Interview

We moeten elitair durven zijn

Hoogleraar Geert Buelens over hartstocht,
goede poëzie en enthousiaste studenten

Het gebouw aan de Utrechtse Trans waarin de vakgroep neerlandistiek huist, is een labyrint van ondoorzichtig aan elkaar gekoppelde panden. De kamer van de nieuwe hoogleraar moderne letterkunde kan alleen bereikt worden via een andere kamer, die leeg staat. Aan het eind van een nauwe gang op de bovenste etage, in een smal, spits toelopend hok, werkt Geert Buelens (_1971) achter zijn computer een boterham weg. Is de situering van zijn kantoor typerend voor de rol die hij speelt? Is de Nederlandse letterkunde een vak in de marge geworden, nu het cultuurlandschap wordt gedomineerd door Talpa, ‹Spits› en Dan Brown en de universiteiten worden gestimuleerd om geld te verdienen met economisch nuttig onderzoek? Of beweegt Buelens zich zelf aan de marge van de neerlandistiek, die zich misschien nog altijd introvert bezighoudt met de bronnen van Leopold en de komma bij Krol? We gaan het hem vragen._

Aan Buelens’ werklust zal het niet liggen. Zijn in 2001 door Vantilt uitgegeven proefschrift, Van Ostaijen tot heden, telt 1302 bladzijden, hij publiceert in een straf tempo essays over de meest uiteenlopende onderwerpen – van moderne poëzie tot de Eerste Wereldoorlog, van free jazz tot globalisering en media – en hij geeft al een jaar of tien college, eerst in Antwerpen, nu in Utrecht, tussendoor ook een halfjaar in Berkeley. «Ik ben de enige Belg die niet drinkt. Dat scheelt nogal wat tijd, energie en geheugenruimte. Al zijn er wel eens momenten geweest dat ik wilde dat ik het wel deed.» Sinds enkele maanden woont Buelens in Amsterdam, maar hij heeft zijn huis in Antwerpen aangehouden, al is het alleen omdat hij in Nederland nog geen betaalbare woning heeft kunnen vinden waarin hij zijn bibliotheek kwijt zou kunnen. Het heen-en-weer reizen heeft overigens het voordeel dat hij zo gemakkelijk zijn banden met Vlaanderen kan blijven onderhouden. Buelens is een hartstochtelijk Europeaan.Er zijn ten minste drie redenen waarom een gesprek met Buelens de moeite waard zou kunnen zijn. In de eerste plaats heeft hij, als kersverse allochtoon, wellicht een frisse kijk op het Nederlandse onderwijs en het universitaire klimaat. In de tweede plaats gaat hij op een onconventionele manier met zijn vak om. En in de derde plaats is hij een bijzonder dichter, wiens eerste bundel Het is (2002) werd bekroond met de Lucy B. en CW van der Hoogt-prijs. Afgelopen zomer verscheen Verzeker u, een boek dat volgens internetcriticus Jeroen Mettes «terroristische poëzie» bevat. «Gisteren heb ik drie enquêtes ingevuld over mijn werkdruk, wat op zichzelf al de werkdruk verhoogt. Natuurlijk blijkt daaruit dat ik veel te veel uren maak, maar dat vind ik helemaal niet erg, zolang datgene waarmee ik bezig ben, boeiend is. In mijn nieuwe functie, maar ook als nieuwe Nederlander moet ik nog veel leren en ontdekken. De verschillen tussen de Nederlandse en Belgische academie zijn groot, al geloof ik dat ze in bepaalde opzichten steeds meer op elkaar gaan lijken. Hier ben je als hoogleraar meteen ook het hoofd van een vakgroep, wat allerlei bestuurlijke verantwoordelijkheden met zich meebrengt. In België is het systeem minder hiërarchisch ingericht en is de besluitvorming meer afhankelijk van het samenspel tussen de betrokkenen. Anderzijds is hier de inbreng van studenten groter, omdat zij op alle niveaus kunnen meepraten. Zo zat er in mijn benoemingscommissie ook een student, wiens stem even zwaar woog als die van de andere leden. Ik ervaar het overleg met studenten als inspirerend, wat niet wil zeggen dat ik vind dat zij in alle gevallen hun zin moeten krijgen. Wij, de docenten, zijn degenen die het programma vaststellen, want wij hebben het overzicht, zij niet.

