Het optimisme van de ecomodernisten

‘We leven in een begintijd’

Een schone wereld, een einde aan honger en economische groei voor iedereen. Volgens de ecomodernisten kan het, als we onze angst voor technologische vooruitgang durven af te schudden. ‘Als je niet gelooft in de toekomst, kun je geen betere wereld bouwen.’

Medium eco 201 20page 20op 20maat 5b1 5d

‘Ik omarm de gedachte dat we in het antropoceen leven’, zegt Frank Gorter. ‘Het tijdperk van menselijke dominantie.’ Gorter staat op een muurtje in de achtertuin van de Metaal Kathedraal, een oud kerkgebouw aan het water van de oud-Hollandse vaart Leidsche Rijn. Het is een oase van rust in een klein stukje groen landschap ingeklemd tussen de A2, een bedrijventerrein en de nieuwe stadswijk Leidsche Rijn. Aan zijn voeten, te midden van de rommel, staan drie oude caravans, met op elk dak een grote plak zonnepanelen. ‘Ze leveren genoeg stroom om een laptop en telefoon op te laden en om de caravans te verlichten’, zegt hij.

Hij heeft net een glas kruidenthee gebracht aan een jonge vrouw die voorzien van wifi zit te werken in een van de drie caravans van de KantoorKaravaan – mobiele werkplekken die zzp’ers maar vooral ook kantoormensen in staat moeten stellen om af en toe een dagje te werken in de natuur. ‘Met internetbereik, maar off-grid’, zegt Gorter, oprichter en co-eigenaar. Dus niet zoals conferentiehotels die heidagen aanbieden, waar je alsnog je auto voor de deur parkeert, je meldt bij een receptie en naar een porseleinen wc gaat. Maar echt bevrijd van de automatismen en vanzelfsprekendheden die het bestaan weliswaar makkelijker, maar ook klinischer maken dan het leven in de vrije natuur. ‘Een werkdag in de natuur geeft het gevoel onderdeel te zijn van een groter geheel.’ Je bent even niet meer dat individu met eigen targets, belangen en stressmomenten.

‘I trust in nature and hope in technology’, zo valt te lezen op de Twitter-pagina van Frank Gorter. Hij is een veertiger en vader met een glanzende bos zwarte krullen en vrijbuitersbaard, een warme capuchontrui om zijn gespierde bovenlichaam en stevige schoenen aan de voeten. Gorter is rentmeester van een familielandgoed op de Veluwe, eco-ondernemer, drummer en aanhanger van het ecomodernisme. ‘Althans, ten dele’, nuanceert hij. Ecomodernisme is een nieuwe stroming in het milieudebat, die hoopt een eind te maken aan het dogmatische, apocalyptische denken van de oude milieubeweging.

‘Het is een verhaal waar we nu al dertig jaar naar luisteren’, zegt Gorter. ‘De mens is schadelijk voor de natuur en moet ervan afblijven. Maar ik geloof niet in die scheiding tussen mens en natuur.’ Onze perceptie van natuur, zegt hij, is een culturele constructie. Wilde natuur bestaat al lang niet meer. Alles is al eens bebouwd of bewerkt. Of het nu de eerste generatie boeren was, die rond 11.000 voor Christus in het Midden-Oosten voor het eerst land bebouwde of de Maya’s die rond 2000 voor Christus delen van de oerwouden van Midden-Amerika cultiveerden. Of de aanleg van het idyllische Hollandse dijkenlandschap, vanaf de dertiende eeuw of het door menselijk beleid en ingrijpen conserveren van natuurgebieden zoals de Veluwe.

Ongerepte natuur is in veel gevallen een illusie, zegt hij. ‘Die bestaat bijna niet meer.’ En dat is ook niet erg, als we het maar niet stukmaken. ‘Ik denk dat wij als mensheid veel aan de natuur kunnen toevoegen. Daarbij moeten we niet bang zijn voor technologische vooruitgang.’

In 2004 werd het klimaatdebat opgeschud door een essay van de voormalige milieuactivisten Ted Nordhaus en Michael Shellenberger. In The Death of Environmentalism rekenden ze af met het klassieke verhaal van de milieubeweging waar ze zelf uit voortkwamen. Een verhaal dat in hun ogen bijzonder weinig had opgeleverd en dat zelfs een grote belemmering was geweest voor substantiële vooruitgang in het doen en denken rondom het milieuvraagstuk. ‘We zijn er beiden van overtuigd dat de milieubeweging, met al haar onbewezen aannames, verouderde concepten en uitgeputte strategieën, moet sterven zodat er iets nieuws kan opbloeien’, zo luidde de wrange conclusie van Nordhaus en Shellenberger.

