De Kellendonk-brieven - Een correspondentie

We moeten een mens wezen pik, er is haast bij

Een van de belangrijkste literaire gebeurtenissen van 2015 was de publicatie van de brieven van Frans Kellendonk. De schrijvers Nina Polak en Niña Weijers lieten zich afgelopen half jaar inspireren en begonnen een old skool correspondentie.

Medium frans kellendonk 1

Brooklyn, NY

Lieve Pik (tja, wat zullen we daar eens mee?),

Ik heb de Kellendonk-brieven hier in New York in een paar lange sessies uitgelezen, bijna onophoudelijk geboeid. Toen ik het dichtklapte was ik zo ontroerd dat ik ervan moest bijkomen. Kellendonk zou dat maar niks hebben gevonden, het was volgens mij niet zijn bedoeling om te ontroeren. Toch, weten dat hij met te veel levenslust en te veel plannen afscheid moest nemen, lezen hoe die mythologische ziekte, het nuchtere verzet van het slachtoffer ten spijt, de laatste brieven steeds meer domineert: nogal adembenemend.

Over het algemeen vond ik zijn toon monter, vaak geestig, betweterig als een gymnasiast en soms eigenzinnig gedateerd – stijfjes, tuttig (om niet te zeggen nichterig). Als een gefragmenteerde biografie lijkt het brievenboek tamelijk compleet. Wat schreef hij veel. Hier en daar vallen natuurlijk gaten. Ergens op een kwart schreef ik ‘Waar is Jan!?’ in de marge. Kellendonks geliefde Jan Duyx, die hij jarenlang aan het einde van zijn brieven overlaadt met kussen (ook voor hun kat, Mia) verdwijnt ineens bijna. Later keert hij gelukkig terug; ze zijn geen geliefden meer, maar houden duidelijk wel van elkaar.

De wanhopige brieven aan Jan over Thijs Westerhout, Kellendonks stelende, verslaafde amour fou, zijn smeuïg maar ook pijnlijk. Moet Jan dit allemaal aanhoren, dacht ik. En hij is niet de enige. De auteur is gewoonlijk rationeel en droog, maar waar het ‘de Thijs’ betreft wordt hij barok, verhit, praatziek. Iedereen die hij schrijft krijgt te horen hoe hij bij thuiskomst in zijn Amerikaanse residentie plotseling ‘het lange lijf van de Thijs [aantreft], dezelfde die ik in brief na brief gesmeekt en bezworen heb niet naar M’polis te komen. Op slag nuchter en de waanzin nabij (…)’ Dit schrijft hij aan zijn uitgever Jacques Dohmen. ‘Ter onderstreping van mijn tegenstrijdige emoties begon het meteen te donderen en bliksemen en stortregenen. Ik heb iets met electriciteit. De Thijs heeft zich hier intussen doodkalm geïnstalleerd. De maagtabletten staan in het medicijnkastje, de kleertjes hangen keurig in de slaapkamer, het backgammonkoffertje staat als vanouds tegen de plint, de conimexflesjes staan in het gelid bij het fornuis.’

Je ziet in dit soort passages hoe Kellendonks stijl geboren wordt, hoe hij zijn meest intense gevoelens, zijn grieven, zijn taal laat verlevendigen – conimexflesjes in het gelid, is dat niet heerlijk, pik?

