Daniel Mügge, hoogleraar aan de UvA, faculteit der maatschappij- en gedragswetenschappen – ‘Het bbp heeft veel minder zeggingskracht gekregen’

Er is iets vreemds aan de hand met ons begrip van economische groei. Het lijkt of bijna niemand er meer in gelooft. Groei is slecht voor de planeet en slecht voor de sociale gelijkheid, vinden steeds meer mensen. Politici en bestuurders dringen aan op een bredere definitie van welvaart. Zelfs overtuigde pleitbezorgers van een vrije economie spreken enkel nog over ‘duurzame’ groei als doel. Maar dat is niet hoe wij economische groei vaststellen. Daartoe gebruiken we nog steeds het ouderwetse good old bbp, het bruto binnenlands product, als maatstaf van onze beperkte welvaart.

Kan dat niet anders? Honderden zo niet duizenden economen en statistici zijn de afgelopen jaren wereldwijd aan de slag geweest met cijfers, vergelijkingen en rekenmodellen. De oogst is ronduit indrukwekkend. Er liggen naar schatting zo’n honderd alternatieve economische modellen voor het bbp op de plank bij universiteiten, banken en statistische bureaus. Maar goede bedoelingen ten spijt, in de beleidspraktijk zijn die amper terug te vinden.

Om de werking van het bbp te doorgronden, kun je beter eerst kijken hoe en waarom het begrip overal ter wereld gebruikt wordt, opperde politiek wetenschapper Daniel Mügge. Met steun van nwo en de Europese Research Council deed hij met een team van promovendi en postdocs uitgebreid internationaal onderzoek naar de politieke en culturele aspecten van economische meetmethodes. Het onderzoek bracht hen van China via Brazilië en Zuid-Afrika tot in het walhalla van de wereldwijde statistiek bij de Verenigde Naties in New York. Overal troffen zij betrokken statistici die de grenzen van hun werk erkenden, en beaamden dat het bbp zwaar tekortschiet als maatstaf voor welvaart, maar die ook niet zagen hoe ze dit konden doorbreken.

Het bracht Mügge en zijn onderzoeksteam tot een ontnuchterende slotsom: de manier waarop wij economische groei meten is hopeloos verouderd. Maar werkbare alternatieven zijn evenmin voorhanden, ondanks velerlei inspanning. En dus moeten we de oplossing in een andere richting zoeken: leren af te kicken van het idee dat cijfers een automatisch kompas verschaffen om beleid op te maken, hoe lastig dat sommigen ook in de oren klinkt.

Mügge is in Nederland iets van een buitenbeentje. Zijn functietitel aan de UvA luidt hoogleraar politieke arithmetiek, een zelfverkozen vondst, die teruggaat op de zeventiende eeuw, toen koningen voor het eerst zich lieten adviseren met behulp van data. Mügge kijkt met een politieke bril naar het hoe en waarom van data, en dus niet als statisticus of econoom. Met zijn Duitse achtergrond komt hij uit een andere traditie dan die van Nederlandse statistiek en hoogwaardige modelbouw. Het maakt hem tot een afwijkende stem in het debat over economisch beleid.

Jullie hebben zeven jaar praktijkonderzoek gedaan. Wat is nu eigenlijk het probleem met het bbp?

‘Het is een maatstaf die niet meer past bij deze tijd. Dat geldt niet alleen voor het bbp, maar ook voor andere indicatoren zoals inflatiecijfers, werkloosheidsplaatjes, of de overheidsschuld. Die passen allemaal bij een samenleving van halverwege de vorige eeuw. Toen hadden we een industriële maakeconomie, waarin de scheidslijnen helder waren. Je was aan het werk, of je was vrij. Je was productief (de arbeider) of niet (de huisvrouw). Een product kwam uit Nederland of uit het buitenland. Dat viel allemaal te tellen en te berekenen.

Maar nu zijn al die scheidslijnen vervaagd. Ik zie ’s ochtends mensen bellen op hun fiets of werken op hun laptop in de trein. Is dat werktijd of is het privé? Dat is wel relevant als je wilt meten of we productiever zijn geworden. Want misschien werken we gewoon langer en is de productiviteit helemaal niet gegroeid.

