Mark Elchardus over het kapitalisme van de begeerte

‘We leven níet in een geïndividualiseerde samenleving’

De Belgische socioloog Mark Elchardus schetst een nieuw politiek project. Het doel is mensen te wapenen tegen de uniformerende kracht van de commercialisering en ze meer grip te geven op hun eigen denken, doen en voelen. ‘De grote idee van de moderniteit is dat autonoom kiezen mogelijk, goed en wenselijk is, zonder dat er chaos ontstaat.’

Nergens anders dan in Noordwest-Europa is de modernisering zo diep in de genen van de maatschappij doorgedrongen. De mensen veroverden hun vrijheid door zich los te maken van gezagsstructuren die hen zonder respect voor het individu in het gareel hielden. De Belgische socioloog Mark Elchardus aarzelde dan ook niet lang over het onderwerp van het college waarmee hij onlangs afscheid nam van de Vrije Universiteit Brussel. ‘In onze geschiedenis is de modernisering een van de meest gewaagde en uitzonderlijke projecten’, zegt hij. ‘Vanaf het begin van mijn loopbaan heeft dat fenomeen mij gepassioneerd, met hoeveel vraagstukken ik mij verder ook bezighield. Weinig onderwerpen zijn zo controversieel als de theorie van de modernisering.’

Hij koos dat onderwerp ook omdat dat grote project van de modernisering in zijn ogen nog allesbehalve is veiliggesteld. Ze wordt bedreigd door krachten die ze zelf oproept, de commercie in het bijzonder. De erkenning van het individu en zijn vrijheid is de grote winst van de modernisering, redeneert Elchardus, maar die vrijheid wordt illusoir als de commercie meer en meer richtinggevend wordt voor de keuzes van dat individu. In zijn afscheidsrede tekende hij daarom de contouren van een ‘progressief beleid’ dat mensen meer grip geeft op hun eigen denken, doen en voelen en hen wapent tegen uniformerende krachten als de commercialisering.

Volgens Elchardus moeten sociaal-democraten daarvoor in de eerste plaats hun schroom afwerpen om een richtinggevend cultuur- en mediabeleid te voeren. In het vraaggesprek op de faculteit sociologie in Brussel werkt hij deze gedachte verder uit, om te beginnen met een schets van de geschiedenis van de modernisering: ‘De spannende vraag van de modernisering is of een samenleving zonder disciplinerende en bindende krachten kan. Door de eeuwen heen zijn religie en schaarste, oftewel de dreiging van armoede, honger en kou de twee belangrijkste middelen geweest om mensen te disciplineren en hun gedrag te sturen. Machthebbers hadden een belang bij de instandhouding van schaarste, om hun onderdanen met het angstbeeld van nog meer armoede en honger in het gareel te houden. Religie was zo mogelijk een nog effectiever middel om mensen te disciplineren. Zij konden de kwaadwilligen die hen met armoe en honger bedreigden altijd nog in een donkere hoek drijven en een mes in de rug steken. Dat is lastiger met een opperwezen of een god. Vloeken stilt de honger niet.’

U signaleert een relatie tussen beide methodes van disciplinering.

‘Ja. Er blijkt een vrij sterke correlatie tussen de opbouw van de verzorgingsstaat enerzijds en de mate van geloofsafval en ontkerkelijking anderzijds. Dat duidt erop dat als mensen enige mate van materiële zekerheid krijgen in het hier en nu ze minder behoefte hebben aan de soort zekerheid die kan worden ontleend aan het geloof in een god en een hiernamaals. In dat licht bezien is de modernisering een tamelijk gewaagd maatschappijproject om een leefbare orde te scheppen. In plaats van de schaarste kwam de verzorgingsstaat. De stevige orde van de religie maakte plaats voor de heerschappij van de zachte vezels van de hersenen, om een mooi beeld van Michel Foucault te lenen. Universeel is het niet, dit spannende project. Het is een specifiek Europese vorm van modernisering, een Noordwest-Europese, om nog specifieker te zijn. De voorhoede wordt gevormd door de Scandinavische landen en Nederland, de achterhoede door Polen, Ierland en bovenal de Verenigde Staten.’

