Ach Europa! #8: Boaventura de Sousa Santos

‘We moeten de kapitalistische overheersing ter discussie stellen’

Volgens de Portugese socioloog Boaventura de Sousa Santos zou heel Europa beter af zijn met meer sociaaldemocratie en minder Noord-Europese arrogantie. ‘Portugal laat zien dat het neoliberalisme een leugen is.’

Boaventura de Sousa Santos – ‘Een leger lobbyisten krijgt het voor elkaar dat alle Brusselse besluiten gericht zijn tegen de bescherming van werknemers en socia­le zekerheid’ © Scarlett Rocha

Europa is een mengsel van mythe en werkelijkheid. Een van oudsher verdeeld continent dat steeds kleiner wordt in een wereld die steeds groter wordt. Pas iets meer dan een halve eeuw geleden vond Europa zijn bestemming in een model van sociale bescherming. En dat model, eigenlijk het enige identiteitskenmerk dat Europa wezenlijk onderscheidt van de rest van de wereld, is in rap tempo bezig te verdwijnen. Wat staat Europa te wachten? Eén ding lijkt zeker. Het verzet tegen de neoliberale afbraak van Europa komt uit het zuiden.

Ik spreek Boaventura de Sousa Santos in zijn werkkamer op de campus van de universiteit van Coimbra. De Portugese socioloog is een van de invloedrijkste hedendaagse denkers over globalisering en democratie. Hij wordt veel gevraagd voor lezingen over de hele wereld en overal trekt hij volle zalen. De helft van het jaar woont hij in Madison in de VS, waar hij doceert aan de universiteit van Wisconsin.

Eigenlijk heeft Europa nooit bestaan, zegt De Sousa. Eeuwenlang is het een samenraapsel geweest van landen zonder een gemeenschappelijk bewustzijn. Vanaf de vijftiende en zestiende eeuw begint daar verandering in te komen door de koloniale expansie van twee landen aan de rand van het continent, Portugal en Spanje. Vanaf dat moment ontstaat er zoiets als een continentale logica, gevoed door het opkomende handelskapitalisme. Een behoorlijk conflictueuze logica, dat wel, want de mate van economische ontwikkeling varieert sterk. Terwijl de nijverheid in het noorden – de Lage Landen, Engeland, Schotland – flink profiteert van de goud- en zilverstroom uit de Nieuwe Wereld, blijft de modernisering in Portugal en Spanje uit. Die kloof is tot op de dag van vandaag niet gedicht.

De twintigste eeuw trekt een nieuwe scheidslijn door het continent, nu tussen oost en west. De scheiding tussen het kapitalistische en het communistische Europa sluit een min of meer gemeenschappelijk zelfbeeld praktisch uit.

Twee gruwelijke oorlogen, vooral de Tweede, voeden volgens De Sousa het idee dat dit continent waarden herbergt die in ere hersteld moeten worden. Na 1945 legt dat de grondslag voor een nieuwe eenheid. Deze krijgt eerst gestalte in het kapitalistische Europa; na de val van het sovjetimperium breidt de unie zich uit met de oostelijke landen.

Zo ontstaat een sterk economisch blok dat zich beroept op zijn democratische en christelijke essentie. Boaventura de Sousa Santos heeft er bedenkingen bij. ‘De moslims waren zeven eeuwen hier. Vanaf de twaalfde eeuw stond Europa cultureel onder sterke invloed van de islam. Onze erfenis van de Griekse filosofie als een Europese verworvenheid is een mythe die halverwege de negentiende eeuw gecreëerd wordt. In werkelijkheid hebben we die erfenis te danken aan de Arabieren en de islam. Via Egypte, Perzië en Bagdad kwamen de teksten van de klassieken terecht in Toledo. Daar werden ze vertaald.’