Volgens mijn aanstelling dien ik zestig procent van mijn tijd aan onderwijs en veertig procent aan onderzoek te besteden. Bestuurlijk werk zou dan tussen de bedrijven door moeten plaatsvinden, maar slokt in de praktijk ten minste eenderde van de tijd op. Het grote gevaar dat iedere hoogleraar bedreigt, is dat hij niet meer aan onderzoek toekomt. Vaak doe je dat dan ’s avonds of in het weekend. Gelukkig heb ik energie te over en maak ik met genoegen lange weken. Maar laat ik vooropstellen dat dit een fantastische baan is, omdat je echt met inhoud bezig bent. Ook in discussies met collega’s over de invulling van het curriculum gaat het steeds om de wezenlijke vraag wat we met dit vak willen. Mijn staf is zeer divers samengesteld, zodat de studenten kunnen kennismaken met uiteenlopende specialisaties en methoden.» Ik ben benieuwd naar het niveau van de studenten. De laatste tijd is er veel publiciteit geweest over de waanzin van het nieuwe leren en de puinhopen van het Studiehuis. Is het waar dat de eerstejaars niets weten? Willen ze eigenlijk wel iets leren? Geert Buelens antwoordt genuanceerd. Pas aan het eind verheft hij zijn stem en spreekt hij fel zijn afkeuring uit over de collectieve amnesie die de samenleving zichzelf oplegt door de schandelijke verwaarlozing van het algehele onderwijspeil. Maar de situatie is niet hopeloos: «Ik vind de studenten heel open, niet blasé. Ze zijn enthousiast en nieuwsgierig en beseffen terdege hoe weinig kennis ze bezitten. Vaak hebben ze geen enkel historisch inzicht en ze hebben heel weinig gelezen, maar de meesten doen zeker hun best die leemtes weg te werken. Sommigen geven ook toe dat ze op school nooit iets hebben hoeven uitvoeren en zijn dan verbaasd over het aantal uren dat ze hier aan de slag moeten. Ofï¬?cieel worden ze geacht veertig uur per week te studeren, maar in de praktijk zijn het er vaak minder – ik heb daar nog niet zo’n zicht op. Wanneer er bij tentamens grote percentages onvoldoendes vallen, komt dat waarschijnlijk door een gebrek aan inzet.

Ze zijn mondig en assertief, wat in Nederland soms betekent dat ze van alles beweren over iets waarvan ze niets weten. We moeten ze echt leren dat het niet wetenschappelijk is je mening te geven of een smaakoordeel te vellen over boeken die je niet zorgvuldig bestudeerd hebt. Natuurlijk is het belangrijk om die evaluatieve vragen ook te stellen, want wetenschap is niet waardevrij. Ik wil altijd graag horen wat de studenten van de gelezen teksten vinden. Maar het oordeel moet wel onderbouwd worden, en dat zijn ze niet altijd gewend. Net zo min als ze gewend zijn drie kwartier naar een hoorcollege te luisteren. Toch zijn we niet van plan dat af te schaffen.Het Nederlandse onderwijs – maar in Vlaanderen zie ik het ook al beginnen – wordt geteisterd door rendementsdenken. Ieder tentamen moet uiteindelijk door 75 procent van de studenten gehaald worden, anders zou het te moeilijk zijn. Als het rendement te laag is, krijgen we minder geld binnen. Het gevaar bestaat dat je bij de inrichting van het programma te veel rekening gaat houden met wat de studenten leuk vinden. Dat willen we niet. Door een intensieve begeleiding proberen we ze zo ver te krijgen dat ze ook de wat taaiere onderdelen naar behoren afwerken.Ik maak me zorgen over het Europese beleid dat erop gericht is het aantal studenten in het hoger onderwijs substantieel te laten toenemen. Wie zijn dat dan, die vandaag geen academische graad halen en dat wel zouden moeten kunnen? Ongetwijfeld valt er veel winst te behalen onder de migranten, van wie er nog te weinig doorstromen naar het hoger onderwijs. Daar kan en moet zeker veel aan gedaan worden. Maar afgezien daarvan vind ik dat studenten met een te geringe intelligentie en inzet niet op een universiteit thuishoren. We moeten elitair durven zijn. Daarmee vel ik geen oordeel over de kwaliteit van andere opleidingen. Voor bepaalde mbo-opleidingen vindt terecht een strenge selectie plaats, die ik zelf niet met succes zou doorstaan. Ik zou er niet tegen zijn ook bij de poort van de universiteit een selectie in te voeren, nu het eindexamen vwo geen garantie meer is voor kwaliteit.» Misschien doet de Utrechtse neerlandistiek geen knieval voor de soms beperkte belangstelling van een deel van de studenten, dat wil niet zeggen dat ze niet hip en veelzijdig is. Het is niet voor niets dat de faculteit Buelens heeft binnengehaald, want zijn specialisaties zijn bij uitstek geschikt om een nieuwe generatie letterenstudenten wegwijs te maken in de snel evoluerende wereld van de literatuur en alles wat daaromheen hangt. «Mijn onderzoek beweegt zich op drie terreinen, die in mijn beleving sterk met elkaar samenhangen: de maatschappelijke rol van literatuur, internationalisering en intermedialisering. Ik wil graag benadrukken dat ik het traditionele onderzoek zeer waardeer. Neerlandici moeten blijven promoveren op Reve en Van de Woestijne, zorgvuldige analyses van individuele oeuvres, romans en gedichtenbundels hebben altijd bestaansrecht. Maar dat is niet wat ik spannend vind.