Meent u werkelijk dat machthebbers armoede doelbewust in stand houden?

‘Kijkt u naar de VS. Waarom denkt u dat Amerikaanse libertariërs en sociaal-conservatieven expliciet zeggen dat ze niet willen dat Amerika wordt zoals Europa? Dat is omdat ze denken dat de welvaartsstaat de mensen lui en onverantwoordelijk maakt, de ontbinding van gezinnen in de hand werkt en hoge criminaliteit uitlokt. Naar hun overtuiging maakt de welvaartsstaat een chaos van de samenleving. Daarom menen ze dat ze Obama geen groter verwijt kunnen maken dan hem een Europeaan te noemen. Een Europeaan, dat is een socialist in hun ogen.’

De sociaal-conservatieven in de VS zijn voor hun politieke doel dus gebaat bij het bestaan van armoede en gebrek.

‘Als gij niet flink werkt, belandt gij in de armoede en we zullen geen stelsel voor u in het leven roepen om aan dat lot te ontsnappen. Anders wordt gij een onverantwoordelijk individu. In Europa vindt men dit vertoog wel bij sociaal conservatieven, hoewel het onderhevig lijkt aan fluctuaties. Het kwam hier sterk op in de jaren tachtig, in de tijd van Reagan en Thatcher. Toen werd de Amerikaanse literatuur over de verzorgingsstaat die mensen lui, asociaal en crimineel maakt hier gretig vertaald en nagevolgd. Dat begon zelfs gematigde politici een beetje te besmetten. Sommige liberalen, zoals de nationalisten hier in Vlaanderen, raakten overtuigd van de juistheid van dat Amerikaanse verhaal en begonnen dat na te praten. Dat raakte naderhand weer wat op de achtergrond, toen de economie aantrok, maar door de crisis duikt dat verhaal over de verzorgingsstaat die pervers zou zijn nu weer op.’

Ook in het verhaal van sociaal-democraten zit tegenwoordig die morele boodschap dat de verzorgingsstaat de mensen te veel de verantwoordelijkheid voor zichzelf uit handen neemt. Lees het regeerakkoord dat de PvdA met de VVD sloot. De WW-duur wordt ingekort om mensen ‘te prikkelen’ om eerder werk te zoeken.

‘Het gevaarlijke element is die notie van eigen verantwoordelijkheid. Ik denk dat we daar heel voorzichtig mee moeten zijn. Het is zonder meer waar dat onze samenleving niet kan bestaan zonder mensen op hun verantwoordelijkheden aan te spreken. Dat geldt ook voor de verzorgingsstaat. De collectieve zorg voor elkaar is alleen houdbaar als mensen zich ook verantwoordelijk voelen voor de zorg voor zichzelf. Maar nu dreigt het door te slaan. Mensen worden persoonlijk verantwoordelijk gesteld voor van alles en nog wat waarvoor ze niet persoonlijk verantwoordelijk zijn. Dan wordt de eigen verantwoordelijkheid een dogma waarmee men de verzorgingsstaat diep in het hart kan raken. Men dreigt het systeem op te breken en de solidariteit kapot te maken. Het is dus hoog tijd de grens te trekken waar dat beroep op eigen verantwoordelijkheid overgaat in de afbraak van de verzorgingsstaat.’

In uw afscheidscollege zegt u dat we een harteloze samenleving dreigen te worden. Dat komt volgens u doordat de idee dat we alles uit vrije wil doen een obsessie is geworden. Doet iemand iets fout, dan is dat zijn eigen schuld. Zou dat een thema moeten zijn in de nieuwe progressieve politiek die u wenst?

