We leven hier in een illusie van vrede

Emir Suljagic verloor zijn vader en vele vrienden in Srebrenica. Tien jaar later is hij woordvoerder van de Bosnische premier. In Sarajevo lijkt niets meer aan de oorlog te herinneren.

SARAJEVO – «Zelfs hier zijn de mensen het al aan het vergeten», zegt Emir Suljagic. Hij wijst naar het Nationaal Theater, dat in tegenstelling tot veel andere gebouwen in de hoofdstad van Bosnië-Herzegovina geen sporen meer vertoont van de oorlog. Het is smetteloos wit. Voor het theater is tussen dranghekken een rode loper uitgerold, die wordt bewaakt door streng kijkende kleerkasten in zwart pak. De twaalfde editie van het Sarajevo Filmfestival is op zijn hoogtepunt. Het wordt bezocht door beroemdheden als Nick Nolte, filmster, en Bono Vox, zanger van U2. «En kijk daar eens.» Suljagic wijst op een groot spandoek: «Mooi is het hier te leven» schreeuwt het. Het is de officiële leus van de Bosnische regering, om te vieren dat de stad is uitgeroepen tot «Europese regio 2006». «We onthalen sterren en doen alsof het leven hier een feest is», zegt Suljagic. «Niets herinnert eraan dat nog maar tien jaar geleden een gemeenschap in een deel van dit land werd weggevaagd.» Hij zegt het gelaten, niet boos. Zo is de mens nu eenmaal, lijkt hij met zijn schouderophalen te bedoelen. Dan gaat hij rechtop zitten en zegt: «Ik geloof dat ik wil dat mijn boek een document is.»

En dat is het. Over Srebrenica zijn inmiddels aardig wat minder geslaagde boeken verschenen, inclusief het duizenden pagina’s tellende rapport van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (niod). Briefkaarten uit het graf van Emir Suljagic vult een grote leegte. Suljagic (1975) is de eerste overlevende die het dagelijkse leven in de enclave heeft beschreven. Hij kwam in mei 1992, aan het begin van de oorlog, te voet in het stadje aan, samen met zijn ouders en zijn zusje, op de vlucht uit het noordelijker gelegen Bratunac. Daar waren Serven bezig systematisch de omgeving te zuiveren van moslims, of correcter: «Bosnjakken», Bosniërs aan wier achternaam te zien was dat ze zich ooit, tijdens de Ottomaanse overheersing, hadden bekeerd tot de islam. Het gezin Suljagic was de bossen rond Bratunac in gevlucht. Daar hoorden zij het gerucht dat een kleine groep Bosnjakken met een gewaagde aanval op moordende en plunderende Servische paramilitairen Srebrenica in handen had gekregen.

De vluchtelingen noemden Srebrenica geen «enclave», schrijft Suljagic, maar ketel, einde van de wereld of blindedarm. «Wat wij dagelijks meemaakten bleef voor de rest van de wereld ontoegankelijk.» Het is alsof Suljagic boven het gebied zweeft. Vaak daalt hij neer en begeeft hij zich onder de mensen. Maar hoe groot ook de ellende, de toon blijft bedaard, de taal literair en gedetailleerd. Daardoor komt de werkelijkheid van Srebrenica des te scherper over. Een wereld waarin de dood altijd dichtbij is en het bestaan is uitgesteld. Mensen spreken over wat ze vroeger waren, en dromen over wat ze na de oorlog zullen zijn. Suljagic beschrijft de bombardementen, de wanhoop en de honger, en wat die met een mens doen. Woest is hij over het dierlijke bestaan waartoe de vluchtelingen gedwongen werden, vertelt hij, maar het is hem gelukt die woede buiten het boek te houden. Over de dood van zo’n tienduizend Srebrenica-vluchtelingen is inmiddels veel bekend, schrijft Suljagic. «Toch doen we de dood van al die mensen geweld aan in onze krantenkolommen, waarin we onszelf nooit de vraag stellen naar hun levens.»

Suljagic bleef in Srebrenica tot het bittere einde. Hij verloor er zijn vader en vele vrienden, maar wist zijn moeder en zusje in veiligheid te brengen door voor hen een plek te veroveren in een VN-vrachtwagen, die uitpuilde van de vluchtelingen. Emir moest achterblijven, want de Servische belegeraars lieten onder geen beding VN-trucks passeren met daarin mannen in gevechtsleeftijd. In juli 1995 vielen Servische troepen de enclave aan. Het Nederlandse VN-bataljon bood geen weerstand en verhinderde niet dat de zegevierende Serven mannen wegvoerden gescheiden van vrouwen en kinderen. De Rode Kruis-lijst van vermisten uit Srebrenica telt 7300 personen, voornamelijk mannen. Waarschijnlijk zijn zij allen geëxecuteerd. Nog eens tweeduizend mannen werden gedood tijdens hun vlucht door de bossen in Servisch gebied naar Zepa en Tuzla, steden die onder controle stonden van het moslimleger. Suljagic bleef uit handen van de Serven, omdat hij als tolk in dienst was van de Verenigde Naties. Hij vertaalde voor de VN-waarnemers en voor Dutchbat_._ Zijn naam stond op een (korte) evacuatielijst met Bosnisch VN-personeel, dat onder de hoede van Dutchbat veilig uit de enclave werd geloodst.