Een andere mythe is de gedachte dat Europa bij uitstek het continent is van de democratie. ‘Dit idee ontstaat na een enorme democratische instabiliteit in een groot deel van Europa. En de zuidelijke landen, vooral Portugal, Spanje en Griekenland, hebben tot vrij recent lange periodes van dictatuur meegemaakt – Portugal 48 jaar. Na 1945 leidt het trauma van de oorlog tot de oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, ook al om eens en voor altijd een einde te maken aan de rivaliteit tussen Frankrijk en Duitsland. We moeten ons er dus van bewust zijn dat we in het gewelddadigste continent ter wereld leven. In de twintigste eeuw hebben we 78 miljoen mensen gedood. De Dertigjarige Oorlog (1618-1648) kostte in die tijd al een miljoen mensenlevens. We hebben meer dan genoeg gedood. Je kunt pas sinds kort zeggen dat we een continent van de vrede zijn. Europa is een mengsel van mythe en realiteit.’

Ondanks alle tekortkomingen is er geen plek op aarde waar de mensenrechten en de liberale democratie beter functioneren dan Europa, erkent De Sousa. Tenminste, als we onze blik beperken tot de laatste zeventig jaar. En het is ook onmiskenbaar dat de liberale democratische theorie grotendeels in Europa is geboren, onder meer in Engeland, Frankrijk en Duitsland. Dat heeft een eenvoudige reden. ‘De democratie van Aristoteles was altijd verworpen als een demagogisch regime. Het idee zou nooit in de praktijk gebracht kunnen worden omdat de meeste mensen onwetend waren en niet in staat zouden zijn om te regeren. Pas in de negentiende eeuw, na de Franse Revolutie, wordt het idee serieus genomen dat de democratie verenigbaar kan zijn met de moderne samenleving. Het kapitalisme is in Europa het meest ontwikkeld: dat maakt het mogelijk dat het democratische gedachtegoed verspreid wordt.’

‘De financiële sector is een gevaar voor Europa, goed in één ding: rijkdom overhelen naar de rijken’

Tegelijk is Europa ook de plek waar een alternatief voor het kapitalisme bedacht wordt. Of eigenlijk twee alternatieven, na de breuk in de arbeidersbeweging tussen revolutionairen en reformisten. De eersten willen een radicale breuk met het kapitalisme forceren. De reformisten keren zich tegen de revolutie en streven naar een democratisch socialisme, later ook sociaaldemocratie genoemd. Het is een poging om kapitalisme en democratie met elkaar te verenigen. ‘Eigenlijk is het idee heel simpel’, zegt De Sousa. ‘De groei van de economische productiviteit moet op een gelijkwaardige manier ten goede komen aan het kapitaal en aan de arbeiders. Deze verdeling van de groeiende productiviteit en concurrentiekracht biedt ruimte voor sociale zekerheid. Je zou het een virtuoze combinatie tussen kapitalisme en sociale rechten kunnen noemen. En dit is tot nu toe het wezenlijke kenmerk geweest van het hedendaagse Europa.’

Hoe was dit mogelijk? Waarom toonde het kapitalisme zich genereuzer en menselijker in Europa dan elders in de wereld? Het antwoord is de Koude Oorlog, zegt De Sousa. ‘Het Marshallplan is geen vredesplan. Het is een Koude-Oorlogsplan, net zoals later in Zuid-Korea. De Verenigde Staten willen ermee bereiken dat het kapitalistische Europa, en West-Duitsland voorop, kan laten zien dat het kapitalisme politiek en ethisch superieur is aan het communisme. Het verschaft namelijk welvaart aan de arbeiders, en dat in vrijheid en democratie. Daarom accepteert het kapitalisme een aantal concessies die nu absoluut ondenkbaar zouden zijn: nationalisatie van de industrie en strategische grondstoffen, van water en elektriciteit, de mijnbouw. En ook een harde progressieve belastingpolitiek, waarbij de rijksten tot zo’n zeventig procent belasting betalen.’

