Interview dominee A.A. Spijkerboer

«We leven in een donkere wereld»

De afschuw van oorlog en geweld loopt als een rode draad door het leven van dominee A.A. Spijkerboer. In zijn visie is de mens niet van nature kwaad, maar hij is wel geneigd God te vergeten en zijn naaste links te laten liggen. «Het is het Evangelie dat een plek van licht schept in deze donkere wereld, een plek waar we kunnen leven.»

In zijn theologische memoires beschrijft A.A. Spijkerboer (1928) hoe hij op de zondagsschool zat te rillen bij de verhalen over de lijdensweg en de dood van Jezus. De opluchting kwam toen de juffrouw vertelde van de opstanding, maar de Hemelvaart van Jezus vond hij weer minder. Jezus was dus «weg» en daarna hadden de mensen weer «gewoon» met God te maken. Maar God vertrouwde hij niet erg.

Spijkerboer: «Een jongen uit onze klas ging aan longontsteking dood. Ik ben op een dorp grootgebracht, in Souburg op Walcheren. Het hele dorp leefde mee. Er werd op de straat voor zijn huis zand gestrooid, zodat de boerenwagens niet zoveel lawaai zouden maken. Na drie dagen kwam de crisis. Hij haalde het niet. Op school en in de kerk kregen we te horen dat God onze vader was, die voor ons zorgde. Maar voor die jongen had God niet gezorgd. Hoe kon je God dan vertrouwen?

Mijn vader, die ook predikant was, ging voor bij de begrafenis. Ik verwachtte dat hij het verlossende woord zou spreken. Hij zou uitleggen waarom die jongen was overleden, wat daar de zin van was. Maar dat verlossende woord kwam niet! Dus ik dacht: hij weet het ook niet. Ik heb dat nooit tegen hem gezegd. Later werd me duidelijk dat ook hij met al dat soort vragen geen raad wist. En dat weet niemand, natuurlijk.

Toch denk ik dat het goed was dat bij ons thuis dit soort vragen niet werden weggezalfd. Al die verklaringen die wel worden gegeven, die opmerkingen dat God er vast een bedoeling mee heeft, vind ik allemaal doekjes voor het bloeden. Kijk, ik ben nu 73 en als ik over een paar jaar sterven moet, denk ik dat ik mijn tijd gehad heb. Maar het sterven van een kind is volstrekt onbegrijpelijk.»

Het wantrouwen tegen God kreeg bij Spijkerboer later een ander karakter. «Nou ja, dat was meer een vraagteken. Ik denk er eigenlijk nog zo over. En dan kom ik bij mijn bezwaar tegen de Heidelberger Catechismus, wat ik verder een heel mooi boek vind. Daar staat dat het allemaal uit Gods vaderhand komt, gezondheid en ziekte. We moeten in tegenspoed maar geduldig zijn, en in voorspoed dankbaar. Maar ik geloof niet dat het sterven van een kind uit Gods hand komt. Het oude doopformulier spreekt mij veel meer aan: God verzorgt je met het goede en hij weert het kwade af, of hij haalt iets goeds uit het kwade. Daar kan ik me wel in vinden. Natuurlijk niet voor de grote rampen van de wereld, maar wel als ik aan mijn eigen kleine leven denk. Je krijgt soms, als het slecht met je gaat, nieuwe mogelijkheden, nieuwe kansen. Bijvoorbeeld, je maakt een moeilijke periode mee, en iemand die je niet goed kent, of die je niet vertrouwde, komt plots bij je op bezoek en blijkt een heel goed en prettig mens. Als dat slechte niet was gebeurd, dan was dit goede ook niet gebeurd. Maar het slechte is niet noodzakelijk, ik zal nooit het kwaad verdedigen.

Het hangt natuurlijk allemaal samen met de vraag: wat is het kwaad? Waar komt het vandaan? Maar het is het Niets, dat zich meester maakt van Iets. Augustinus schreef: ‹het goede wordt weggehaald›. Dat is een goede omschrijving. De mens is niet kwaad, maar hij is wel geneigd God te vergeten en zijn naaste links te laten liggen. Waar komt dat vandaan? Dat weet ik ook niet, maar daar staat Christus dan tegenover. Het begrip erfzonde zal ik niet gauw gebruiken, want dat wekt het idee dat het kwaad door de geslachtsdaad overgedragen wordt. Augustinus dacht er zo over, maar de geslachtsdaad is niet zondig. Ik heb ook nogal moeite met een begrip als de zondeval. Moet je dat historisch nemen? Teilhard de Chardin zei dat met de komst van de mens er een explosie van het kwaad plaatsvindt. Daar vind ik wel iets in zitten. We leven nu eenmaal in een donkere wereld, maar het is het Evangelie dat een plek van licht schept, een plek waar we kunnen leven.»