Literatuur mag natuurlijk nooit beschouwd worden als louter en alleen een bron voor sociologisch, historisch of politiek onderzoek. De veelgesmade Cultural Studies zijn daarin te ver gegaan. Bij het lezen van poëzie moet het in eerste instantie gaan om die poëzie zelf. Maar je mag nooit vergeten dat literatuur altijd functioneert binnen een maatschappelijk kader, en het is buitengewoon interessant en verhelderend om je ook daarmee bezig te houden. Studenten realiseren zich zelden op welke manier literatuur is ingebed in instituties. Ook poëzie die volstrekt autonoom wil zijn, zegt alleen al om die reden iets over de maatschappij. Ik schrijf daarom ook over de cultuurindustrie, ik probeer te volgen wat er in kranten, op televisie en op internet gebeurt. En daardoor begrijp ik dat je je, als je politieke invloed wilt hebben, tot op zekere hoogte moet aanpassen aan het medium waarmee je je publiek wilt bereiken. Een dagblad vraagt om andere teksten dan een weekblad, een weblog of een literair tijdschrift. Stel dat je de instituties zou willen hervormen, dan kan dat alleen van binnenuit.Hiermee hangt – ten tweede – samen mijn belangstelling voor andere kunstvormen dan literatuur. De ontwikkeling van de literatuur kan in steeds mindere mate los gezien worden van wat zich afspeelt in de beeldende kunst, de muziek en de ï¬?lm. Projecten waarin een aantal van die disciplines samengaan, kunnen zeer boeiend zijn, wat niet betekent dat literatuur niet iets onvervreemdbaar eigens heeft – soms is zo’n project zelfs de aangewezen manier om erachter te komen waarin nu eigenlijk de essentie van literatuur schuilt. Ofï¬?cieel zijn mijn studenten na drie jaar «bachelor in de Nederlandse taal en cultuur», maar in de praktijk is het nog vaak zo dat van die cultuur alleen de literatuur aan de orde is geweest. Daarin wil ik verandering brengen.Mijn derde programmapunt betreft de internationalisering. In de bèta-wetenschappen spreekt het vanzelf dat je samenwerkt met het buitenland en in het Engels publiceert, bij een vak als Nederlands ligt dat minder voor de hand. We moeten niet in polder-Engels college willen geven over Nederlandse literatuur als er toevallig twee buitenlandse studenten in de zaal zitten. Douwe Draaisma heeft zich onlangs in NRC Handelsblad nog opgewonden over de onredelijke bevoordeling van het Engels als academische taal. Maar mét Draaisma vind ik het ontzettend jammer dat Nederlandse studenten geen Frans en Duits meer beheersen. Als «schakelcultuur» – Draaisma’s term – zouden wij juist verbindingen kunnen leggen tussen culturele fenomenen in Frankrijk, Duitsland en de Angelsaksische landen, terwijl er nu vaak sprake is van volkomen gescheiden circuits. Dat heb ik gemerkt bij mijn onderzoek naar de literatuur ten tijde van de Eerste Wereldoorlog. Franse onderzoekers kennen de Britse traditie niet, en omgekeerd. Vandaar dat ik een boek wil schrijven waarin het complete verhaal verteld wordt, dat laat zien hoe de verschillende culturele bewegingen invloed op elkaar uitoefenden. In dat kader beschouw ik Gorter en Van Ostaijen als volstrekt gelijkwaardig aan Majakovski en Wilfred Owen. Ik hoop dan ook promovendi te mogen opleiden die dergelijke grensoverschrijdende projecten aandurven.» Wanneer een geleerde als Geert Buelens gedichten gaat schrijven, krijg je dan geen hyperintellectuele metapoëzie? Zou poëzie niet in de eerste plaats een fysieke aangelegenheid moeten zijn, waarin het gaat om wie je bent en wat je voelt? Als een advocatus diaboli wil ik hem de vraag voorleggen of het streven naar fragmentarische, incoherente poëzie waaruit het subject is weggewerkt zo langzamerhand niet een nieuw soort truttigheid is geworden, maar nog voordat ik ben uitgesproken valt Buelens me geagiteerd in de rede: «Mijn poëzie is absoluut niet incoherent en al helemaal niet louter talig. Natuurlijk, gedichten worden van taal gemaakt, zoals Paul van Ostaijen al zei, maar goede poëzie gaat ook altijd over het leven. Zelfs een fanatiek theoreticus als Dirk van Bastelaere, die bekend staat als postmodernist en in polemieken nogal hoog van de toren blaast, schrijft gedichten die veel meer over mensen van vlees en bloed gaan dan hij zelf beweert. Ook al doen zijn teksten zich voor als postmoderne flarden waaruit elk centrum is verdwenen, de postmodernistische critici Thomas Vaessens en Jos Joosten slaagden er wel degelijk in ze als volkomen coherente gehelen te interpreteren. Met andere woorden: ik geloof niet zo in zogenaamd incoherente poëzie.»