Dit project van de Koude Oorlog werkte goed zolang de Berlijnse Muur overeind stond. Maar toen de muur viel, stortte niet alleen het sovjetsocialisme in. Ook de sociaaldemocratie kwam ten val. Die was overbodig geworden, want het kapitalisme had geen rivalen meer. Vanaf 1980 duikt een nieuw begrip op: het neoliberalisme, een variant van het kapitalisme die het idee van een permanente crisis nodig heeft om te overleven. ‘Als een crisis sporadisch voorkomt – in de politiek of in ons dagelijkse leven – kan deze productief zijn. Het dwingt tot bezinning en de noodzaak om dingen te verbeteren. Maar als de crisis permanent is, behoeft zij geen uitleg. Zij is de uitleg. Worden de salarissen verlaagd? Dat komt door de crisis. Privatisering van de gezondheidszorg en het onderwijs? Door de crisis. De crisis verklaart alles. Het neoliberalisme heeft het nodig dat de mensen geloven dat er geen enkel alternatief is. Dat begint met Thatcher en Reagan.’

Het is niet langer het productieve kapitaal dat het grote geld oplevert, maar het financiële kapitaal. De financiële sector, een van de drijvende krachten achter het neoliberalisme, heeft het voor het zeggen. ‘Dat betekent een gevaar voor Europa’, zegt De Sousa. Het sociaaldemocratische model, het wezenskenmerk van Europa, is immers ondenkbaar in een neoliberaal systeem. Bedrijfswinsten gaan daarin voor een steeds groter deel naar de aandeelhouders, ten koste van de werknemers en investeringen. ‘Het neoliberalisme is niet goed om banen te scheppen en de economie te doen groeien’, zegt De Sousa. ‘Maar het is heel erg goed in één ding: rijkdom van de armen naar de rijken overhevelen.’

Na de val van de Berlijnse Muur verovert het neoliberalisme onmiddellijk en bijna zonder enige weerstand de landen van het voormalige sovjetblok. Het gevolg is massale privatisering van openbare voorzieningen. In West-Europa ligt de zaak minder eenvoudig. Daar heb je namelijk vakbonden, socialistische en communistische partijen en burgerbewegingen die de aanslag op de sociaaldemocratie niet zonder slag of stoot zullen accepteren. De strategie is hier dan ook subtieler, legt De Sousa uit. Het neoliberalisme wordt niet op het niveau van de afzonderlijke staten geïntroduceerd, maar via de Europese Commissie en de andere Europese instellingen. ‘Een leger lobbyisten in Brussel krijgt het voor elkaar dat allerlei Europese richtlijnen aangenomen worden die uitmonden in een totale neoliberalisering van het Europese beleid. Vanaf dat moment zijn alle besluiten uit Brussel gericht tegen de bescherming van werknemers, de sociale zekerheid of de interventie van de staat.’

Het idee van Europese convergentie, de politiek die de welvaartskloof tussen de lidstaten zou moeten verkleinen, komt onder druk te staan. Vooral de zuidelijke landen ondervinden problemen, ook al omdat ze door de euro geen eigen monetair beleid kunnen voeren. De Sousa ziet een verband met de opmerkelijke winst van de Portugese en Spaanse sociaaldemocraten bij de jongste Europese verkiezingen. ‘Het is interessant om te zien dat er een zekere weerstand opkomt vanuit de periferie. Je zou kunnen zeggen dat deze landen duidelijk willen maken dat Europa toekomst heeft als het vasthoudt aan de waarden van de sociaaldemocratie.’

De Sousa ziet nog een hoopgevend teken, alleen zit er wel een adder onder het gras. Volgens recente peilingen vindt een ruime meerderheid van de Europeanen (67 procent) dat ze er met de Europese Unie op vooruitgegaan zijn. ‘Het gevoel overheerst dat de EU al met al goed voor ze is geweest. In hun dagelijks leven, in hun welzijn. Maar tegelijk zijn ze bang voor de toekomst. Want het idee dat de sociale verworvenheden onhoudbaar zijn, is iets wat de dominante Europese media er de afgelopen dertig jaar flink hebben ingehamerd. Het neoliberalisme wakkert deze angst aan om privatiseringen te forceren, bijvoorbeeld in de gezondheidszorg – iets waar Europa sterk in is, en wat bij privatisering een hoog rendement oplevert.’

