DE NAZI-JAREN VAN GÖTZ ALY

‘We moesten ’t gif laten uitwoekeren’

Groot is de verontwaardiging in Duitsland over Götz Aly. De ex-maoïst en spraakmakende historicus heeft het gewaagd de protestgeneratie met de nazigeneratie te vergelijken. ‘We waren de speelbal van onze eigen nationale geschiedenis.’

‘Ik houd me al bijna dertig jaar met de geschiedenis van het nationaal-socialisme bezig. Mij is al vroeg opgevallen dat er overeenkomsten met onze protestbeweging van 1968 waren. Ook die beweging was antiburgerlijk, had totalitaire en autoritaire trekken, was geobsedeerd door geweld en behept met het vriend-vijanddenken. En juist omdat ik dat allemaal zelf heb meegemaakt, kan ik me zo goed in de nationaal-socialisten verplaatsen.’

In zijn boek Unser Kampf geeft Götz Aly krasse voorbeelden van de overeenkomsten tussen nazi-ideoloog Joseph Goebbels en studentenleider Rudi Dutschke: ‘Net als Dutschke riep Goebbels in 1929 de academische gemeenschap op tot revolutionair bewustzijn, tot agitatie en actie.’ Met talloze voorbeelden laat Aly zien hoezeer de strategieën van Dutschkes studentenbond een kopie waren van die van de nationaal-socialistische studentenbeweging.

Unser Kampf is Aly’s terugblik op 1968. Een ‘geïrriteerde terugblik’, zoals het in de ondertitel heet. Alle verdiensten waar zijn generatie op pocht, zijn volgens hem eerder ondanks dan dankzij haar tot stand gekomen. Democratisering, liberalisering, emancipatie en vooral: de verwerking van het naziverleden – het zijn allemaal processen die volgens Aly door de beweging van 1968 eerder zijn vertraagd dan versneld.

‘Het was een beweging die bang was voor de moderniteit. Onze utopie was een systeem van raden in wijken en fabrieken, een premoderne, kleinschalige samenleving. Die utopie vertoonde overeenkomsten met het idee van de standenmaatschappij dat de nationaal-socialisten voor ogen stond. Allemaal pogingen om de onoverzichtelijkheid van de moderne wereld te bestrijden.’

Toen op 11 april de aanslag op Rudi Dutschke van veertig jaar geleden werd herdacht, protesteerde Grünen-voorzitter Claudia Roth heftig tegen Aly’s vergelijkingen. De honderden deelnemers aan de ‘fietslegging’ (omdat Dutschke van zijn fiets was geschoten, legden de aanwezigen rijwielen in plaats van kransen neer op de plek van de aanslag) applaudisseerden krachtig en schudden verontwaardigd hun grijze hoofden.

Aly’s provocerende boek heeft een golf van kritiek uitgelokt. In talrijke recensies, in woedende essays, in talkshows op televisie, in discussies in het hele land heeft de auteur de wind van voren gekregen. De historicus, wiens boeken over het nationaal-socialisme alom zijn geprezen, kreeg te horen dat hij een ‘renegaat’ is, die ‘provoceert om te provoceren’ en ‘uit is op media-aandacht’.

Aly blijft er stoïsch onder. Op zijn werkkamer in Berlijn legt hij nog eens rustig uit wat hij met zijn stelling bedoelt. ‘Het is maar al te begrijpelijk dat wij voor de verleiding van het totalitarisme vielen’, begint de voormalige maoïst met zachte maar gedecideerde stem. ‘We hadden nog veel van het oude gif uit de Duitse geschiedenis in ons. Dat gif moesten we uitzweten. En zweten, dat stinkt natuurlijk.’

Het komt door de opeenvolging van generaties, zegt Aly: ‘Onze ouders en onze leraren begonnen rond 1933, toen de nationaal-socialisten de macht grepen, net aan hun loopbaan. In 1945 stonden ze ineens met lege handen. Ze hadden voor de verkeerde zaak gestreden, hun waarden waren in het niets opgelost. Ze hadden geen idee hoe ze ons moesten opvoeden.’