Tot zo ver het roddelen (erg Nederlands, volgens Kellendonk, maar menselijker dan dat eeuwige gelul over geld van de Amerikanen). Waarover zullen we het eens hebben? Er is zo veel. Twee onderwerpen sprongen er voor mij uit. Ze komen ook aan de orde in de mooie bespreking van Bas Heijne in NRC. De eerste heeft met gemeenschap te maken. En dan niet dat waar je in het Nederlands meteen aan denkt bij dat woord (of misschien ook wel, ‘mystiek lichaam = gemeenschap = seks = kerk’ heb ik ergens onheilig neergepend, ‘gemeenschap begint in bed’, schrijft K.), maar wat ze hier in Amerika ‘community’ noemen. Daar gaat het bij Kellendonk om, zo blijkt wel uit zijn brieven, maar steeds in een dialectiek met een fundamentele eenzaamheid. Henry James was zijn favoriete schrijver, merkt Heijne op, omdat deze ‘de werkelijkheid op[vat] als een geheel van verschillende subjectiviteiten; ons bewustzijn van de wereld is per definitie subjectief, maar we kunnen alleen gekend worden in relatie tot anderen’.

Die relatie tot anderen lijkt voor de mens Kellendonk inderdaad van levensbelang – hij is in zijn correspondentie even vaak oprecht smachtend en liefdevol (niet bang om ronduit needy te zijn!) als onmogelijk kritisch. Er is een constant geschipper tussen tederheid en afstandelijkheid. Familie en homoseksualiteit, twee kernthema’s in Mystiek lichaam, emulgeren niet voor Kellendonk – We Are Family! Not –, maar zijn toch onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Ik noem dat Engelse woord ‘community’ trouwens omdat het volgens mij de aandacht vestigt op een cultuurverschil. Waar gemeenschap in het werk van K. naar voren komt als iets noodzakelijks maar problematisch, lijkt het in de VS meer een vanzelfsprekendheid. Toen ik vandaag in Brooklyn langs een oorlogsmonument liep dat de mensen van deze ‘community’ herdenkt (en later langs de community bookstore en de community gardens), vroeg ik me af: voelen de mensen hier in de buurt zich meer deel van een ‘gemeenschap’ dan ik? En komt dat doordat het woord hier zo gebruikelijk is, of is het andersom?

Het brengt me ook bij een belangrijk verschil tussen Mystiek lichaam en het toneelstuk Angels in America van Tony Kushner, waarover ik je altijd doorzaag. Angels speelt in NY in de jaren tachtig en kent dezelfde thematiek: kapitalisme, religie, familie, homoseksualiteit, aids. Maar het is onmiskenbaar optimistischer (en ja, sentimenteler) over de potentie van gemeenschap. Het stuk kent een Amerikaanse ‘redemption’ die er bij Kellendonk (en bij Reve, for that matter) niet lijkt te kunnen zijn. Te veel scepsis? Wat denk jij? Te Europees? Ergens schrijft K. dat hij na het lezen van Kritik der zynischen Vernunft van Peter Sloterdijk probeert het contrast tussen ons Europese cynisme en het Amerikaanse idealisme scherp te stellen. Is hem dat ooit gelukt? Ik ben benieuwd.

Het andere onderwerp hangt hier denk ik mee samen. Het komt vooral aan de orde in de brieven die K. schrijft aan Oek de Jong (fantastisch vind ik die!): het onderscheid tussen romantici (Oek) en classici (Kellendonk zelf). Ik vraag me bijvoorbeeld af: zouden wij dat onderscheid ook maken (jij en ik)? Maar goed, zeg jij nu eerst maar eens iets.

Liefs, je NP

Bloemendaal

Lieve Pik (tja…),

Het merendeel van de brieven die ik in mijn leven heb verstuurd, begint met ‘sorry’ of ‘excuses’. Sorry dat ik zo lang niets van me heb laten horen. Excuses voor mijn trage reactie. Ook deze.

Ik zou je schrijven vanuit Amsterdam, vanuit het vliegtuig op weg naar jou in New York, vanuit het vliegtuig terug. In plaats daarvan heb ik het bijna een maand uitgesteld, totdat het niet-schrijven ondraaglijker werd dan het schrijven. Dit is een werkwijze die mij überhaupt typeert, maar de brief – en ik bedoel dan een brief – bezorgt me een extra groot gevoel van tegenzin. Ze wil zo graag spontaan zijn, maar in haar spontaniteit ook erudiet, afgewogen, verstandig. Romans en essays zijn wat dat betreft eerlijker, die hoeven niet te pretenderen zomaar even te zijn opgeschreven.