Zijn boek Een rondje om de kerk schreef Spijkerboer op verzoek van zijn uitgever. «Van Cees den Heijer hebben ze ook zijn theologische autobiografie uitgegeven. Ze wilden nu zo’n boek van eentje die bij zijn geloof gebleven is. Het moest gaan over mijn leven in en met de Hervormde Kerk, maar dan zo dat het voor iedereen te begrijpen is.» Aan bod komen zijn jeugd op Walcheren, de oorlog, zijn studie theologie en zijn werk onder displaced persons in het verwoeste Duitsland, de periode dat hij als arbeider werkte, het predikantschap in het Franse Charlesville, en zijn gemeenten in West-Friesland, Amsterdam-Noord en de Bijlmer. Ook zijn activiteiten in de Vietnam-beweging en zijn relatie met Israël en het jodendom worden beschreven. De toon van het boek is nuchter en relativerend, en het lijkt of Spijkerboer zich voortdurend wil verontschuldigen voor het feit dat bij de lezer lastigvalt met de beschrijving van zijn leven.

Heel droog beschrijft hij ook een scène waarin hij als zestienjarige jongen tijdens de slag om de Scheldemonding op het dak naar een geallieerd artilleriebombardement ligt te kijken, en zenuwachtige Duitse soldaten denken dat hij aanwijzingen aan de kanonniers geeft. Dat moet toch een vrij ingrijpende ervaring zijn geweest. Spijkerboer: «Ja, dat was het zeker. Ik weet niet goed hoe ik in elkaar zit, maar op het moment zelf was ik heel laconiek. Angst komt bij mij later, weken en soms zelfs maanden daarna. In 1945 en 1946 was ik vaak heel angstig. Op het moment zelf niet. Er ontploften granaten, en ik dacht: hé, een granaat. Maar de weken en maanden daarna was ik vaak doodsbang.

Je weet natuurlijk niet hoe je geworden was zonder die oorlog; we leven niet in een laboratorium waarin je proeven kunt overdoen, maar de oorlog heeft mij behoorlijk beïnvloed. Ik heb mijn ogen en oren goed open gehad, en ik was enorm geschokt. Na de oorlog dacht ik: nu zullen de mensen toch nooit meer kunnen geloven dat de vooruitgang bestaat, want ik had gezien wat mensen elkaar konden aandoen. Toen in de jaren zestig iedereen het weer over vooruitgang had, was ik dan ook stomverbaasd. Die kinderen van de geboortegolf hadden de oorlog natuurlijk niet meegemaakt, die konden dat geloven. Je ontmoette mensen die zeiden: als het gezag in elkaar dondert, zijn we vrij, dan kunnen we echt gaan leven. Ik stond perplex, ik snapte er niets van.»

Aanvankelijk was Spijkerboer na de bevrijding gedesillusioneerd en apathisch. Hij schrijft dat hij in deze periode «zo plat als een dubbeltje» was. Spijkerboer: «Dat kwam door die ervaringen in de oorlog. Het hele leven, en vooral de politiek, interesseerden me absoluut niet meer. Het was de toenmalige minister-president Schermerhorn die in mij iets wakker riep. Hij hield op Walcheren een toespraak en toen droeg hij op mij een gevoel over van: er kan toch echt iets menselijks gedaan worden. We kunnen die maatschappij beter maken dan zij voor de oorlog was. Ik heb natuurlijk de grote werkloosheid van de jaren dertig meegemaakt, dat mocht beslist niet terugkomen. Ik ben toen lid geworden van de Partij van de Arbeid. Het besluit om theologie te gaan studeren had hier ook wel mee te maken. Ik wilde aanvankelijk geschiedenis gaan studeren, en dat is trouwens nog altijd mijn grote hobby, maar als predikant ben je dichter bij de mensen, en ook dichter bij de dingen waar het echt om gaat. Je kunt kinderen op school wel vertellen over de slag bij Waterloo, maar dat raakt toch niet de dingen waar het echt om gaat in het leven.»

De afschuw van oorlog en geweld loopt als een rode draad door het leven van Spijkerboer. Het verwondert dan ook niet dat hij in de jaren zestig een rol speelt bij het beginnende protest tegen de oorlog in Vietnam. Spijkerboer: «Voor mij was het heel simpel. In het noorden waren de communisten aan de macht, dat waren geen democraten. Maar het zuiden was ook niet democratisch. Waarom ga je dan een golf van geweld over die mensen uitstorten?»