‘Zeker! Onze obsessie met de vrije wil dreigt potsierlijke proporties aan te nemen. We hebben een vrije wil, we kiezen dus geheel zelf en we moeten dan maar de gevolgen van die keuzes dragen. Mijn vakgroep heeft in 2001 in een bevolkingsonderzoek gevraagd in welke mate mensen verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor hun ziekte als ze roken. Een kwart van de ondervraagden was toen van oordeel dat de ziekteverzekering dan minder zou moeten vergoeden. Nu, iets meer dan tien jaar later, geeft 38 procent dat antwoord. Een spectaculaire, verontrustende stijging. Wie even nadenkt, weet dat het sociale verzekeringsstelsel naar de vaantjes gaat als mensen in de ziekteverzekering verantwoordelijk worden gesteld voor vermeende gevolgen van hun gedrag. Want waar ligt de grens? Willekeur ligt op de loer. De politiek kan zomaar beslissen wat wel en wat niet tot de persoonlijke verantwoordelijkheid moet worden gerekend.’

Het kan nog beangstigender worden, als de politiek van mensen gaat verlangen dat ze zich bewust worden van de kosten die ze maken als ze oud en versleten zijn.

‘Dan krijgen we akelige scènes aan het ziekbed. Dan worden mensen persoonlijk verantwoordelijk voor de kosten die het vergt om hen in leven te houden. Aan het overvragen in gezondheidszorg mag wel wat worden gedaan, maar het is het andere uiterste om mensen zelf verantwoordelijk te maken voor de afweging of ze nog even op aarde mogen blijven of niet. Zo wordt de solidariteit in de gezondheidszorg in morele zin om zeep gebracht.’

Sociaal-conservatieve denkers zien de individualisering doorgaans als een proces waarin normloosheid ontstaat. U werpt daartegenin dat de modernisering de oude normerende instituties armoede en kerk heeft vervangen door nieuwe. Individualisering betekent niet dat we ons niets meer van elkaar aantrekken.

‘Ja, met dien verstande dat ik in die context bewust niet de term individualisering maar individualisme gebruik. Om zaken scherp te stellen maak ik een onderscheid tussen beide. Individualisme is een isme, oftewel een levensovertuiging, waarin het individu en zijn recht op zelfbeschikking centraal staan. Daarnaast is het een politiek gedachtegoed, een ideologie, die zich vertaalt in wetgeving. Een goede indicator voor de groeiende invloed van het individualisme is de afschaffing van de doodstraf. Dat is een evident gevolg van de sacralisering van het individu. De gemeenschap heeft zich het recht ontzegd het leven van een individu te nemen, ongeacht de verschrikkelijke daden die dat individu op zijn geweten kan hebben. Andere indicatoren zijn het recht op euthanasie en abortus, het homohuwelijk en de mogelijkheid van homo’s om kinderen te adopteren. Individualisme is, met andere woorden, de grondslag van ons hedendaagse idee van waardigheid, een van de verworvenheden van de moderniteit.

De conservatieven zeggen nu dat het ieder voor zich wordt als het individualisme heerst. De samenleving zal normloos worden. Dat is hetzelfde verhaal als zij ophangen over de verzorgingsstaat en de ontkerkelijking. Dat leidt allemaal maar tot chaos. Daar werp ik tegenin dat de landen waarin het individualisme dominant is de beter geordende landen zijn. Dat blijkt uit de cijfers. Ze hoeven minder mensen in de gevangenis te zetten om de orde te bewaren, meer mensen zeggen daar gelukkig te zijn, ze zijn gezonder dan elders en leven langer. De empirie spreekt de argumenten van de sociaal-conservatieven dus tegen.’

Dat is de vergissing van rechts. Individua­lisme maakt geen losgeslagen bende van de samenleving. De vergissing van links is dat het een vals beeld schetst van individuen die allemaal in volle vrijheid en onafhankelijkheid hun keuzes maken. In werkelijkheid, zegt u, vertonen we in verregaande mate geconditioneerd gedrag.