Maar goed, ik schrijf je nu. Ik heb daarvoor een bijzonder slecht moment gekozen: het is 32 graden, geen wolkje in de lucht en zelfs hier, vlak bij zee, staat er geen zuchtje wind. Mijn hersenen voelen aan als te gaar gekookte worteltjes – even papperig als smakeloos. In Amerika hebben ze airco’s, hier hebben we een overheid die ons vertelt dat we niet te veel moeten bewegen.

In deze warmte moet ik denken aan Kellendonks bezoek aan Curaçao, in het vroege voorjaar van 1987. Een paar maanden later zou hij vernemen dat hij aids had, maar op Curaçao was hij nog gezond, een schrijver die research deed voor zijn volgende roman, niet wetend dat de voorgaande zijn laatste zou zijn. Een boek gebaseerd op de affaire-Kerwin Duinmeijer moest dat worden, de Antilliaanse jongen die in 1983 werd vermoord door een skinhead van zestien. ‘Ik wil zichtbaar maken hoe de mythe van het racisme zowel door voor- als tegenstanders politiek wordt geëxploiteerd en wat dat spookachtige verzinsel zoal uitricht in de samenleving’, las ik in Kellendonks reisbeursaanvraag voor het Fonds van de Letteren. In deze weken van Charleston en de door politiegeweld omgekomen Mitch Henriquez voelt het onderwerp brandend actueel (excuses voor deze twee woorden, en de combinatie ervan). Waarschijnlijk zou alleen niemand racisme nu een ‘spookachtig verzinsel’ durven noemen. Misschien waren de tijden minder politiek correct, al vermoed ik – de hetze rond Mystiek lichaam indachtig – dat het eerder Kellendonks denken typeert dan de tijdgeest.

Wat me opvalt aan zijn Curaçaose brieven, is dat Kellendonk niets dan lamlendigheid verkoos te zien. ‘Voor iemand die geen hogere ambitie heeft dan wat te vegeteren is Curaçao een paradijs’, schrijft hij vrolijk aan Jan Duyx: ‘Het hotel waar ik logeer is net een tehuis voor moeilijk opvoedbaar personeel.’

Ik heb hier hardop om moeten lachen, maar vond het ook gemakzuchtig. Hij schrijft aan iedereen dat er niets te doen is op het eiland. Hij is ontsteld door het gebrek aan theaters, boekhandels, bioscopen. Er is geen cultuur, concludeert hij, overal heerst geestelijke armoe. gt;

Een starre visie op cultuur, als je het mij vraagt, en het is precies die starheid die me intrigeert. Of liever gezegd: die starheid in combinatie met de onvoorstelbare flexibiliteit, en onbevreesdheid, van zijn denken – dat wat jij schipperen noemt, het niet-emulgeren, de eeuwige dialectiek. En dan kom ik met deze omweg via Curaçao alsnog uit bij wat je aansnijdt over gemeenschap. Want één zinnetje in het bijzonder bleef me bij, in een brief aan de dirigent Ed Spanjaard: ‘Er is hier niets te beleven, in menselijk opzicht.’