Of neem de opkomst van Google Maps. Daardoor worden er geen TomToms meer verkocht. Dat telt in het bbp als verlies. Maar je kunt ook zeggen: dat wij nu allemaal twee keer per dag gratis op Google Maps kunnen kijken, is welvaartswinst. Alleen, hoe bereken je dat op een manier die past binnen het bbp? Daar hebben heel wat academici de tanden op stukgebeten, maar een oplossing is niet gevonden. Door al dit soort ontwikkelingen heeft het bbp veel minder zeggingskracht gekregen. Het is zelfs de vraag of het je niet vooral in de weg staat als je zicht wilt krijgen op wat er anno 2022 economisch speelt.

Statistici kennen die gebreken donders goed. En zij betreuren die. Ik heb lang gesproken met de opperstatistici in New York, die vanuit een bijgebouw van de Verenigde Naties het wereldwijde bbp overzien. Ze hebben heel lang gewerkt aan een alternatief, seea (System of Environmental Economic Accounting) geheten, dat ook kijkt naar milieuvervuiling en de waarde van ecosystemen. Dat zou meer bij deze tijd passen. Daar is ontzettend veel werk in gestoken. Hele handleidingen en conceptuele kaders. Je wilt niet weten hoeveel workshops daarover zijn georganiseerd. Maar niemand heeft er ooit van gehoord. Het is supermoeilijk gebleken om zo’n alternatief te relevant te maken voor de beleidspraktijk.’

Groeiende twijfel

Het klimaatprobleem legt niet alleen een bom onder onze manier van leven, maar ook onder ons waardenpatroon. Vrijwel niemand wil nog pleiten voor economische groei als toekomstideaal. Maar wat is het alternatief? Welke wegen liggen open voor een betere toekomst? Over die vraag gaat deze nieuwe reeks Groeiende twijfel. Politici, beleidsmakers en bedrijven worstelen met een antwoord. Maar ook burgers zullen niet ontkomen aan de vraag: wil ik minder of wil ik anders groeien? En hoe moet dat dan?

Het bbp is als maatstaf zeer ontoereikend. Toch houdt het onverkort stand?

‘Het bbp heeft een cruciaal voordeel: het vertaalt alles naar geld. Daardoor zijn alle onderdelen van het cijfer vergelijkbaar. Zelfs zaken die die geen marktprijs hebben, zoals de dienstverlening van de overheid, worden in geldtermen gegoten. Waardes als biodiversiteit of gendergelijkheid hebben dat voordeel niet. Het zal niet lukken om daar op dezelfde manier een cijfer aan te geven. Ze tellen niet op tot een enkele maatstaf, hooguit tot een verzamelbak losse cijfers.

Je moet ook niet onderschatten dat het bbp een internationale maatstaf is. Je kunt je natuurlijk afvragen waarom die vergelijkbaarheid nu nog belangrijk is. Toen ze er serieus mee begonnen in de jaren veertig in het kader van de Verenigde Naties was er nog het idee van een standaard waar iedereen naartoe moest bewegen, een soort ontwikkelingsideaal.

Maar heeft het nu nog zin om de cijfers van Nigeria te kunnen vergelijken met die van Nederland? Zijn ze überhaupt vergelijkbaar? Betekent werkloosheid, inflatie of armoede daar hetzelfde als hier?

Maar goed, je wilt niet alleen met landen kunnen vergelijken, je wilt ook door de tijd heen kunnen vergelijken. Zijn we erop vooruitgegaan? Als je elke drie jaar je meetmethode zou aanpassen, kun je dat niet goed bepalen.

Daar komt bij dat veel beleidsmakers denken dat economische groei uiteindelijk aan iedereen ten goede komt. Als je het beschouwt als een goede shortcut naar welvaart voor iedereen, dan is dat een valide reden om het bbp te blijven gebruiken.

En dan is er nog het praktische voordeel dat er een theorie onder hangt, die je vertelt wat je als beleidsmaker moet doen – bijvoorbeeld dat je inflatie kunt reguleren met het rentepeil. Maar dat heeft zeker de afgelopen vijftien jaar niet meer gewerkt.’