Met terugwerkende kracht kan worden vastgesteld dat het essay inderdaad het startpunt is geweest van iets nieuws: het ecomodernisme. Een vrijere, meer optimistische en liberale kijk op het vraagstuk van mens en natuur. Niet langer de angst voor een apocalyptisch einde van de mensheid, maar een geloof in de vitaliteit van het aardse systeem en in de kracht van de mens om de problemen te overwinnen met technologische hulpmiddelen.

Dit voorjaar werd het bestaan van de nieuwe beweging bezegeld met de publicatie van het Ecomodernistisch Manifest, waarin kort maar krachtig wordt uitgelegd dat economische groei noodzakelijk is en blijft voor de vooruitgang van de mensheid, dat minder ontwikkelde landen en gemeenschappen recht hebben op grootschalig energiegebruik om hetzelfde welvaartsniveau te bereiken als de westerse wereld, en dat beide mogelijk zijn zonder verdere schade aan te richten aan het milieu en de natuur.

‘De mens zou schadelijk zijn voor de natuur en ervan af moeten blijven. Ik geloof niet in die scheiding tussen mens en natuur’

De trek naar de stad wordt toegejuicht omdat het leven in de stad bijzonder ruimte-intensief is en genetische modificatie is een belangrijk hulpmiddel bij de noodzakelijke intensivering van landbouw. Hoe minder er wordt gewoond in het buitengebied en hoe minder landbouwgrond nodig is voor voedselproductie, des te kleiner de impact op de natuur. Het gebruik van fossiele brandstoffen moet geleidelijk, maar niet te snel worden afgebouwd en worden vervangen door grootschalig gebruik van zonne-energie, waterkrachtcentrales en kernenergie, de krachtigste schone energiesoort die we kennen. Dat stuwmeren plaatselijk desastreus zijn voor de natuur en dat kernenergie vaak wordt gezien als de grootste bedreiging voor de mensheid nemen de auteurs van het Ecomodernistisch Manifest op de koop toe. Het is een kwestie van kosten en baten.

Vraag een gemiddelde Nederlander naar het ecomodernisme en hij zal je met vragende ogen aankijken. Vraag het iemand uit de hoek van natuur en milieu en je hebt een kleine kans op enige herkenning. Vraag het een deskundige in het debat over klimaatverandering, een liefhebber van natuur en technologie of een eco-ondernemer op zoek naar een positief geluid en je hebt iets meer resultaat. Maar wat het dan precies is, dat ecomodernisme, daarover heeft iedereen zijn eigen verhaal.

‘Het is een illusie om te denken dat renewable energy voldoende zal zijn voor de ontwikkeling van China, India, het Afrikaanse continent’, zegt Brendan O’Neill, hoofdredacteur van het Engelse online tijdschrift Spiked, geïrriteerd tijdens een pittig debat in De Balie. ‘Duurzame ontwikkeling is niet meer dan een ander woord voor armoede. Mensen die vasthouden aan het idee van duurzaamheid zijn allergisch voor verandering.’

Tijdens de bijeenkomst in het Amsterdamse debatcentrum vraag je je voortdurend af of je bent beland bij een bijzonder cruciaal debat of dat je getuige bent van een volledige non-discussie. Is het ecomodernisme een marginale stroming die nooit groter zal worden dan dit kleine zaaltje, of staan we aan het begin van iets groots? Het feit dat vrijwel alle grote Amerikaanse dagbladen en tijdschriften, van The New York Times tot The Huffington Post, Slate Magazine en The New Yorker, aandacht besteedden aan de publicatie van het manifest geeft in ieder geval aan dat het urgentie en relevantie uitstraalt.

Trotski, Marx, Bacon, Malthus, ze komen vanavond allemaal voorbij als theoretische onderbouwing bij de gedachte dat de milieubeweging inhumaan is. Biologische landbouw op het Afrikaanse platteland is geen idylle, fulmineert O’Neill: ‘It is a fourteen hour horrible backbreaking workday.’ De enige manier om de bevolking van Afrika op te stuwen in de vaart der volkeren, is zijn vaste overtuiging, is een industriële revolutie. Een industrialisatie zoals het Westen die ook heeft meegemaakt en die aan de basis stond van de moderne welvarende samenleving waarin we nu leven.