Dat ‘menselijk’ is een sleutelwoord bij Kellendonk – jij noemde het ook al. Ook Amerika vond hij, ondanks its great sense of community, een onmenselijk land. Er was daar volgens hem geen werkelijke verbintenis mogelijk, geen werkelijke overdracht, geen diepzinnigheid, nauwelijks cultuur. Voor hem was het verschil tussen het Nederlandse ‘gemeenschap’ en het Amerikaanse ‘community’ denk ik levensgroot. Community had vooral met oppervlakkigheid en fatsoen te maken, gemeenschap daarentegen met eerlijkheid en diepgang (en gezelligheid, niet te vergeten). En daarmee durf ik voorzichtig een definitie te formuleren van Kellendonks menselijkheid: de mogelijkheid van werkelijk contact. Tussen mensen, in de kunst, in de literatuur. Voor een schrijver die fel was gekant tegen elke vorm van idolatrie (zeg maar gerust: realisme) en altijd gepreoccupeerd met de moeilijkheid van begrippen als authenticiteit en waarachtigheid, is een zoektocht naar ‘werkelijk contact’ natuurlijk gekkenwerk. Maar dat maakt hem nu juist zo interessant, nietwaar, Polak? Verschillen waren voor hem niet absoluut (ook niet het verschil tussen de classici en de romantici, daarover heb ik het nu nog steeds niet gehad) en paradoxen geen slappe excuses om eigenlijk niets te zeggen. Daarom vind ik de verschillende onoplosbaarheden in zijn leven, die jij zo mooi aanstipte, ook niet in de eerste plaats tragisch. Wie geen onoplosbare tegenstrijdigheden in zich draagt, zou er nooit aan beginnen boeken te schrijven, denk ik altijd maar. Of is dit een hopeloos romantische gedachte van een schrijfster die zichzelf eerder onder de classici zou scharen?

Nu ga ik plat op mijn buik liggen met al mijn ledematen uitgespreid over de vloer, en niet meer bewegen.

X, jouw eigen N

Amsterdam

Lieve Weijers,

Ik heb je overtroefd: twee maanden geen antwoord. Het is me een raadsel hoe Kellendonk het klaarspeelde om zo uitgebreid met Jan en alleman te corresponderen. Jij en ik zijn bang voor briefschrijven. Zou dat erg zijn? Misschien helpt het, wordt het noodzakelijker, als een van ons in ballingschap gaat (ik bied me aan). Of als we afspreken dat we niet meer mogen mailen en sms’en. (Al zal ik je erudiete kattenbellen in de trant van ‘Pik ahoy! Waowaowowowow!’ missen.)

Er is een zomer verstreken. We zijn een paar keer vrij en comfortabel de oceaan over gevlogen, opgelucht om dat oudbakken continent even te ontvluchten, terwijl onder ons duizenden wanhopigen poogden om het te bereiken. In rubberboten, zeecontainers, op vlotten. Duizenden gingen dood.

Dat wisten we al, maar een foto van de gestrande Syrische kleuter Aylan, plat op zijn levenloze gezichtje, zet de zaken op scherp.

De gemeenschap roert zich, want dat voelt men zich ineens, Wij, de West-Europese gemeenschap, en dan vooral op de sociale media. Je kunt een hekwerk smeden van alle warme hashtags. #refugeeswelcome, #Amsterdam verwelkomt vluchtelingen, #doneerjedeken, #behuman. We moeten een mens wezen, pik, er is haast bij. Hoe wezen we een mens? Door ons een gemeenschap te betonen. Een open gemeenschap, met dekens en snert en misschien zelfs gezelligheid. Dat is fatsoen (jij gebruikt het als een vuil woord, begrijpelijk, het doet denken aan Balkenende, het Leger des Heils, zelfbedrog en moralisme, the horror!), maar ik dacht vandaag toch ook even opgelucht: er valt hier iets te beleven, in humanitair opzicht.

Tegelijk wekt zulke razendsnelle saamhorigheid argwaan. In een ‘Voetnoot’, vorige maand, haalde Grunberg de historicus Yuval Noah Harari aan, die het boek Imagined Community’s schreef. Volgens Harari is het wezenlijke verschil tussen mens en dier dat de mens, dankzij die imaginaire gemeenschappen, massa’s kan mobiliseren die allemaal aan dezelfde opdracht werken. ‘De kracht van illusies moge duidelijk zijn’, schrijft Grunberg hierover, ‘maar het gevaar ook: fundamentalisme. Mijn natie is beter dan de jouwe. Daarom dient de mens veilige afstand te bewaren tot het concept van de gemeenschap. Hij dient zich zo soepel mogelijk door diverse denkbeeldige gemeenschappen heen te bewegen.’ Flexibel dus. Misschien is dat wat jij bij Kellendonk ziet.