‘We zijn nog steeds kuddedieren. In deze samenleving wordt enorm veel geïnvesteerd in de beïnvloeding van de keuzes die individuen maken. De disciplinering voltrekt zich niet meer door te dreigen met de straf van God of met armoede, mensen worden nu in het gareel gezet door al die instellingen die hun dagelijks voorhouden hoe zij de wereld moeten zien en welke smaak ze moeten hebben. Dat is in de eerste plaats het onderwijs, waar we veel meer mensen veel langer naartoe sturen dan vroeger. Ten tweede zijn er de oude en de nieuwe massa­media. En ten derde is er het kapitalisme van de begeerte. Zo noem ik het maar, dat hele goederen- en dienstencomplex dat geen ander doel heeft dan bij individuen de begeerte op te wekken zich van anderen te onderscheiden. Zo speelt de commercie in op het individualisme.

Het kapitalisme van de begeerte creëert een band tussen individuen en bepaalde producten, door te speculeren op hun angst dat ze een sukkel zijn als ze dat product niet hebben. Als iemand een iPad heeft is dat zijn iPad, maar het is wel een massaproduct. We leven dus niet in een geïndividualiseerde samenleving. Het is echt een vergissing dat te denken. Ik heb zelfs het idee dat onze samenleving een grotere mate van gestandaardiseerd gedrag kent dan vroegere.’

We doen allemaal hetzelfde met het doel ons te onderscheiden?

‘De subtiliteit van het hedendaagse controle­mechanisme is dat externe machten meer dan ooit onze keuzes trachten te sturen en wij ondertussen zelf denken onszelf te verwezenlijken. Er groeit een nieuwe voorspelbaarheid van het gedrag van mensen. We kunnen daarbij niet zozeer, zoals voorheen, steunen op statistieken over leeftijd, geslacht, religie, opleidingsniveau en beroep, maar te meer op de sporen die ieder van ons nu achterlaat door het gebruik van creditcards, gps, sms, Twitter, internet. Daardoor is het leven van een individu soms tot in detail te reconstrueren. Wie meester is over de analyse van die gegevens kan beter dan ooit voorspellen wat iemand gaat doen. Commerciële onder­nemingen specialiseren zich daar nu in.’

De normerende instituties van de moderne samenleving zitten dus nogal in de commerciële sfeer.

‘Ik vrees zelfs dat dit de dominante normerende instituties zijn. Het is spijtig dat de sociologen daarvan nog weinig weten. Van het onderwijs, de massamedia en het kapitalisme van de begeerte speelt de laatste waarschijnlijk de belangrijkste rol in de beïnvloeding van gedrag en laat het zich tegelijkertijd het moeilijkst onthullen en bestuderen.’

Hoe werkt dat kapitalisme van de begeerte?

‘Het is een proces. Dankzij verfijnde beïnvloedingstechnieken nestelen producten zich in de psyche van de consument, waardoor hij er plots behoefte aan krijgt. Het gaat eigenlijk om een complex psychologisch proces. Mensen krijgen die behoefte omdat ze denken er niet meer bij te horen als ze iets niet hebben. Ze denken niet meer gelukkig te kunnen zijn zonder dat product.’

Als ik moet kiezen tussen religie als normerende institutie of Apple, de commerciële markt of media als GeenStijl, dan kies ik liever de religie met de boodschap over waardigheid, naastenliefde en rekening houden met een ander.

‘Ik heb me dikwijls afgevraagd of de ont­wikkeling die ik schets positief of negatief is. Tegelijkertijd realiseer ik me dat die vraag niet zo veel zin heeft. Althans, de ontkerkelijking is onomkeerbaar. Er zijn weinig tot geen wegen terug. Nutteloos is uw vraag daarmee niet. De commercialisering van de cultuur is natuurlijk geen autonoom, niet te stuiten proces. De overheid hoeft daar niet machteloos tegenover te staan.’

Daarin schuilt het probleem. U constateert dat er eigenlijk geen sprake is van een cultuur- en mediabeleid.

