarvan op de samenleving. ‘Daar moeten we ons constant van bewust zijn. Die ontwikkelingen vragen continue aandacht en zorg. De politiek kan de daaruit voortvloeiende problemen niet alleen oplossen.’

Cuperus denkt dat een groep mensen de oplossing al helemaal niet meer zoekt bij de politiek. ‘Laatst was er een bijeenkomst over economie en filosofie in de Westerkerk in Amsterdam. De kerk zat vol jonge mensen die terecht boos zijn omdat ze zien dat er voor hen minder kansen zijn op werk en zij mee moeten in de flexibilisering van de arbeidsmarkt. Je voelt dat er onrust is, rumoer. Zij zoeken naar manieren om dingen te veranderen, buiten de politiek om. Zij geloven niet in de bestaande politieke partijen. Ze zetten zich af tegen het kapitalisme. Sommigen gebruiken zelfs het woord communisme. Zelf zou ik dat woord nooit kiezen, maar het is interessant als tegenwicht tegen het rechtspopulisme. Maar bovenal geldt dat we de onvrede van de buitengeslotenen goed moeten begrijpen en moeten wegnemen. Dat niet doen, is gevaarlijk.’