Ik ben het met je eens, hij is soms onvoorstelbaar vrij en soepel. In zijn denken, in zijn taal. Maar hechten wil hij ook. Vanuit het Engelse Brum schrijft hij Jan in 1974: ‘Ondanks het feit dat ik reikhalzend uitzie naar mijn terugkeer, [ben] ik toch een beetje bang, voor het definitieve van weer terug te zijn en niet weg te kunnen: toch is het nu noodzakelijk wortel te schieten. Je voelt je leven groeien, vooral terugdenkend aan je dromen besef je dat. Niets, absoluut niets, zul je ooit vergeten en het kan allemaal ineens terugkomen door een onbenullig woord, of door je voorhoofd te leunen tegen koel vensterglas. En wanneer het terugkomt is het rijker. Pas in herinnering gaan dingen leven, oneindig veel intenser dan in de onmiddellijke ervaring.’

Grunberg is never ever zo weemoedig. In De asielzoeker leeft eenzelfde wantrouwen jegens gemeenschap én jegens de door Kellendonk benadrukte samenhang tussen de twee betekenissen van dat woord: ‘Om bij iemand te horen hoef je niet noodzakelijkerwijs met iemand naar bed. Sterker nog, ik heb de indruk dat hoe vaker je met iemand naar bed gaat hoe minder je bij diegene hoort. Monniken horen bij God, toch neuken ze niet met hem.’ Dat zegt Beck tegen een relatietherapeut die Ron heet.

Dan de katholiekerige homo Kellendonk, met zijn ‘gemeenschap begint in bed’. ‘Liefde’, schrijft hij, ‘is de praktijk van de religie en ons enige middel om het dier dat we zijn, die louter economische functie, te transcenderen en om te worden tot wezens die deelhebben aan een bovenpersoonlijke eenheid.’ Kellendonk kent ‘geen hoopvoller gedachte’.

Sorry dat ik hamer op dat woord, gemeenschap. (Een eindredacteur viste het laatst uit een stuk van me met het commentaar: ‘Bedoel je neuken?’) En, oei, als ik zo even teruglees wat ik je heb geschreven vrees ik ineens dat het misschien juist het religieuze van Kellendonk is dat me zo aantrekt! In zijn recensie van Vechtmemoires zette Arnold Heumakers de schrijver Joost de Vries onlangs af tegen de cynische oudere generatie onder de kop: ‘Een hevig verlangen naar gemeenschap’. Betekenisvolle seks, waar het De Vries in dezen onder meer om te doen is, voorziet de oude Heumakers huiverig van aanhalingstekens – die jeugd van tegenwoordig!

Het woord valt trouwens vaker als het over onze generatie gaat. In het stuk dat Yra van Dijk over ons schreef in De Gids duidt ze een van de laatste passages uit mijn roman als het moment dat de personages een gemeenschap worden.

En wat moet men ervan denken dat wij elkaar aanspreken met ‘pik’ en bij de achternaam. Corporaal, pik, wat natuurlijk zoiets betekent als horend bij een ‘corps’, een lichaam. (Het betekent trouwens ook ‘altaardoek’! Nooit geweten.)

Nah ja, zie me hier toch weer met woorden en hun betekenis emmeren. Het spijt me in dit soort tijden dat ik meer kabbalist ben dan activist.

Ik weet het er nog niet mee, gemeenschap. Maar als ik die kop boven het stuk van Heumakers lees moet ik aan iets anders denken, iets wat me meer aanspreekt. Een magische regel van Jacob Israël de Haan, die, moederziel alleen, gegraveerd staat in het homomonument: ‘naar vriendschap zulk een mateloos verlangen’.