‘Gun jij Afrika een industriële revolutie?’ luidt dan ook zijn vraag aan de zondebok van de avond, Joris Wijsmuller van Greenpeace. Die denkt even na en zegt: ‘Ja, maar dan wel binnen de grenzen van wat onze planeet aankan.’ En juist dat is een illusie, zo reageert Ted Nordhaus, de man voor wie het debat werd georganiseerd. Als co-auteur van The Death of Environmentalism en voorzitter van The Breakthrough Institute in Californië is hij een van de grondleggers van het ecomodernisme. In 2008 werd hij door Time Magazine uitgeroepen tot een van de ‘heroes of environment’. Twee dagen eerder sprak hij in het Europees Parlement, vanavond heeft hij in De Balie een kleiner publiek, maar dat deert hem niet. Hij nuanceert de extreme opvattingen van O’Neill en geeft aan dat de milieubeweging niet de oorzaak is van armoede, ellende en vervuiling, maar er ook weinig aan heeft kunnen veranderen.

Wel valt de milieubeweging volgens hem deels te verwijten dat we een angst hebben ontwikkeld voor vooruitgang. ‘We leven uitzonderlijke levens, we kunnen zijn wie we willen zijn, doen wat we willen doen, trouwen met wie we willen trouwen en wij zelf zijn de enige die daar denigrerend over doen’, zegt Nordhaus. Het zijn vrijheden die komen met ontwikkeling. Ontwikkeling komt voort uit economische groei en economische groei is onmogelijk zonder grote, grote hoeveelheden energie.

Het narcisme van de milieubeweging, stelt Nordhaus, zorgt ervoor dat we niet oprecht willen kijken naar de behoeften van gebieden die nog niet of beperkt ontwikkeld zijn. Rustend op de lauweren die de industriële revolutie ons heeft geschonken, zien we vanuit onze ivoren toren toe op de moeizame pogingen die in andere delen van de wereld worden gedaan om wezenlijke vooruitgang te boeken. We helpen ze met de aanleg van zonnepanelen, met cursussen duurzaam verbouwen, met het opbouwen van een zelfvoorzienend bestaan op het platteland. Maar grootschalige groei en massaproductie op basis van fossiele brandstoffen? Liever niet. Met kernenergie dan? Liever niet. Of met eerste-generatie biobrandstof? Liever niet. Intensivering van de landbouw door genetische modificatie om meer monden te kunnen voeden, meer winst te kunnen behalen? Liever niet.

Intensivering van de landbouw door genetische modificatie om meer monden te kunnen voeden? Liever niet

‘Zolang Afrikaanse boeren rich, lovely lives hebben, op hun kleinschalige, biologische boerderij, hoeven wij ons minder schuldig te voelen over de schade die we hebben aangebracht aan onze planeet’, is de cynische conclusie van Brendan O’Neill.

Medium eco 20follow 20up 20op 20maat 5b1 5d

Vergis je niet. Het ecomodernisme is niet tégen de natuur of vóór opwarming van de aarde. Er is geen enkele scepsis over de klimaatverandering of over de urgentie om nú iets te doen. Integendeel. Juist Nordhaus en anderen van The Breakthrough Institute wijzen op de noodzaak om niet langer aan te modderen, maar om eindelijk eens over te gaan tot serieuze actie. Niet gebaseerd op angst voor een naderend einde, maar in de verwachting dat er een mooi tijdperk voor ons ligt. ‘Als je niet gelooft in de toekomst, kun je geen betere wereld bouwen’, aldus Nordhaus.

Het klinkt mooi. Doordat meer gebruik wordt gemaakt van technologische vooruitgang kan zowel het armoedeprobleem als het milieuvraagstuk worden opgelost en wordt de druk op de natuur verkleind. Door synthetische meststoffen te gebruiken in plaats van dierlijke wordt flink gesnoeid in de uitstoot van CO2. Gewassen kunnen dusdanig genetisch worden gemodificeerd dat ze ook groeien in gebieden die worden geteisterd door droogte of daar waar een gebrek is aan voedselrijke grond. Of ze kunnen resistent worden gemaakt tegen ongedierte, dat anders moet worden bestreden met pesticiden die schadelijk zijn voor de gezondheid van mens en natuur. Genetische modificatie biedt eindeloos veel mogelijkheden voor meer biodiversiteit en voor het verminderen van monocultuur. Samen zorgen ze voor intensievere landbouw, die minder vervuilend is en waarbij minder grond nodig is voor de productie van voedsel. En dus wordt de natuur minder aangetast.

Ontkoppelen, noemen ecomodernisten het. Verhoging van productie, economische groei en vooruitgang worden losgekoppeld van de impact op de natuur. Het is een pad dat deuren opent voor een nieuw tijdperk van groei, zonder verdere schade aan te brengen aan onze planeet. En een verhaal dat volledig afwijkt van de opvatting dat groei eindig is en dat duurzaamheid de enige weg is naar een leefbare toekomst van de aarde en de mensheid. Hoewel de uitkomst identiek is aan die waar de milieubeweging naar streeft, zijn de ingrepen waar de ecomodernisten voor pleiten voor de oude groenen één voor één taboe.

