De Nederlandse erfenis in Zuid-Afrika

‘We leven in barbaarse tijden’

Nederland is nog altijd niet bereid om te erkennen dat het een rol heeft gespeeld in het racisme in Zuid-Afrika. Daar moet verandering in komen. ‘Het lijkt of wij geen deel uitmaken van dat stuk Nederlandse geschiedenis.’

Julie

Tijdens een etentje in Kaapstad kwam het gesprek op dingen waarvan je betreurt dat je ze wel of niet hebt gedaan. Terwijl de wijnglazen werden bijgevuld had de een het over een huwelijk dat beter niet had kunnen plaatsvinden, en een ander over het vertrek naar een ver land, dat op een mislukking was uitgelopen. Een derde, diep in de zestig, keek peinzend om zich heen en zei ten slotte: ‘Dat ik dat huis in Harfield Village niet heb gekocht, dat te koop stond voor zestienduizend rand, twaalfhonderd euro.’

De spreker, een vrouw, was wit en keek verwonderd om zich heen bij het horen van verontwaardigd gemompel van enkele van haar tafelgenoten. ‘Wat nou?’ zei ze. Ze kreeg bijval van haar echtgenoot, een succesvol zakenman. Gemiste kans om een grote klap te maken, vond ook hij. Kijk wat die huizen nu opbrengen…

Harfield Village is een zuidelijke wijk van Kaapstad, niet ver van het chique winkelcentrum Cavendish Square. In de vorige eeuw was dit een buurt waar zwarte, gekleurde en witte Zuid-Afrikanen door elkaar woonden. In november 1969 kwam er een einde aan die stamppot, toen de overheid besloot dat de negentienduizend donkere inwoners hun boeltje moesten pakken om elders, ver buiten de stad, een nieuw bestaan op te bouwen. Dat besluit was gebaseerd op de Group Areas Act uit 1950, een door de apartheidsstrategen geïntroduceerde wet die was bedoeld om te voorkomen dat verschillende rassen in dezelfde buurt zouden wonen. Dankzij die verordening en de diverse aanpassingen ervan ontstond de typische Zuid-Afrikaanse apartheidstopografie, met streng gescheiden wijken voor wit, gekleurd en zwart.

Waar het in Harfield Village op neer kwam was dat zwarte bewoners naar afgelegen zwarte townships als Guguletu moesten, en de bruine bewoners naar ‘kleurlingenwijken’ die ver buiten het centrum voor hen waren opgetrokken, als buffer tussen de zwarte townships en de witte wijken. Die nieuwe kleurlingenwijken kregen aanlokkelijke namen zoals Lavender Hill, Hanover Park en Ocean View, ook al was er geen enkele sprake van zoete geuren, prettige parken of zeezicht.

Nee, de wijken bestaan uit sombere lage onderkomens en naargeestige woonkazernes. In het beste geval doen ze denken aan Oost-Europa en in het slechtste geval aan no-goareas in Amerikaanse steden. Gangs maken hier de dienst uit en verslaving aan ‘tik’, een versie van crystal meth, is een gigantisch probleem. Bij de toegangsweg naar Ocean View werden onlangs zestig witte kruizen neergezet, een eerbetoon aan de onschuldige slachtoffers die daar de afgelopen jaren bij de bendeoorlogen zijn gevallen.

De plekken die de verdrevenen moesten achterlaten waren van een andere orde. Zo ontstond Harfield Village, vol met knusse arbeiderswoningen die al snel in de smaak vielen bij witte Kapenaren die op zoek waren naar iets betaalbaars, niet te ver van het stadscentrum. Om even terug te komen bij die teleurgestelde vrouw in het restaurant: inmiddels gaan die huisjes voor pakweg 125.000 euro van de hand, inderdaad het honderdvoudige van wat zij er destijds voor betaald zou hebben.

De Kaapse academicus Siona O’Connell deed onderzoek naar Harfield Village. Ze vatte haar bevindingen samen in een documentaire en in het vorig jaar verschenen boek ImpossibleReturn, waarin ze de verdreven bewoners aan het woord laat. Het werk is opgeluisterd met zwart-witfoto’s uit 1972 en recente kleurenfoto’s, zo veel mogelijk met dezelfde mensen, toen en nu. De stemmige beelden van 58 jaar geleden zijn gemaakt door fotograaf David Brown, die de buurt en zijn bewoners wilde vastleggen voordat de verhuiswagens hen wegvoerden. Zijn werk laat een combinatie van trots en menselijkheid zien, moeders die kinderen met keurig gekamde haren vasthouden, kruidenierswinkeltjes, een hond, een oude man, door het weer aangevreten muren, een kleuter op een schommelpaard, bloemetjesbehang, tieners met donkere coltruien, met boenwas ingewreven houten vloeren.