Het neoliberale model en de concentratie van rijkdom staan bijna niet ter discussie, zegt De Sousa. Dat komt vooral doordat de financiële sector een groot deel van de dominante media controleert. De sociale ongelijkheid wordt daarin voorgesteld als iets natuurlijks. Het neoliberalisme maakt het systeem van kapitalistische overheersing vanzelfsprekend, en juist daardoor wordt het idee van overheersing uitgewist. Er is geen overheersing. Je hebt rijken en armen omdat dit altijd zo geweest is. Wie rijk is, is rijk omdat hij het verdient. En wie arm is, verdient gewoon niet beter. Degenen die de macht hebben zijn onzichtbaar.

‘Ik ken de Griekse weg. Maar als klein land kun je niet in Brussel lessen in economie gaan geven’

‘Twintig jaar geleden schreven de kranten na verkiezingen over de kiezers en hun stemgedrag’, zegt hij. ‘Nu is het eerste nieuws: deze president is gekozen en dit was de reactie van de financiële markten. Maar wie zijn dat, de beurs, de markten? Een groep Zwitserse economen heeft het uitgezocht. Het zijn vijf grote investeringsfondsen die een groot deel van het wereldwijde bruto binnenlands product in handen hebben. Ze hebben naam en toenaam, maar je kunt ze niet zien en ze worden anoniem gehouden. Wat je wel om je heen kunt zien zijn degenen die jou misschien een voordeeltje of een subsidie kunnen afpakken: immigranten, vluchtelingen. Extreemrechts profiteert van deze angst.’

De onzekerheid, de angst en het gevoel van permanente crisis hebben een ‘politiek van verbittering’ gevoed. Het gevolg daarvan is de opkomst van extreemrechtse partijen in Europa. ‘De politiek van verbittering werkt als de mensen niet zien waar de vijand is. Ze denken dan al snel dat de vijand degene is die een beetje armer is dan zijzelf. Het is slachtoffer tegen slachtoffer.’ De Sousa ziet in Europa twee soorten extreemrechtse bewegingen. De eerste is puur neoliberaal en wil elke vorm van sociale bescherming door de staat afschaffen. Deze variant vind je vooral in Oost-Europa, omdat daar het neoliberale experiment meteen na de val van de Muur werd ingezet. De tweede variant wil wel sociale zekerheid, maar ‘alleen voor ons’. En ‘wij’ bepalen wie daaronder vallen en wie niet. De anderen, dat zijn meestal vrouwen, migranten, mensen met een ander geloof, degenen die in opvangkampen zitten.

Toch blijken er grenzen te zijn aan de angst, zegt De Sousa. ‘De democratische krachten in Europa zijn erin geslaagd om te laten zien dat de angst destructief kan zijn. Want als de meeste mensen denken dat de Europese Unie goed voor ze is, kunnen ze zich niet veroorloven dat de angst voor de toekomst vernietigt wat ze nu hebben. Ik denk dat deze angst voor de angst ertoe heeft geleid dat extreemrechts bij de Europese verkiezingen niet zo veel heeft gewonnen als verwacht.’

Het neemt niet weg dat we volgens De Sousa in een reactionaire tijd leven. Niet conservatief, want dat is iets wezenlijk anders. ‘Conservatieven geloven in de drie waarden van de Franse Revolutie, vrijheid, gelijkheid en broederschap. Met absolute voorrang voor de vrijheid natuurlijk, maar ze zijn bereid om ook een beetje gelijkheid en broederschap te accepteren. Reactionairen niet. Die willen terug naar vóór de Franse Revolutie. Ze geloven niet in vrijheid, niet in gelijkheid en nog veel minder in broederschap. Ik denk dat meneer Trump niet in deze waarden gelooft. En meneer Bolsonaro, de president van Brazilië, heeft er ook geen enkele boodschap aan. Daarom bevorderen zij het idee van de vanzelfsprekendheid van de ongelijkheid.’