Die hulpeloosheid stamt al van een generatie eerder, zegt Aly. ‘Neem de vader van mijn vader. In de Eerste Wereldoorlog had hij vier jaar lang op de Fransen geschoten. Hij kwam als een geslagen, gebroken, onaangename man terug uit de oorlog. Hij kon geen goed voorbeeld meer zijn. Net zo min als mijn vader. Twee generaties die in geweld volwassen waren geworden. Logisch dat we daar iets van hebben meegekregen.’

Over dat geweld werd thuis gezwegen. Aly hoorde alleen iets over het bombardement op Dresden – dat was tegen het volkerenrecht, zeiden zijn ouders. Of over de twee ooms die in de oorlog waren omgekomen – slachtoffers van oorlogsmisdaden, aldus zijn ouders. Over Auschwitz hoorde hij pas op de padvinderij en op school. In de kranten las hij over de processen die in de jaren zestig tegen nazimisdadigers werden gevoerd.

‘Tegen onze ouders zeiden we: jullie moeten het geweten hebben. Maar een antwoord bleef uit. Het waren staatsinstellingen die het zwijgen doorbraken. De scholen, de rechtbanken. Onze ouders konden dat niet aan, die leden eronder. De staat heeft, gemeten aan de omvang van de misdaden, misschien te weinig gedaan, maar gemeten aan wat de samenleving kon verdragen, eerder te veel.’

De protestgeneratie claimt daarentegen dat juist zij het zwijgen over de holocaust heeft doorbroken. Aly vindt dat onzin. Het lag eerder omgekeerd: ‘De protestgeneratie is de oorlog juist uit de weg gegaan. En dat is ook begrijpelijk. Je bent achttien, je kijkt in die verschrikkelijke afgrond die Auschwitz heet. Dan is het toch logisch dat je daar als jongmens voor terugdeinst?’

Aly wijst erop dat je in de teksten van de studentenbeweging niets aantreft over de nazi-processen die in 1967-68 werden gevoerd: ‘Dat komt doordat de mensen die er terechtstonden gewone mensen waren, die vóór noch na de nazitijd misdadigers waren. Ze leken op je buurman, je groenteman, je leraar. Dat is heel verwarrend. Dan is het begrijpelijk dat je erover zwijgt en je toevlucht zoekt in abstracte theorieën over het fascisme.’

Die theorieën stelden het nationaal-socialisme voor als een vorm van fascisme die niet typisch Duits was. Bovendien legden ze de schuld bij een klein aantal personen, bij de vertegenwoordigers van het imperialisme en het monopoliekapitaal. Vervolgens beweerden die theorieën dat het fascisme nog altijd actueel was. Kijk maar naar de imperialistische politiek van Amerika tegenover Vietnam. En naar de Israëliërs die het Palestijnse volk onderdrukken.

‘Op die manier ontnamen we de schuld aan onze ouders’, zegt Aly. ‘De volkerenmoordenaars waren ineens geen Duitsers meer maar Amerikanen die bommen wierpen op het arme Vietnam. Op die manier werd de schuld verplaatst naar ergens ver weg. Dat zie je ook in de leus “USA-SA-SS” die we toen allemaal riepen.’

‘Het is allemaal begrijpelijk’, voegt hij er nogmaals op vaderlijke toon aan toe. ‘Ik probeer dat in mijn boek historisch een plaats te geven. We waren geen helden, we waren niet het subject van de geschiedenis dat we zo graag wilden zijn. Nee, we werden zelf door de geschiedenis voortgedreven. We zaten in een situatie die we niet zelf hadden gekozen en waar we geen schuld aan droegen. En we hebben op die situatie niet rationeel gereageerd.’

Irrationeel was bijvoorbeeld de omgang met het jodendom. ‘Dan heb ik het niet alleen over de – mislukte – bomaanslag op het huis van de Joodse Gemeente hier in Berlijn, uitgerekend op 9 november, de dag van de pogroms in 1936. Dan heb ik het óók over de Republikeinse Club, waar precies op diezelfde dag de links-radicale crème – Otto Schily, Hans Magnus Enzensberger – een bijeenkomst belegde over de “Israëlische volkerenmoord” op de Palestijnen.’