De verhalen uit Harfield Village zijn schrijnend, maar niet wanhopig. De meeste mensen legden zich morrend neer bij het dwangbevel van de oppermachtige witte autoriteiten, die tot 1994 aan de macht bleven. Daarna was het te laat om de boel nog terug te draaien. Sommige ex-Harfield-bewoners hebben gepoogd hun verloren bezit terug te krijgen, maar die weg is lang en zit vol bureaucratische valkuilen. De meesten hebben zich in hun lot geschikt. ‘It’s time to move on’, hoorde O’Connell keer op keer.

Harfield Village was niet de enige plek waar mensen te maken kregen met gedwongen verhuizingen. In het hele land, met name in de provincies met een substantiële bruine bevolking, vonden dergelijke etnische zuiveringen plaats. Tussen 1960 en 1982 waren zo’n drieënhalf miljoen mensen slachtoffer van de Group Areas Act. De beroemdste ontruiming is die van District Six. In makelaarstaal zou dit stukje Kaapstad een ‘toplocatie’ heten, dicht tegen het stadscentrum, met een fraai uitzicht over de haven en de Tafelberg. Midden jaren zestig woonden daar pakweg zestigduizend mensen.

Met zijn mix van bruin, zwart, wit en Indisch was District Six exemplarisch voor een non-raciaal Zuid-Afrika, zoals dat een jaar of vijftig heeft bestaan. Veel meer dan Harfield Village was dit een bruisende, kosmopolitische wijk, vergelijkbaar met Londens East End en de Lower East Side in New York – volgepropt, ruig en multicultureel. District Six werd bewoond door afstammelingen van tot slaaf gemaakten, migranten uit andere delen van Zuid-Afrika, Indiase handelaren, Ierse en joodse immigranten, avonturiers, dieven, onaangepasten en kunstenaars. Hier werd de beroemde Kaapse jazz geboren. En hier bloeide een literair leven met schrijvers als Alex La Guma, Richard Rive, James Matthews en Adam Small.

Die nieuwe kleurlingenwijken met aanlokkelijke namen zoals Lavender Hill en Ocean View, bestaan uit naargeestige woonkazernes

Het was een doorn in het oog van de witte autoriteiten, die District Six als een serieuze bedreiging zagen voor de raszuiverheid. Ze grepen het excuus van ‘gevaar voor de volksgezondheid’ aan om in 1966 het ontruimingsbevel te geven. In tegenstelling tot Harfield Village werd District Six met de grond gelijk gemaakt. Daarmee werd ook de gemeenschapszin verpulverd waar District Six om bekendstond. Alles en iedereen werd na de ontruiming van elkaar gescheiden. De een kwam in Mitchells Plain, de ander dertien kilometer verderop in Hanover Park.

‘Ze plaatsten de mensen uit dezelfde straat nooit in dezelfde buurt’, zegt Joe Schaffers, die opgroeide in District Six en in wiens aderen bloed stroomt van tot slaaf gemaakten uit Barbados en Nederlandse kolonisten. ‘Het was lood om oud ijzer, het maakte geen enkel verschil waar je terechtkwam. Het idee was gebaseerd op de nazi-ideologie van getto’s, ook al waren onze getto’s niet afgezet met prikkeldraad. Maar psychologisch werd ons duidelijk gemaakt: hier, in de nieuwe afgelegen wijken, horen jullie thuis en hier blijven jullie.’

Decennialang lag het land van District Six braak. Uiteindelijk werd er een paar honderd nieuwe flats gebouwd, waarvoor de oorspronkelijke huiseigenaren in aanmerking kwamen. Schaffers heeft er nooit naar getaald om zo’n moderne flat te betrekken. ‘Terugkomen?’ zegt hij. ‘Dat interesseert me geen lor. Er is niks om naar terug te komen. Je kunt je leven van toen niet opnieuw oppakken. Het is niet hetzelfde als toen, met die unieke mix van bewoners. Nu wonen er alleen mensen van kleur. Waar zijn de zwarte mensen? Waar zijn de witte? Het is gewoon een vervolg op die tweedracht zaaiende gedachte van toen: jij hoort hier wel en jij niet.’