Pik, lief mens, ik daag je uit om me binnen een week terug te schrijven. Als tegenprestatie schrijf ik jou dan binnen twee dagen. Met de hand, op fysiek papier.

Je vriend, NP

Amsterdam

Lieve vriend van me,

‘Zullen we vrienden worden?’ vroeg je laatst, voor de grap, en ik moest er dan ook om lachen. Vrienden zijn we al lang, ik beken je dat ik ook meteen wist dat we vrienden zouden worden de eerste keer dat ik je ontmoette. Dat klinkt romantisch en dat is het misschien ook wel.

Maar eigenlijk zit er wel wat in, om de zoveel tijd opnieuw vrienden worden. Het omgekeerde lijkt me althans vreselijk, vriendschap als een vaststaande som der delen, gestold zoals jeugdvriendschappen kunnen stollen op het moment dat je de middelbare school verlaat. Dat je niet meer praat, maar uitsluitend bijpraat. Gesprekken in de laatste categorie doen me altijd denken aan het updaten van een besturingssysteem: zodra de laatste versie is gedownload kun je verder, tot er een nieuwe versie klaarstaat die er weer een beetje anders uitziet: soms verbeterd, soms verslechterd onder het mom van verbetering.

Een goede vriendschap, die dan geen romantische liefde is maar toch wel degelijk een liefde, bestaat denk ik bij de gratie van vertrouwdheid en voortdurende vernieuwing (of beter: verversing, als ik dan toch zo nodig die softwarevergelijking wil doortrekken). Het is eigenlijk een eindeloos uitgerekt gesprek, waarbij ieder steeds van rol verandert maar er niettemin in slaagt een versie van zichzelf te blijven. Met enig cynisme zou je het wederkerige therapie kunnen noemen.

Op een interviewverzoek van het literaire tijdschrift Begane grond reageert Kellendonk in 1988 afwijzend: hij heeft geen behoefte aan een vraaggesprek, in een interview (‘intervyou’) wordt nooit iets medegedeeld en in een literair interview al helemaal niet. ‘Waar ik te allen tijde behoefte aan heb is een gesprek tout court, iemand die reageert op wat ik te berde breng en op wie ik kan reageren’, schrijft hij. (In een concept-brief aan Gerard Reve van twee jaar daarvoor bedankt hij hem weliswaar voor diens mooie brief, ‘je zou hem kunnen publiceren’, maar verwijt hij hem in één adem dat die brief maar nauwelijks aan hem gericht is.)

Het is misschien ironisch te noemen dat we in dit brievenboek uitsluitend Kellendonks brieven te lezen krijgen, en niet de reacties daarop. Toch leest het wel degelijk als een gesprek; een langgerekte poging tot, en een ode aan, de vriendschap. ‘Literatuur’, schrijft Kellendonk tot slot van de brief aan Begane grond, ‘is geen zelfopenbaring, het is communicatie.’

Dat moet een frase naar jouw hart zijn, pik. Je wijst me er altijd op, wanneer ik de neiging heb de boel te idealiseren (in de platonische zin van het woord) of wanneer ik klaag dat er te veel tijd op gaat aan dingen die met schrijven niets te maken hebben. ‘We hebben iets willen communiceren’, zeg je dan tegen me, ‘dus dan kun je ook een reactie verwachten.’ En dat is ook zo. Maar wat dan? vraag ik me geregeld af. Wat heb ik dan in godsnaam willen communiceren? Misschien is het woord communicatie voor mij te veel vervuild geraakt, verworden tot een term die alleen nog maar verwijst naar concrete, ondubbelzinnige, marketingachtige aangelegenheden. Liever zou ik het ‘verstaanbaar maken’ noemen. Een pietluttige definitiekwestie, wellicht, maar ja: het is ons vak (uit noodzaak natuurlijk, want voor de andere kunsten bleken we allebei niet geschikt). Toch geloof ik dat ik, al schrijvende, in de eerste plaats iets voor mezelf verstaanbaar wil maken, en pas in tweede instantie voor iemand anders. Pas op papier begin ik iets van mezelf te begrijpen, al is dat begrijpen tegelijk een vervreemdingsproces: je bent niet wat je schrijft. Misschien zit de communicatie waar Kellendonk het over heeft hem wel in die vervreemding, hoe gek dat ook mag klinken: om iets met een ander te kunnen delen is er een vertaling nodig, en die vertaling is per definitie vreemd, geconstrueerd, mysterieus. En zie wat er gebeurt: nu heb ik van communicatie alsnog een mysterie weten te maken, en vind ik die hele term toch al weer een stuk beter te pruimen. Wat een beetje ouwehoeren wel niet vermag.