Als progressieve dominee lijkt Spijkerboer dus aansluiting te vinden bij de veel bredere protestbeweging die in deze jaren sterk in opkomst is. Maar behalve het reeds genoemde vooruitgangsgeloof zijn er nog twee andere punten waarop hij verschilt van de meeste mensen die zichzelf in deze jaren als «links» beschouwen. Om te beginnen is hij zeer wantrouwend tegenover de bevrijdingsbewegingen die zich overal tegen (neo-)koloniale regimes keren. In zijn memoires schrijft deze nazaat van de zestiende-eeuwse Reformatie laconiek: «Ik heb niets tegen de Tachtigjarige Oorlog, maar het is niet iets om de vlag bij uit te hangen.» Als hij eind jaren vijftig predikant is in de Franse Ardennen wordt hij geconfronteerd met de Algerijnse bevrijdingsoorlog. Spijkerboer: «In de talloze metaalbedrijfjes in de Maasvallei werkten ongelooflijk veel Algerijnen. Het kwam voor dat iemand weigerde zijn cotisation te betalen, zijn bijdrage aan de FLN. De volgende dag lag zo’n man doodgeschoten op straat, en de daders werden nooit gevonden. Ik vond dat gruwelijk, om nog maar te zwijgen over al die aanslagen op onschuldige burgers.»

De toen veel gemaakte vergelijking tussen bevrijdingsoorlogen zoals in Algerije en het Nederlandse verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog gaat volgens Spijkerboer niet helemaal op: «Dat was toch anders. Er woonden hier toen nogal wat Duitsers met hun gezinnen, en hun kinderen gingen naar Duitse scholen. Als het verzet bijvoorbeeld bussen met Duitse kinderen opgeblazen had, dan hadden de verantwoordelijken na de oorlog van mij de bak in gemogen. Je moet natuurlijk niet denken dat in een oorlogssituatie zomaar alles kan. Maar dat is in Nederland niet gebeurd. Dat SD’ers werden doodgeschoten, dat was heel wat anders.»

Maar er was nog een zeer actueel onderwerp, waarop de weg van Spijkerboer zich scheidde van zijn medestanders in de Vietnam-beweging. En dat was de kwestie Israël. Door Spijkerboers standpunt ten aanzien van de Zesdaagse Oorlog van 1967 kwam het tot een breuk met Piet Nak. Spijkerboer: «Ik had groot respect voor Piet Nak, die tijdens de Februaristaking immers een geweldige rol heeft gespeeld. Daarom vond ik de breuk natuurlijk wel jammer, maar het was niet anders. Dat geschreeuw van die Nasser, in 1967, dat vond ik zo ijselijk. En die houding van al die Arabische staten, die Israël van de kaart wilden vegen, dat vond ik huiveringwekkend.»

Net als bij veel andere protestantse theologen neemt het jodendom een belangrijke plaats in het denken van Spijkerboer in. Spijkerboer: «Je kunt veel van de joden leren, bijvoorbeeld het besef dat je in een onverloste wereld leeft. Je komt immers al gauw in de verleiding om de bijbel zo op te vatten dat je rustig in het onrecht en de modder van de heidense wereld kunt leven.

De joden hebben veel sterker de neiging het woord van God bij zich te houden, te bewaren. Onder meer door al die strenge voorschriften zijn ze beter in staat om afstand van de wereld te houden. Ze weten ook beter dan veel christenen dat je de zaak niet kloppend kunt krijgen.

Er is een prachtig joods gezegde: als ik niet voor mezelf opkom, wie komt er dan voor mij op? Maar als ik alleen voor mezelf opkom, wat voor mens ben ik dan? Maar er zijn nogal wat theologen die de neiging hebben om een soort mix te maken van jodendom, christendom en islam — allemaal voor vrede en gerechtigheid. Dat vind ik pure onzin. De verschillen zijn veel te groot. Je kunt alleen de overeenkomsten benadrukken, als je Jezus wegmoffelt. Dat is toch de centrale figuur in het christendom. God en Jezus kun je niet van elkaar scheiden, het is één firma. En met die huidige dialoog met islam en jodendom dreigt Jezus uit het beeld te verdwijnen.»

A.A. Spijkerboer, Een rondje om de kerk: Schets van het hervormde leven. Uitg. Kok, 178 blz., ƒ35,-