Onderzoeker Siona O’Connell begrijpt die weerstand om aan vijftig jaar oude wonden te gaan krabben. Maar als iemand die door de apartheidsideologen zelf ook als ‘kleurling’ werd geclassificeerd heeft ze er tegelijkertijd grote moeite mee. ‘Vier generaties zijn inmiddels beschadigd door de gedwongen verhuizingen, die economische, emotionele en psychologische wonden hebben geslagen die niet in cijfers zijn uit te drukken’, zegt ze. ‘Hoe herstel je dat?’

May

Herstel is een Zuid-Afrikaans mijnenveld. De in 1994 opgezette Commissie voor Waarheid en Verzoening was niet alleen bedoeld om de waarheid over tijdens de apartheid gepleegde misdaden boven water te krijgen, maar ook om slachtoffers van die misdaden te compenseren. Uiteindelijk liep het proces vast omdat wit het als een heksenjacht zag, en het anc er bezwaar tegen had dat misdaden die de bevrijdingsbeweging in de trainingskampen in Angola en Tanzania had gepleegd op een lijn werden gesteld met apartheidsmisdaden. Wat een systematisch onderzoek naar de wortels van het kwaad had kunnen zijn, beperkte zich al snel tot de rol die verschillende individuen van de geheime dienst hadden gespeeld in moorden en martelingen. Afgezien van wat incidentele gevallen bleef compensatie uit.

Herstel draait rond de kernvraag: hoe kwantificeer je leed? Hoe meet je bijvoorbeeld de kansen die iemand heeft gemist omdat zijn ouders van Harfield Village naar het uitzichtloze Manenberg werden gebonjourd? Hoe meet je de stress waarmee de bewoners van het door drugsgeweld aangevreten Ocean View te maken hebben. Hoe meet je de afgenomen kansen op werk voor iemand wiens ouders naar Lavender Hill werden verbannen? En waar begin je? Bij de invoering van de apartheid in 1948? Bij de eerste rassenwetten, die van begin twintigste eeuw dateren? Bij het jaar waarin de Engelsen de Kaap tot kolonie uitriepen, 1806? Of ga je nog verder terug in de tijd?

Ja, zegt onderzoeker Nadia Kamies, je moet terug in de tijd, terug naar de slavernij, terug naar de periode waarin de Kaap onder bestuur stond van de Nederlandse Vereenigde Oostindische Compagnie (voc), die begon met de komst van Jan van Riebeeck in 1652. Pas dan raak je aan de kern van een raciale ideologie die zich als een kwaadaardig virus vijf eeuwen lang heeft kunnen nestelen in het Zuid-Afrikaanse bewustzijn.

Kamies schreef er een proefschrift over, getiteld Shame and Respectability: A Narrative Inquiry into Cape Town’s ‘Coloured’ Families Through Photographs, Cultural Practices and Oral Histories (1950-2016). Ze groeide op in Kaapstad en werd net als O’Connell tijdens de apartheid gecodeerd als kleurling, met alle bijkomstige beperkingen wat betreft onderwijs, woonplek en werkkansen. Zoals alle kleurlingen is ze een mix. De taal van haar moeder was Afrikaans, die van haar vader Engels. Ma was christen, pa moslim. Haar vader groeide op in District Six, totdat zijn ouders zich na de gedwongen verhuizingen moesten redden in Mitchells Plain, 32 kilometer verderop. ‘Mijn oma moest haar zoon ineens vragen om haar naar het postkantoor te brengen om haar maandelijkse pensioen te innen’, vertelt Kamies.

Kamies ging graven in haar eigen verleden. Het begon met het bestuderen van fotoalbums van haar familie. Wat haar vooral opviel was dat iedereen er onveranderd uitzag als om door een ringetje te halen: keurig aangekleed en de haren perfect gekamd. ‘Dat was het thema van onze levens: bewijzen dat je goed genoeg bent. Maak je familie niet te schande’, zegt ze. ‘Dat heeft te maken met altijd te horen krijgen dat je niet deugt, dat je dom bent. Onze ouders en grootouders hadden nog steeds die slavenmentaliteit: je bent niet goed genoeg. Die houding, die schaamte, is nooit verdwenen.’