Na de oorlog verdrong Suljagic Srebrenica. Hij voltooide een studie humanitair recht en werd redacteur bij weekblad Dani. Als journalist keerde hij enkele keren terug naar Srebrenica, dat nu in Republika Srpska ligt, de Servische Republiek die samen met de Moslim-Kroatische Federatie de staat Bosnië-Herzegovina vormt. De stad kende voor de oorlog een bevolking van overwegend Bosnjakken, maar wordt nu grotendeels bewoond door Serven. Als Suljagic in Srebrenica is, voelt hij zich klein en kwetsbaar.

In 2000 keerde Suljagic, naar aanleiding van de vijfde verjaardag van de slachting, naar Srebrenica terug om voor Dani een artikel te schrijven over zijn ervaringen. De avond voor de deadline zette Suljagic zich aan het schrijven. Hij werkte aan een stuk door. «Het leek wel een koortsaanval. Ik kon niet meer stoppen. Toen ik besloot maar eens buiten een sigaret te gaan roken, kwam de zon alweer op.» Een van zijn eindredacteuren moedigde hem aan van zijn ervaringen een boek te maken. Suljagic wilde niet, veel van zijn herinneringen waren te pijnlijk. Maar toen een vriendin in Zweden hem aanbood bij haar te komen schrijven, reisde hij toch af. «Ik had wat geld gespaard en ik wilde wel even weg. Ik heb Briefkaarten daar in drie maanden tijd geschreven. Toen ik de laatste punt had gezet, heb ik de tekst weggestopt en er jaren niet meer naar gekeken. Het was eruit, klaar, weg ermee.» Pas toen hij van 2002 tot 2004 correspondent was bij het Joegoslavië Tribunaal in Den Haag besloot hij zijn tekst weer eens te lezen. «Ik dacht: ik krijg hier dagelijks zoveel ellende over me heen, dan kan mijn eigen shit er ook nog wel bij.» Het bijschaven van zijn boek bleek een van de zwaarste klussen die hij de afgelopen jaren klaarde, vertelt hij: «Toen ik het boek schreef, was ik broodnuchter. Ik rookte niet, ik dronk niet. Maar toen ik het ging redigeren, was het alsof iets wat ik eindelijk was kwijtgeraakt, weer naar binnen wilde kruipen. Ik moest mezelf verdoven, anders ging het niet. Ik heb toen veel gehad aan jullie liberale wietbeleid.»

Inmiddels heeft hij de journalistiek vaarwel gezegd en is hij woordvoerder van de Bosnische premier. Suljagic heeft in beide beroepen goed achter de schermen van de Bosnische politiek kunnen kijken. Te goed, misschien, zegt hij: «Het is de illusie van normaliteit die mij stoort aan dit land. We doen net alsof de oorlog over is, maar je kunt je afvragen of dat klopt. Mensen die dik verdiend hebben aan de oorlog runnen dit land. Individuen die vele doden op hun geweten hebben zijn gewoon in staatsdienst. Ongeveer duizend betrokkenen bij de massamoord in Srebrenica werken als ambtenaren in Republika Srpska. Ze hoeven zich niet te verbergen. Het laatste verhaal dat ik als journalist maakte, ging over Dusko Jevic. Hij was samen met Momir Nikolic verantwoordelijk voor de deportaties vanuit Srebrenica. Nikolic heeft voor het Joegoslavië Tribunaal schuld bekend en verteld waar Dusko Jevic was. Maar die werkt nu zonder dat er een haan naar kraait voor het ministerie van Binnenlandse Zaken in Republika Srpska. De internationale gemeenschap is niet geïnteresseerd in rechtvaardigheid, ze is geïnteresseerd in vrede. Ze vreest ongeregeldheden als ze veel mensen arresteert. Het is lafheid. Er is geen ander woord voor.»

Op 1 oktober zijn er nationale verkiezingen. Dat is een kans voor de Bosnjakken, Kroaten en Serven om nader tot elkaar te komen. Gaat dat lukken?

Emir Suljagic: «Nee, het zal alleen maar erger worden. We leven hier in een illusie van vrede. De partijen die vóór de oorlog de dienst uitmaakten, zullen opnieuw winnen. Zij hadden belang bij de oorlog. Soms zitten in de top van die partijen nog dezelfde mensen als toen. De etnische gemeenschappen zijn nog steeds de gemeenschappen uit de oorlogstijd. Onze politici en een groot deel van de bevolking willen geen verzoening. Als je weet wat voor onderwijs de kinderen krijgen, zakt de moed je in de schoenen. Ze krijgen een nationalistische interpretatie van de geschiedenis voorgeschoteld. Er wordt hun geleerd dat de ander hun eeuwige vijand is. Kinderen in Banja Luka leren dat Republika Srpska hun vaderland is, en niet Bosnië. Kinderen in West-Herzegovina leren dat Kroatië hun vaderland is. Zelfs de kinderen hier in Sarajevo leren dat er nooit echt vrede zal zijn voordat Republika Srpska is opgeheven. Gevochten zal er niet meer worden, want daarvoor zijn de machthebbers de middelen ontnomen. Maar het huidige Bosnië is een laboratorium waarin we problemen voor de toekomst creëren, zeker als er oorlogsmisdadigers blijven rondlopen.»