De generatie van 1968 heeft een compleet verkeerd beeld van zichzelf, meent Aly. Hij ergert zich enorm aan de zelfgenoegzame borstklopperij waar de 68’ers zich nu, veertig jaar na dato, aan overgeven. Om te beginnen Joschka Fischer, destijds een rebel die het geweld niet schuwde, later minister van Buitenlandse Zaken in de regering-Schröder. Fischer noemt 1968 het jaar ‘waarin de Bondsrepubliek ten tweeden male werd gegrondvest’.

‘Pure inbeelding’, vindt Aly. ‘Mensen als Fischer denken dat ze tot het betere deel van de mensheid behoren, dat ze aan de goede kant van de geschiedenis staan. Dat zul je Angela Merkel niet over zichzelf horen zeggen. Die is veel pragmatischer. Je moet er toch niet aan denken dat zulke zelfgenoegzame lieden als Schröder en Fischer hadden moeten onderhandelen met George W. Bush, met de Poolse tweeling, met Sarkozy. Dat doet Merkel veel beter.’

Maar 1968 heeft toch openheid, vrijheid, tolerantie en emancipatie gebracht? ‘Openheid? Ja, wij stonden open voor Mao!’ schampert Aly. ‘Vrijheid? De wet die verbood dat hotels tweepersoonskamers aan ongehuwden verhuurden, werd door minister Heinemann afgeschaft. Tolerantie? Het was opnieuw Heinemann die homoseksualiteit uit het strafrecht haalde. Emancipatie? Oswald Kolle, die uitlegde dat de vrouw in de slaapkamer ook zo haar wensen had, was geen 68’er.’

Voor al die liberaliseringen was 1968 niet nodig. In Zürich en Stockholm hebben ze geen 1968 gekend en toch verschilt de samenleving daar niet noemenswaard van de onze, redeneert Aly. ‘Zelfs de mensen in de ddr, waar toch waarlijk geen revolte heeft plaatsgevonden, waren vaak geëmancipeerder dan de mensen in de Bondsrepubliek. Nee, de hervormingen kwamen niet van links, die kwamen uit het midden van de samenleving. Het was dat midden dat in 1969 de hervormer Willy Brandt aan de macht hielp, een man die door rechts voor “emigrant”, “landverrader” en “buitenechtelijk kind” werd uitgescholden.’

In Unser Kampf beschrijft Aly ook hoe welwillend er in dat midden van de samenleving op de protestgeneratie is gereageerd. ‘In al die boeken over 1968 is geen enkele aandacht voor wat onze zogenaamde vijanden dachten. Bondskanselier Kiesinger, die door ons voor een oude nazi werd versleten, consulteerde uitgesproken liberale adviseurs over de revolte. Hij wilde echt begrijpen wat er in ons omging.’

Maar heeft de generatie van 1968 dan niet bijgedragen aan het mondig worden van de burger, aan de ontwikkeling van een kritische civil society? ‘Dat is niet meer dan een bijproduct. Zulke burgerinitiatieven als de milieubeweging kwamen niet voor niets pas veel later tot ontwikkeling, eigenlijk pas eind jaren zeventig. Toen begon het verval van het Oostblok zich al af te tekenen, het tijdperk-Mao Zedong was voorbij, de guerrilladromen waren vervlogen.’ Het was volgens Aly de tijd dat de beweging normaliseerde, dat de protestgeneratie in de samenleving terugkeerde, zich aan de hoofdstroom aanpaste: ‘Men richtte een krant op, die tageszeitung, men stichtte een partij, de Grünen, men begon aan het bestuur van het land deel te nemen.’

Is de revolte van 1968 dan allemaal verloren tijd geweest, verspilde energie? ‘Ach’, zegt Aly berustend, ‘we hadden het ons misschien wat makkelijker kunnen maken. Maar ik vrees toch dat die omweg hier in Duitsland onvermijdelijk was. We moesten door die crisis heen. We waren de speelbal van onze eigen nationale geschiedenis. Er was geen andere weg. We moesten het gif laten uitwoekeren.’

Götz Aly, Unser Kampf: 1968 – Ein irritierter Blick zurück. S. Fischer Verlag