‘Vier generaties zijn inmiddels beschadigd door de gedwongen verhuizingen.’ Hoe herstel je dat? Hoe kwantificeer je leed?

Teruggravend in de geschiedenis stuit ze uiteindelijk op de Nederlandse erfenis: slavernij in combinatie met kolonialisme in de zeventiende en achttiende eeuw. De Zuid-Afrikaanse slavenhandel was lange tijd in handen van ’s werelds eerste multinational, de voc, die had besloten dat de plek op het zuidelijke puntje van Afrika, dat nu Kaapstad heet, ideaal was als verversingsstation voor de schepen die van en naar Batavia voeren. Met de uitbreiding van die nederzetting ontstond weldra de behoefte aan goedkope arbeidskrachten om huizen te bouwen, schoon te maken, op de boerderijen en in de haven te werken.

De eerste Zuid-Afrikaanse tot slaaf gemaakte was Abraham van Batavië, die in 1653 als verstekeling in de Kaap werd aangetroffen. Vijf jaar later kwamen er grote groepen tot slaaf gemaakten aan: 228 uit Dahomey en 174 Angolezen, buitgemaakt op de Portugezen. De voc winkelde gretig op de slavenmarkten in Madagaskar en Mozambique. Ook hadden bezoekende buitenlandse schepen vaak wat mensen te verhandelen. Daarnaast werden ze binnengebracht door voc-werknemers met een Hollandse handelsgeest, die als hun diensttijd erop zat op de terugweg naar Nederland nog snel wat Bataven in de Kaap probeerden te slijten. In totaal werden er ruim zestigduizend tot slaaf gemaakten naar Zuid-Afrika gehaald, vooral tussen 1652 en 1795, toen de voc hier de scepter zwaaide. De helft kwam uit Madagaskar en een derde uit Azië, met name India en Indonesië.

Slavernij is een ondergeschoven kind in de Zuid-Afrikaanse historie. ‘De impact ervan is overschaduwd door het veel dominantere verhaal van de apartheid’, zegt Kamies. ‘Slavernij werd slechts zijdelings aangeroerd in onze geschiedenislessen. Het werd gepresenteerd als een goedaardige variant van de Amerikaanse versie, compleet met charmante beeltenissen van koloniaal Kaapstad. Slaveneigenaars werden geportretteerd als vaderlijke figuren die goed zorgden voor hun tot slaaf gemaakten, die sowieso sturing nodig hadden.’

Die goedaardige slavernij is een fabeltje, zegt ze, verwijzend naar uitputtend onderzoek door historici en sociologen. ‘Dergelijke uitbeelding verhult de wreedheden en ontmenselijking van de Aziatische en Afrikaanse tot slaaf gemaakten in Zuid-Afrika.’ Ze wijst onder meer op de lijfstraffen, de verplichte pasjes en het samenscholingsverbod. De kern van haar betoog is dat met de slavernij de basis werd gelegd voor een maatschappij die is gebaseerd op rassenverschillen, met witte superioriteit als hoofdingrediënt.

December

Net als oorlog en honger is slavernij een constante in de wereldgeschiedenis. Al in het oude Mesopotamië en Egypte werd in mensen gehandeld. De eerste Europeanen die tot slaaf gemaakten uit Afrika haalden waren de Portugezen. En dankzij de pen van kroniekschrijver Gomes de Zurara hadden zij tevens de primeur om slavernij in een geschrift te koppelen aan witte superioriteit en het christelijke geloof.

In 1453 voltooide De Zurara een biografie van Hendrik de Zeevaarder, waarin hij diens mensenhandel goedpraatte door te benadrukken dat het de vrome Portugese prins er vooral om ging om de zwarte Afrikanen van hun primitieve leven te verlossen en ze tot het christendom te bekeren. Een slavenbestaan onder een westerse master was zonder meer te verkiezen boven een vrij bestaan in Afrika. Want daar, schreef De Zurara, ‘leefden de mensen als beesten’. Zo creëerde de schrijver zwartheid, een concept dat alleen kan bestaan bij de gratie van witheid. Het op die manier vergoelijken van de handel in mensen werd al snel gemeengoed onder de christelijke zeevarende naties. Na Portugal volgden Spanje, Frankrijk, Engeland en ook Nederland.