‘Echt beleid, dat zien we niet op het gebied van cultuur. Er is sprake van een cultuurbudgetbeleid, niet van een cultuurbeleid. In het politieke debat is veel ruzie over wie wat krijgt, maar over de inhoudelijke aspecten wordt besmuikt gezwegen, uit angst dat er dan veel protest komt tegen onterechte beïnvloeding door de overheid. Dat is toch merkwaardig. Aan de ene kant vinden we het kennelijk niet erg dat het kapitalisme van de begeerte meer dan ooit de mensen in zijn greep heeft. Aan de andere kant roepen we direct dat de vrijheid in het geding is, zodra iemand oppert dat de overheid daar wellicht cultuurbeleid tegenover moet stellen. Het lijkt erop dat we onszelf moedwillig blind maken voor de invloed van de commerciële cultuur en media, met de redenering dat we toch allemaal een vrije wil hebben en de gevolgen daarvan zelf maar moeten dragen.’

Hoe zou een cultuurbeleid eruitzien dat zich onttrekt aan dat verwijt dat het zich met van alles bemoeit?

‘De precieze contouren moeten nog vorm krijgen. Aan de hand van een vergelijking met de negentiende eeuw kan wel worden verduidelijkt waar het om gaat. Wie om mensen gaf en destijds getuige was van de gevolgen van het prille fabriekssysteem kon niet onverschillig blijven. De keuze was toen die tussen de machines vernielen of een andere oplossing zoeken. Gelukkig is die laatste weg bewandeld. Beetje bij beetje is gedurende een eeuw een sociaal beleid geconstrueerd dat van de industriële omwenteling uiteindelijk een bron van welvaart én van welzijn heeft gemaakt. We staan voor een gelijkaardige uitdaging met de gevolgen van het kapitalisme van de begeerte en de revolutie in ict, media, communicatie. Dat proces is nog volop bezig, dus welke vorm de tegenkrachten moeten krijgen weten we nog niet, maar vanuit een emancipatorisch perspectief, een perspectief dat trouw blijft aan de nadruk op vrijheid, is het doel wel duidelijk. Het gaat erom de mensen meer greep te geven op de factoren die hun leven bepalen en sturen, op de massacommunicatie die hen beïnvloedt, op de bedrijven die hen via het planten van cookies in computers en telefoons meer en meer controleren.’

Met name de sociaal- en christen-democraten hebben met hun traditie een eer hoog te houden.

‘Inderdaad, de socialisten hadden een socialistisch en de christen-democraten een christen-democratisch cultuurbeleid. De overeenkomst was het emancipatoire karakter. De sociaal-demo­craten hebben theaters gebouwd, biblio­theken, volkshuizen, met de idee betere burgers van de arbeiders te maken. Heel burgerlijk, ook heel nuttig. De grondtrekken van het cultuur­beleid van de christen-democraten waren dezelfde, zeker in Vlaanderen, waar de christelijke arbeidersbeweging waarschijnlijk een grotere invloed heeft gehad dan de socialistische. Het probleem met beide is dat ook zij gevoelig lijken voor de illusie dat mensen tegenwoordig in alles een vrije, individuele keuze maken.’

Zo tekenen zich de contouren af van het nieuwe progressieve beleid dat u voorstaat.

‘In de eerste plaats moet links zich niet laten meeslepen in die fixatie op eigen verantwoordelijkheid en daartegen een kritischer houding aannemen. In de tweede plaats vergt een progressief, emancipatoir project dat mensen meer vat krijgen op dat wat hun denken, hun gedrag, hun voelen vormt. Dat is de taak die de sociaal-democraten zich vroeger stelden en die nog altijd hyperactueel is. De grote idee van de moderniteit is dat autonoom kiezen mogelijk, goed en wenselijk is, zonder dat er chaos ontstaat. Het is mede aan de sociaal-democraten die idee te bewaken.Alleen zeggen dat we niet harteloos mogen worden, dat helpt niet echt. Daarin ben ik een sociaal-democraat.

Het gaat om macht. Mensen moeten controle kunnen uitoefenen over de krachten die hen beïnvloeden. Dus niet alleen zeggen dat we vriendelijk moeten zijn tegen elkaar. Een christen-democraat stopt waarschijnlijk daar, met een moreel beroep op mensen om fatsoenlijk tegenover elkaar te zijn, een sociaal-democraat gaat verder.’