De Sousa heeft veel onderzoek gedaan in Latijns-Amerika, Afrika en Azië. Hij heeft veertien eredoctoraten en ontving tal van wetenschappelijke prijzen. Wereldwijde erkenning geniet hij onder meer als specialist op het gebied van kolonisatie en dekolonisatie. Hoe zit het met de ongelijkheid binnen de Unie? Ziet hij iets van een koloniale houding ten opzichte van het zuiden van het continent? De Sousa aarzelt geen moment. ‘Absoluut. Dat is al vanaf de zeventiende eeuw het geval. Documenten van religieuze missionarissen tonen dat aan. Zij kwamen uit het noorden naar Portugal en Spanje en zeiden over de mensen uit het zuiden van Europa precies dezelfde dingen als wat wij zeiden over de zwarten in Afrika: ze zijn lui, onhygiënisch, ze willen veel seks en weinig werk. In de Duitse pers las ik over Griekenland tijdens de crisis veel passages die je niet kunt begrijpen zonder een koloniale houding van het noorden tegenover het zuiden.’ De laatdunkende opmerkingen over de Zuid-Europeanen van de voormalige voorzitter van de eurogroep Jeroen Dijsselbloem passen in hetzelfde patroon van noordelijke arrogantie.

Maar wat Boaventura de Sousa Santos nog meer stoort is de buitenlandse onverschilligheid voor het succesvolle regeringsexperiment van de voorbije jaren in Portugal. De rechtse media bedachten voor de linkse coalitie de naam geringonça, wat zoveel wil zeggen als een onbegrijpelijk zooitje. Premier António Costa zette die belediging op zijn kop en maakte er een geuzennaam van. Nadat de kredietbeoordelaars hun zegen hadden uitgesproken over Costa’s eerste begroting in 2016, sprak hij over het ‘kabinet-geringonça triple A’.

Voor De Sousa is de geringonça, het pact tussen de oude aartsvijanden van de socialistische en de communistische partij, een voorbeeld van politieke vernieuwing van de eerste orde. Maar die coalitie, in zijn ogen uniek in de recente geschiedenis van Europa, zou nooit tot stand zijn gekomen zonder de derde partij in de coalitie, het Bloco de Esquerda (Links Blok). Deze nieuwe partij werd geleid door drie jonge vrouwen die met hun pragmatische blik het vastgeroeste wantrouwen tussen de beide andere coalitiepartners wisten te overwinnen. ‘Ze zeiden: we gaan de privatiseringen stoppen, houden de verlaging van de lonen en de pensioenen tegen, en we gaan langzaam een sociaal beleid opbouwen. Oftewel, het tegenovergestelde van het neoliberale recept van de trojka. En tegen alle voorspellingen in – van Brussel, het imf en de Europese Centrale Bank – begint de economie te groeien, daalt de werkloosheid, verbetert het internationale imago van Portugal en nemen de buitenlandse investeringen toe. Portugal heeft laten zien dat het neoliberalisme een leugen is.’

Hoe heeft dat kunnen gebeuren? Waarom heeft Portugal kunnen doen wat Alexis Tsipras in Griekenland ook wilde en niet lukte? ‘We hebben van de Grieken geleerd’, zegt De Sousa. ‘Het is niet slim om bombastische betogen tegen de EU te houden. Dat werkt niet als je klein bent. Ik ken de Griekse weg goed, want ik werk met ze samen. En Varoufakis is een vriend, maar ik denk dat hij zich vergiste. Als klein land kun je niet naar Brussel stappen om daar lessen in economie te geven. En je moet ook niet het ene zeggen en het andere doen, zoals Tsipras met zijn referendum.’

Zonder lawaai te maken zocht de regering-Costa naar flexibiliteit in de Europese richtlijnen. Twee jaar later wordt Mário Centeno, de minister van Financiën van Costa, benoemd tot voorzitter van de eurogroep. ‘Oftewel, een politieke oplossing waar de EU vijandig tegenover staat, krijgt opeens erkenning in de vorm van de benoeming van Centeno. Het bewijst dat de EU geen logica heeft.’