Het was niet alleen het beschavingsoffensief waarmee slavernij werd goedgepraat. Ook het Oude Testament werd erbij gehaald. Met name de passages over Cham, die zijn vader Noach belachelijk had gemaakt, waarna er een vloek over hem werd uitgesproken, kwam goed van pas. Cham, die vrij donker geweest zou zijn, moest boeten voor zijn faux pas. Zijn nageslacht werd veroordeeld tot een bestaan als houthakker en waterdrager, oftewel als slaaf. En gezien hun donkere uiterlijk symboliseerden Cham en de zijnen de zwarte volken. Die vrije interpretatie zou uiteindelijk resulteren in boeken als Bible Defense of Slavery.

Met de slavernij haalde de Kaap via de voc dus een racistische ideologie in huis, die uiteindelijk de maatschappelijke fundering zou vormen van de in 1910 gestichte Unie van Zuid-Afrika.

En gezien die achtergrond en context, zegt de Zuid-Afrikaanse socioloog Crain Soudien, is het opvallend dat Nederland absoluut niet bereid lijkt om te erkennen dat het een rol heeft gespeeld in de totstandkoming van die racistische staat. ‘De relatie van Nederland met deze geschiedenis is totaal anders dan de manier waarop met Suriname en Indonesië wordt omgegaan. Het is haast alsof het niet is gebeurd. Ik bezocht Nederland niet zo lang geleden. Er zijn enkele slavenmonumenten en verwijzingen naar slavernij in wat kerken en musea. Maar nergens tref je de Zuid-Afrikaanse casus aan. Het lijkt of wij geen deel uitmaken van dat stuk Nederlandse geschiedenis. Ja, de Boerenoorlog en apartheid, die vind je terug. Maar niet het feit dat Zuid-Afrika in diverse opzichten een creatie van Nederland is.’

‘De relatie van Nederland met deze geschiedenis is totaal anders dan de manier waarop met Suriname en Indonesië wordt omgegaan. Alsof het niet is gebeurd’

Soudien is ruim dertig jaar verbonden aan de Universiteit van Kaapstad en sinds vijf jaar hoofd van de Human Sciences Research Council, Zuid-Afrika’s belangrijkste onderzoeksinstituut. In zijn nog niet gepubliceerde artikel ‘Race, Identity and the Nation: The Long Making of South Africa’ ontleedt hij de rassenkwestie, met slavernij als giftige appel. ‘Slavernij verankerde het idee van superieure witheid in de denkpatronen’, schrijft Soudien.

Zijn verhaal is geen voorspelbare uithaal naar die verfoeilijke slavenhandelaren en kolonisten. Het is een pleidooi tegen simplificering. Soudiens hoofdargument is dat Zuid-Afrika een land is van bastaarden. Puurheid is een lachertje. Dat mengen begon al met de eerste Nederlandse gouverneur van de Kaap, Simon van der Stel, die tussen 1691 en 1699 die functie bekleedde. ‘Hij was de zoon van een Nederlandse man en een Indiase vrouw, dus je kunt stellen dat de natie, Zuid-Afrika, gemengd werd geboren.’ Het eerste gemengde huwelijk had overigens al veel eerder plaatsgevonden. Op 21 mei 1657 trouwde Jan Woutersz in de Kaap met Catharina van Bengalen.

Soudien staat uitgebreid stil bij de momenten waarop Zuid-Afrika een andere richting had kunnen inslaan. Met name de decennia na de afschaffing van de slavernij in 1834 waren belangrijk. Hij noemt het ‘de Interruptie’. Toen poogden de nieuwe, door het liberalisme begeesterde Engelse bestuurders om een meer egalitaire maatschappij op te zetten, waarin donkere Zuid-Afrikanen stemrecht hadden en posities konden bekleden die voorheen alleen voorbehouden waren aan witte mensen. Er werd een commissie opgezet die onder meer concludeerde dat de voc de Kaap racistisch had bestuurd.

District Six, dat in 1867 werd gebouwd, was in de ogen van Soudien een van de meest flagrante manifestaties van die vermenging. ‘Het was een alternatief model voor hoe mensen met een verschillende etnische achtergrond konden samenleven’, schrijft hij. ‘Sociale cohesie had een plek in Kaapstad gevonden, met een vertoog dat nu eens niet op “ras” leunde.’

