Opheffer

We lachen om alles

Kunst waaraan behoefte is, noemen we vaak low culture, en kunst waaraan geen behoefte is, blijkt vaak high culture. Er is behoefte aan de begrafenis van Hazes, soaps, Idols, de grootste Nederlander, er is weinig behoefte aan een bepaald soort films en toneel en muziek en literatuur.

Hoge en lage cultuur worden altijd gezien als twee afzonderlijke fenomenen. We weten dat de ene de andere beïnvloedt, maar hoe en wat precies blijft altijd vaag. Geen soaps zonder Shakespeare, geen Shakespeare zonder zoetige Italiaanse poëzie. De oorspronkelijke Romeo en Julia is een matig vers – zelfs in die tijd al.

Het aardige is de beoordeling van hoge en lage cultuur. De ene rechtvaardigt zich door een kwantitatieve meting (kijk- of oplagecijfers), de andere wenst graag een diepgaande esthetische beoordeling.

Beide streven een soort mix na van een kwantitatief groot succes en esthetisch meesterlijke beoordeling. De grootste Nederlandse schrijver is een schrijver die én goed verkoopt en esthetisch verantwoord werk maakt.

Mulisch, Van het Reve, Grunberg – ze verkopen goed en krijgen een mooie beoor deling. Zij spelen in de eredivisie.

Nu kun je je de vraag stellen: is de eredivisie de beste speelruimte? Geeft een positie in die eredivisie – ik weet even geen andere vergelijking – meer zin aan je leven dan een lagere positie?

Voor een kunstenaar is de marge altijd het interessantst. In dat gebied kan hij experimenteren, nieuwe ideeën ontwikkelen, gek doen, over de schreef gaan, zich ontwikkelen. Hij doet dat in het besef dat hij weliswaar ooit een groot publiek wil hebben, maar dat hij dat op dit ogenblik nooit zal krijgen. Hij dwingt zichzelf op de achtergrond.

Bij de televisie is geen enkele marge meer. Zelfs bij de VPRO niet. Er is een kijkcijferdwang. Je kunt nog zulke mooie programma’s maken, alleen kwantitatieve metingen, de kijkcijfers, hebben invloed, de eventuele waardering niet, laat staan een slechte waardering.

Televisie dwingt tot low culture. Daar is niets op tegen, alleen weet je dat je alleen dat voedsel krijgt voorgeschoteld waaraan behoefte is, nooit iets lekkers of bijzonders.

En toch…

De lage-cultuurbouwers weten net zo min als de hoge-cultuurdragers waar nu precies behoefte aan is.

Twintig, dertig jaar geleden kon je hoge kijk- en oplagecijfers halen als je seks in je programma’s of boeken stopte. Seks kwam voor in geschriften van bijzondere kwaliteit en in porno, en die mix was zeer gewild. De Nederlandse film heeft een tijdje bekend gestaan als een film met veel seks. Veel tieten, veel wippen, veel gehijg – en alles «verantwoord», zoals dat in die tijd heette, waarmee werd bedoeld dat de seks een wezenlijk onderdeel van het verhaal vormde.

Maar de behoefte aan seks is enigszins verdwenen. Zelfs seks, zou je kunnen zeggen, trekt geen kijkers meer. Bekijk maar eens de kijkcijfers van de seksprogramma’s. Niemand kijkt! Men wil tegenwoordig geen seks, men wil lachen. Een interessante verschuiving.

Vroeger hoorde de lach onmiskenbaar bij de hoge cultuur. Cabaret… de naam alleen al, hoger kon je bijna niet op de culturele ladder staan. Een cabaretier was een soort ridder, een Voltaire, een Zola met een «J’accuse-toon» die ons scherper kon laten kijken door optisch bedrog te plegen; de spiegel die hij ons voorhield bleek ons zo te vervormen dat je niets anders kon doen dan lachen. Lachen was hoge cultuur.

Het lachen is ons niet vergaan. Integendeel, de lach is een kijkcijferkanon geworden. We willen lachen, en daarom zullen we ook lachen. We lachen om alles.

«Laatst kwam ik een vrouw tegen met vier tieten.»

«Vier tieten? Joh…»

«Ja… Ik dacht, dat heb ik weer… Zie ik een leuk wijf, zit d’r reet van voren.»

Wat is dit? Een ready-made, een grap van een stand-up, van een cabaretier? Nee, het is een gedicht, van een jonge dichter, ergens in de marge gemaakt. En eigenlijk is het daarom wel een leuk gedicht.

Maar het is ook niks. Helemaal niks. Een slechte grap.

De crisis in de cultuur die je op het ogenblik hebt, is een crisis die je ziet bij de lage en de hoge cultuur. We weten niet meer van elkaar te eten.

We willen lachen, maar we weten niet meer waarom. En we lachen daarom zo veel dat mettertijd, net als de seks, de lach zal verdwijnen, of anders zal worden. En bij de hoge cultuur weten we niet meer hoe we iets moeten beoordelen. Louter esthetisch? Wat is dan het gezag van de criticaster?

Sinds een paar jaar lees ik de filmrecensies; het is ongelooflijk. Er zijn maar heel weinig critici die iets van film afweten. Die kunnen kijken en nadenken. Ik dacht dat het bij de literatuur erg was, bij de film is het nog erger. Omdat ik niet meer bewust literatuurrecensies lees, kom ik er af en toe eentje tegen. Verdomd, dat is ook lachen. Je komt niets meer over een boek te weten (wat niet hetzelfde is als het navertellen van het verhaal, dat kunnen recensenten heel goed), laat staan over welke rol een boek speelt. Slechte boeken krijgen hoge toptien-noteringen. Goede boeken worden neergesabeld. We voelen wel aan wat hoog en laag is, maar we kunnen er niets meer over zeggen. Is die film met Linda de Mol goed? Maar er gaan geen mensen naartoe. Of is het daarom een goede film?

Cultuur zit niet meer in ons dagelijks leven. De hoge niet, en de lage eigenlijk ook niet. In mijn omgeving kijkt bijna niemand meer televisie. Ze hebben wel een tv, voor Barend en Van Dorp en Buitenhof en voor de dvd’s, maar dat is het dan ook. Ieder stelt zijn eigen culturele leven op, hoog en laag. Van de Tokkies tot… tot wat eigenlijk?

In feite leven we in de interessantste tijd na de Tweede Wereldoorlog – en we weten bij God niet hoe we die moeten vormgeven.