Maar goed, als vriendschap een gesprek is en literatuur communicatie, welke rol vervult dan die andere vorm van gemeenschap, dat wat jouw eindredacteur zo treffend omschreef als ‘neuken’? Wanneer is seks eigenlijk betekenisvol? Ik geloof niet dat je daarvoor per definitie van elkaar hoeft te houden. Integendeel, wilde ik schrijven, al is dat natuurlijk ook weer niet waar. Maar toch: de seks die voor mij het meest heeft betekend had zeker niet altijd met liefde te maken – of liefde van twee kanten. Lust wordt vaak geassocieerd met leegte en dus met een gebrek aan betekenis. Dat lijkt me een misvatting. Lust is leeg, maar dat komt doordat het bij seks nu eenmaal gaat om zelfverlies en onderdompeling. Liefde staat dat soms in de weg, omdat ze intiem is: het is niet zo makkelijk jezelf te verliezen als je je door de ander heel goed gekend, en geliefd, weet (soms denk ik dat we monogamie hebben bedacht om therapeuten en coaches van een inkomen te voorzien – dit zeg ik uiteraard niet hardop, als medeplichtige aan dat hele monogame gedoe). Misschien, wil ik maar zeggen, komt lust wel het dichtst in de buurt van het soort onthechting waar mystici uit alle hoeken van de wereld al eeuwen naar op zoek zijn. Met de hang naar katholieke gezelligheid, die zo’n beetje in Kellendonks dna geprent was, heeft het natuurlijk maar weinig van doen. Je hebt gemeenschap en gemeenschap, en soms verdraagt de ene de andere maar slecht.

Lieve vriend, laten we elkaar vaker schrijven. Het bevalt me. ‘A correspondence is a kind of love affair’, schreef Janet Malcolm eens in The New Yorker. ‘When we write to someone regularly, we begin to look forward to his letters and to feel increasing emotion at the site of the familiar envelope. But if we are honest with ourselves we will acknowledge that the chief pleasure of the correspondence lies in its responsive aspect rather than with its receptive one. It is with our own epistolary persona we fall in love, rather than with that of our pen pal; what makes the arrival of the letter a momentous event is the occasion it affords for writing rather than reading.’

Laat het voor ons, twee kreeften-schrijvers die altijd overal tegenop zien en vooral tegen het schrijven, een mantra zijn.

Schrijf me, dan kan ik jou weer schrijven.

Je grote vriend,

Niña

Frans Kellendonk, De brieven. Samengesteld, ingeleid en geannoteerd door Oek de Jong en Jaap Goedegebuure. Querido, 480 blz., € 29,99

Wie geen onoplosbare tegenstrijdigheden in zich draagt, zou er nooit aan beginnen boeken te schrijven, denk ik altijd maar

‘Pas in herinnering gaan dingen leven, oneindig veel intenser dan in de onmiddellijke ervaring’

‘Literatuur’, schrijft Kellendonk tot slot van de brief, ‘is geen zelfopenbaring, het is communicatie’