Eind juni werd Naser Oric, de legercommandant van de Bosnjakken in Srebrenica, tot twee jaar cel veroordeeld door het Joegoslavië Tribunaal wegens zijn verantwoordelijkheid voor het martelen van Servische gevangenen. Hij kwam meteen vrij, omdat hij lang in voorarrest had gezeten. Oric werd als een held binnengehaald in Sarajevo. Wat vind je daarvan?

«Oric is geen held, maar een klootzak. Hij mag blij zijn dat zoveel zaken niet in de aanklacht zijn gekomen. Oric en anderen zouden gestraft moeten worden. Niet voor wat ze de Serven aandeden, maar voor wat ze hun eigen mensen hebben aangedaan. Hij en andere potentaten in Srebrenica hebben zich verrijkt ten koste van de vluchtelingen. Humanitaire hulp werd verhandeld met de Serven. Mensen stierven van de honger, maar de voedselopslagplaatsen bleken vol toen Srebrenica onder de voet werd gelopen. Het aantal slachtoffers in het eerste jaar van de oorlog was in Srebrenica veel hoger dan elders. Tweeduizend mensen stierven, voornamelijk tijdens gevechten. Oric buitte de honger van de mensen uit. Hij had niet genoeg troepen, dus liet hij zijn eenheden volgen door duizenden hongerige vluchtelingen. Die ramden op hun kannen en schreeuwden ‹Alahu akbar›. Ze hadden geen wapens en velen van hen werden gedood. Ik ben er twee keer bij geweest. Ik heb mensen gezien die een huis in renden en met Serven vochten om een zak meel. Het was niet hun plaats daar te zijn.

Maar het is een dilemma. Want aan de andere kant heb ik ook mijn leven te danken aan mensen als Oric. Zij verdedigden ons. En de hongertochten waren pure noodzaak. Toen ons leger het dorp Zalazje aanviel, ging mijn vader mee met de troepen. Hij had geen wapen. Hij ging erheen met duizenden anderen en bracht een paar schoenen en een broek voor me mee terug als buit. Volgens de standaard van internationaal humanitair recht had mijn vader waarschijnlijk een misdaad gepleegd. Maar het punt was dat ik geen fucking broek had én geen schoenen! Moet ik nu zeggen dat mijn vader een crimineel is?»

De Serven beweren dat Oric verantwoordelijk was voor het doden van Servische burgers rond Srebrenica en dat ze daarom de enclave moesten innemen.

«Als je zestigduizend mensen jarenlang in een klein gebied opsluit, zonder voedsel en onder constante beschietingen, gaan ze uiteindelijk op hun beulen lijken. Er was geen formele militaire en politieke structuur die excessen kon voorkomen. De Serven zelf hadden die vernietigd. Zij doodden in 1992 alle intellectuelen, politici en mensen van enige waarde. Wij waren slechts geïnteresseerd in één ding: overleven, tegen elke prijs. In 1992 drongen onze Servische buren onze huizen binnen om ons af te schieten als honden. Alle mannelijke leden van mijn familie zijn vermoord. Hetzelfde gebeurde weer in Srebrenica in juli 1995. De Servische soldaten kwamen uit Zvornik en Bratunac, we kenden ze. Het was een heel intieme massamoord.»

Er zit weinig woede in ‹Briefkaarten uit het graf›, noch jegens de Serven, noch jegens Dutchbat. Dat is opvallend, want je hebt veel moeten doorstaan.

«Ik heb in de journalistiek geleerd afstand te nemen van mijn onderwerp. Bovendien doet kwaadheid niemand goed en brengt die niet mijn vermoorde vader en vrienden terug. Wat Dutchbat betreft: mijn boek gaat niet over een schuldvraag. Het is duidelijk wie ons naar het leven stond. Ik wilde ons bizarre leven in de enclave beschrijven. Maar zodra ik in Nederland over Dutchbat spreek, kruipt iedereen in zijn schulp.

Natuurlijk had er verzet geboden moeten worden tegen de Serven; er hadden mensen gered moeten worden in plaats van uitgeleverd. Dutchbat heeft gefaald. Je kunt uitzoeken wie daar verantwoordelijk voor zijn en dan kom je uit bij mensen als overste Karremans en diens plaatsvervanger majoor Franken. Franken schrapte de naam van de broer van mijn collega-tolk Hasan Nuhanovic van de VN-evacuatielijst, met een roze markeerstift. Daarmee werd hij medeverantwoordelijk voor de dood van die jongen. Zulke mensen moet je niet bevorderen, maar berechten. Dat scheelt je een nationaal trauma.» l

Emir Suljagic, Briefkaarten uit het graf (vertaald uit het Bosnisch door Guido Snel), De Arbeiderspers