Aan de Interruptie kwam een einde toen er in het noorden en westen van het land goud en diamanten werden gevonden en er goedkope arbeidskrachten nodig waren om de mijnbouw winstgevend te maken. Het was het begin van de natiestaat en snelle economische ontwikkeling. Zuid-Afrika, dat tot het begin van de twintigste eeuw bestond uit een verzameling koloniale en zwarte ministaatjes, werd in 1910 een unie en betiteld als een ‘wit’ land. De zwarte bevolking, die de goedkope arbeid moest leveren, werd als cultureel achterlijk afgeschilderd. Zwarte kinderen waren nog niet rijp voor fatsoenlijk onderwijs, zwarte Zuid-Afrikanen konden na de Land Act van 1913 geen land bezitten en het legioen zwarte mijnwerkers moest dom worden gehouden en kreeg geen kans om zich verder te scholen.

Maart

Na de invoering van apartheid in 1948 werd ras als onderscheidend criterium wettelijk vastgelegd. Het Amerikaanse one drop-systeem diende als voorbeeld. Wit was puur. Alle schakeringen van bruin waren problematisch, want die wezen op beschamende interraciale seksuele relaties en mogelijk op een slavenverleden. Zwart was ronduit inferieur, nog lang niet rijp om te worden opgenomen in de hoofdstroom van de Zuid-Afrikaanse samenleving.

Dankzij die wetten konden dus de gedwongen verhuizingen plaatsvinden. Ze droegen in sterke mate bij aan het idee van wit als superieur ras. Dat betekende bijvoorbeeld ook dat je als wit persoon zonder wroeging een arbeidershuisje in Harfield Village op de kop kon tikken dat ooit aan verdreven ‘kleurlingen’ had behoord. ‘Dat is ons probleem nu’, zegt Soudien. ‘Je hebt te maken met intelligente mensen zonder historisch besef. Ze zijn volledig op zichzelf gericht. Ze zien niet hoe het geluk en de toekomst van anderen ook die van hen raakt. Ze zijn moreel achterlijk. Zo zijn ze opgevoed en opgegroeid. We leven in barbaarse tijden.’

Maar gezien die uiterst complexe geschiedenis, met al haar lagen en spelers, die goedbeschouwd ruim vijfhonderd jaar teruggaat tot die racistische hagiografie over Hendrik de Zeevaarder, is het onmogelijk om over herstelbetalingen voor Zuid-Afrikaanse slavernij te praten, zegt Soudien. ‘Racisme ontwikkelde zich hier toen de economie in de Kaap zich begon te vormen. Toen de Nederlanders zich bewust werden van de economische mogelijkheden gingen ze racisme voor die doeleinden gebruiken. Maar het is niet zo dat ze racisme hier geplant hebben. Nee, racisme is een product van de dynamiek van het specifieke kapitalisme zoals dat zich hier ontwikkelde. Het is heel lastig om conclusies te trekken over verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid.’

Hij pakt een boek dat ik zeker moet lezen, over ras en humanisme, en vervolgt: ‘Maar ik denk wel dat het belangrijk is dat Nederland de historische rol erkent die het heeft gespeeld en in het reine komt met die koloniale periode. Ik zou het heel fijn vinden als die verdomde Nederlanders dat eindelijk eens willen inzien en erkennen, dat veel van hun verre neven en nichten hier in vreselijke omstandigheden leven. Dat er hier donkere mensen rondlopen met een achternaam als Erasmus en De Vries. Nederland moet accepteren dat Zuid-Afrika voor een belangrijk deel het product is van de Nederlandse aanwezigheid.’

Tijd voor verontschuldigingen

Een staat die zijn excuses maakt voor fouten in het verleden. Ooit was het ondenkbaar, inmiddels komt het steeds vaker voor. Maar echt van harte gaat het zelden. En soms laat men het verleden het liefst links liggen. De volgende aflevering in de serie over ‘sorry’ van staatswege: Australië en de Aboriginals.


Portretten door David Prior van nakomelingen, getuige hun familienaam, van tot slaaf gemaakten. Die werden in de zeventiende eeuw op de Kaap als bezit door hun eigenaar hernoemd naar de maand van aankomst