Maar hoe zit het dan met de emotie? In een recent artikel in Yang betoogt Buelens dat een modern dichter zich niet aan de twintigste-eeuwse traditie kan onttrekken, die nu eenmaal inhoudt dat betekenis en emotie slechts indirect overgebracht mogen worden, maar dat zelfs de meest doorgewinterde theoreticus soms snakt naar een paar regels expliciete lyriek, zoals ook een liefhebber van Anton Weber of Xenakis zich graag laat overrompelen door een meezingbare melodie. Het is alleen de kunst die zo in te bedden dat het niet plat wordt: «Jij voelde je buitengesloten bij het lezen van mijn bundel Verzeker u, zo bleek uit je recensie. Heb je niet gezien dat het hele boek gezien kan worden als afrekening met een – laten we zeggen – probleem in de relationele sfeer?» Ik heb het niet gezien. «Ik dacht juist dat het er te dik bovenop lag. Misschien had ik in de flaptekst een duidelijkere hint moeten geven. Op de eerste bladzijde staat: ‹Hier wordt aan stelselmatige afbraak gedaan.› Jij hebt ‹hier› opgevat als ‹in deze poëzie›, terwijl je zo’n verwijzing in een roman altijd op de wereld binnen het verhaal zou betrekken. De lezer hoeft natuurlijk niet precies te weten uit welke gebeurtenissen mijn poëzie is voortgekomen, maar ik wil zeker geen gedichten schrijven die louter naar zichzelf verwijzen.Een belangrijk middel, misschien wel een wezenskenmerk – als je dat woord mag gebruiken – van poëzie is het ritme, niet alleen metrisch, maar ook visueel en in de zinsbouw. Ik voel me verwant met een paar Nederlandse dichters die heel andere poëzie schrijven dan ik, maar toch met vergelijkbare processen bezig zijn. Zoals Wouter Godijn emoties behandelt en Tsead Bruinja met ritme omgaat, dat spreekt me zeer aan.» Hartstocht, daar gaat het dus om. Wanneer ik Buelens vraag of België over een kwarteeuw nog bestaat, raakt hij zichtbaar geëmotioneerd. «Ik weet het niet, maar het zou ongelooflijk jammer zijn als juist België, dat onmogelijke project, zou mislukken. Waterloo, de Eerste Wereldoorlog, de vestiging van de Europese Unie in Brussel, alles wijst erop dat juist België de aangewezen plek is om te laten zien dat Europeanen vreedzaam met elkaar kunnen samenleven. Dat afstemmen van de Europese grondwet heeft me zeer aangegrepen, ik vond dat, hoe goed ik de drijfveren van de nee-stemmers ook begrijp, ronduit verschrikkelijk.

Wat Europa nodig heeft om enige cohesie te gaan vertonen, is een gemeenschappelijk referentiekader, een gemeenschappelijk discours, en daarvoor heb je gedeelde media nodig. Ik droom van een Europese krant, een soort Le Monde diplomatique, in het Engels, volgeschreven door intellectuelen uit heel Europa. Het zou al prachtig zijn als alle spraakmakende opiniestukken die nu in afzonderlijke dag- en weekbladen verschijnen, vertaald werden, zodat Duitsers weten wat er in Italië speelt en Grieken weten hoe men in Engeland denkt. Als hoogleraar hoop ik aan de totstandkoming van zo’n medium een bijdrage te mogen leveren.» * Piet Gerbrandy is dichter, classicus en criticus