‘We leven in een begintijd, niet in een eindtijd.’ Koert van Mensvoort zit in een hoek van zijn designstudio Next Nature Network in Amsterdam. Drie provisorische houten schotten vormen de afscheiding tussen de minuscule vergaderruimte en de lunchtafel. Er staan drie bureaustoelen en een oude bank. Zijn studio is net verhuisd, vandaar de wat chaotische aanblik ervan. Van Mensvoort zelf is net terug van Aruba, waar hij bij de plaatselijke TEDx een lezing hield over de ecomunt, een munteenheid die de waarde van natuur, of liever van ecologische gebieden en systemen, moet aanduiden. Hij licht toe: ‘De kwetsbaarheid van de natuur komt voort uit het feit dat het geen incasseerbare waarde heeft.’ Stel, je bent een boer in Venezuela en je hebt een stuk grond met bomen erop. Je hebt twee keuzes: kappen om landbouwgrond te creëren en geld verdienen, of genieten van je eigen bos. Wat zou je doen? ‘Het lijkt me duidelijk waar je dan voor kiest’, zegt Van Mensvoort, ontwerper op het kruispunt van technologie, wetenschap, en filosofie.

De ecomunt moet uitkomst bieden. De munt kan op basis van een systeem van de wisdom of the crowd worden toegekend aan mensen die een bijzondere bijdrage leveren aan het behoud van ecologie en die kan worden verzilverd als echt geld. Het is vergelijkbaar met het concept van de Bitcoin. Dus de boer die er toch voor kiest om de bomen te laten staan, krijgt er wel degelijk geld voor terug.

‘Een ecomodernistisch concept’, zegt Van Mensvoort, die gelooft in een toekomst waarin natuur en technologie samensmelten. ‘De milieubeweging heeft de natuur een sacrale waarde gegeven, die nooit in geld is uit te drukken. Ze zouden de gedachte van de ecomunt ook niet kunnen waarderen, denk ik.’

‘We weten en begrijpen nog zo weinig. Ook over onze planeet, natuurlijke systemen. Laat staan dat we ze kunnen beheersen’

Van Mensvoort studeerde computer science aan de Technische Universiteit Eindhoven, waar hij ook promoveerde, en behaalde een masterdiploma aan het Sandberg Instituut van de Rietveld Academie. Hij is een veelgevraagd spreker, schrijver van een reeks boeken en oprichter van het Next Nature Network. Deze zomer kwam Van Mensvoort voor het eerst in aanraking met het ecomodernisme. Hij werd uitgenodigd voor een bijeenkomst waar Stewart Brand een van de gasten was. ‘Steward Brand…’, zucht hij. ‘Zo’n bijzondere man. De goeroe van de goeroes.’

Stewart Brand is een oude hippie uit San Francisco met de zeldzame kwaliteit om dingen in een ander perspectief te zien dan de rest van de mensheid. Hij vergaarde voor het eerst grote bekendheid toen hij de Nasa in de jaren zestig vroeg waarom we na zoveel maanreizen nog nooit een foto hadden gezien van de aarde in z’n geheel. Brand dwong met zijn opmerking een vorm van introspectie af, waarvan niemand nog had bedacht dat die ontbrak. We onderzoeken de maan en het heelal, maar vergeten te kijken naar onszelf en naar de planeet waarop wij wonen. Brand was de grote inspirator van Steve Jobs en andere denkers en ontwerpers, die zich lieten leiden door de kracht van technologie. Een grootheid in de milieubeweging en tegenwoordig activistisch pleitbezorger van het ecomodernisme.

‘Het ecomodernisme is een gedachtegoed waar ik deels bij pas, maar waar ik me ook wel ongemakkelijk bij voel’, zegt Koert van Mensvoort. Hij onderschrijft de optimistische gedachte dat de toekomst van de aarde en van de mensheid er bijzonder rooskleurig uitziet en dat technologie ons in staat stelt grootse nieuwe dingen te doen. Maar hij is huiverig voor de opvattingen over genetische modificatie en geo-engineering, het ingrijpen in natuurlijke systemen om klimaatverandering tegen te gaan. Spiegels in de woestijn plaatsen om zonlicht terug te kaatsen, zwavel in de atmosfeer pompen om de temperatuur op aarde te laten dalen, de zee bemesten om de groei van plankton en de opname van koolstofdioxide te bevorderen – ‘Dat is spelen met vuur’, vindt hij. Het zijn ingrepen met grote gevolgen die we nog niet goed kunnen overzien en die zonder enige twijfel tot nieuwe problemen leiden.

‘Maar je weet nog niet welke problemen, hoe groot ze zijn en of we er oplossingen voor hebben’, zegt hij. ‘Tegelijkertijd is het exploreren van onze mogelijkheden, het spelen met vuur, wat we als mensheid doen.’ Het is de basis van onze vooruitgang. Zouden het wiel, de stoommachine, de dieselmotor en de iPhone ooit zijn uitgevonden zonder de grenzen van het toelaatbare op te zoeken?

Tijdens een eerdere TedTalk in Boedapest liet Van Mensvoort een afbeelding zien van een ijzeren plaatje aan de muur van een hotelkamer aan het begin van de vorige eeuw. Het opschrift luidde: ‘Deze kamer is voorzien van Edison Elektrische Verlichting. Probeer niet aan te steken met een lucifer. Draai simpelweg de sleutel aan de muur bij de deur. Het gebruik van Elektriciteit voor verlichting is op geen enkele manier schadelijk voor de gezondheid.’ Kortom, de angst dat technologische innovaties schadelijk zijn voor onze gezondheid is van alle tijden. Noem het een beschermingsmechanisme, zowel voor het welzijn van onszelf als individu als voor het voortbestaan van het grotere geheel waarvan we deel uitmaken.

‘Een beetje angst is ook goed’, vindt Van Mensvoort. ‘Maar je moet wel vooruit durven.’ Een gevoel dat hij duidelijk herkent bij de ecomodernisten. De gedachte dat we niet in een eindtijd maar een begintijd leven en dat er werk aan de winkel is om de toekomst vorm te geven. Zijn grootste bezwaar tegen het ecomodernisme is dan ook de term zelf: ‘In het modernisme gaat men ervan uit dat we alles kunnen weten, en dat zodra alles is bedacht we het ook kunnen beheersen en we uiteindelijk een perfecte wereld krijgen. De twintigste eeuw heeft ons geleerd dat dat niet gaat gebeuren. Maar we weten nog zo weinig en we begrijpen nog zo weinig. Ook over onze planeet, natuurlijke systemen, natuurverschijnselen. Laat staan dat we ze kunnen beheersen.’

Wat Van Mensvoort betreft zijn we het modernisme en ook het postmodernisme ruimschoots voorbij. Wat volgt is een tijdperk waarin we zoeken naar onze verantwoordelijkheid als mensheid.

We leven in een tijdperk waarin we van adolescentie overgaan in volwassenheid, zegt Frank Gorter, zittend op een bankje in de tuin van de Metaal Kathedraal. ‘Het is vergelijkbaar met het moment dat je voor het eerst vader wordt. Het gevoel van urgentie om het niet uit je vingers te laten glippen.’ Dat het ecomodernisme zich juist nu manifesteert is logisch, vindt hij: ‘We zijn beland op een punt waarop we een aantal keuzes moeten maken met betrekking tot de natuur. Hoe gaan we verder? Net als het moment in je leven waarop je voor het eerst nadenkt over wat je wilt terugzien als je doodgaat.’

Hoewel Gorter het ecomodernisme omarmt als spiegel voor zijn gedachten en toejuicht als alternatief voor de starre, dogmatische benadering van de milieubeweging zijn er punten waar hij zich niet in kan vinden. Gorter is voorstander van duurzame ontwikkeling, van zelfvoorzienendheid en kleinschaligheid. Anders dan het ecomodernisme suggereert, denkt hij dat ons welzijn in brede zin wel gekoppeld is aan de natuur. Hij denkt holistisch en ziet mens en natuur als één geheel. En kernenergie… ‘Daar denk ik veel over na. Ik weet het niet.’

Maar het gebruik van technologische innovaties en het ontkoppelen van economische groei en de impact op de natuur, ja, daar gelooft hij wel in. ‘Dat is inderdaad waar we in de toekomst naartoe moeten.’ Hij is even stil. ‘Het is vooral heel belangrijk dat dit gesprek op gang komt’, zegt hij dan, op serieuze toon. Dat er een nieuw geluid ontstaat in het gapende gat tussen de ideologische milieubeweging en de kapitalistische, materialistische praktijk van alledag. ‘Het is gebleken dat het verhaal van de milieubeweging te weinig mensen ertoe heeft kunnen bewegen op een andere manier te denken. Ik hoop dat het ecomodernisme wél in staat is echt iets te veranderen.’