Veel economen lijken nog steeds te denken dat groei van het bbp iedereen ten goede komt. Maar het publiek is sceptisch.

‘Als je kijkt naar de ontwikkeling van de reële lonen, en naar de spreiding daarvan, zie je steeds meer een tweedeling in de arbeidsmarkt. Het midden wordt verder uitgehold. Wat zegt een gemiddelde per hoofd van de bevolking dan nog?

Wat mij soms wakker houdt: wat doet het met de waarde van mijn huis dat het pakweg anderhalve meter onder de zeespiegel ligt? Moet ik het gauw verkopen uit vrees dat wonen hier op den duur niet houdbaar is? Dat is veel relevanter voor mij dan wat een pak melk kost. Maar terwijl de zuivelprijs precies wordt meegenomen in inflatiecijfers zie je de gigantische schommelingen op vastgoedmarkten er niet in terug – terwijl die een veel directere impact hebben.

‘Van het idee dat cijfers een automatisch kompas verschaffen om beleid op te maken moeten we af’

Er is een kloof in beleving ontstaan tussen cijfers en werkelijkheid. Een halve eeuw geleden associeerden we een laag werkloosheidscijfer met zekerheid en sociale stabiliteit. Nu zijn er veel zzp’ers en is Nederland groot in flexwerk. Wat betekent het werkloosheidscijfer dan nog? Tweedehands kleding is een ander voorbeeld. Mensen beschouwen het hergebruik als winst voor de maatschappij. Het wordt steeds populairder. Maar volgens het bbp is het verlies, want het dempt de productie van nieuwe kleding.

De theorie werkt niet meer, de cijfers zijn irrelevant, aangepaste modellen komen niet van de grond. Dat klinkt wel als een crisis.

Lachend: ‘Vooral voor economen. Daar stort een wereldbeeld in.

Als de cijfers niet meer de hardheid hebben van vroeger gaan mensen het gehele bouwwerk in twijfel trekken. Dan kun je misschien beter focussen op aspecten van de economie die er echt toe doen in de praktijk. Dat je bijvoorbeeld vrij besteedbaar inkomen veel centraler stelt, of buffers voor economische tegenvallers die mensen hebben. Of dat je meet hoe groot de kloof is tussen de onderste en de bovenste tien procent in de inkomensverdeling. En dat je dus wegblijft van zo’n algemeen abstract cijfer dat alles pretendeert te zeggen maar eigenlijk niets meer zegt.’

Eigenlijk zeg je: prima om een aantal relevante zaken te meten, maar trek vooral geen al te grote broek aan.

‘Het zou best kunnen dat wij peak voorspelbaarheid gepasseerd zijn. Dat zou ons een andere blik op de toekomst moeten geven. We zijn nog nooit in een situatie geweest als nu, met wereldwijde overheidstekorten en plotselinge inflatie na negatieve rente. En dan is vanwege covid de geldkraan ook nog opengegaan. Dit is economisch gezien echt terra incognita. Wat zegt dan een uitspraak als “er is opgaande groei”? We kunnen beter leren wennen aan het idee dat we niet alles zeker weten. Leren ontcijferen.’

We willen geen bbp meer, we willen naar brede welvaart, zingt een koor van beleidsmakers en belangenbehartigers, van werkgeversverenigingen tot planbureaus en politiek bestuurders. Naar groei die ook het klimaat in ogenschouw neemt en die rekening houdt met de belangen van armere landen. Brede welvaart kijkt niet alleen naar materiële vooruitgang, maar ook naar immaterieel welzijn. Zodat je misschien vooruitgang kunt boeken zonder de planeet verder te belasten. Brede welvaart als methode van verantwoord groeien. Deze kant wil een groot deel van bestuurlijk Nederland op. De vraag is hoe.

Het is toch logisch dat mensen op zoek gaan naar alternatieven, zoals duurzame groei of brede welvaart?

‘De roep om brede welvaart klinkt al decennialang. Het komt voort uit kritiek op een overdaad aan beperkt economisch denken, waarbij een politiek-bestuurlijk apparaat op basis van econometrische modellen mag bepalen hoeveel geld we nu precies mogen uitgeven en of het goed besteed is. De kritiek daarop luidde decennia geleden al: er zijn veel meer zaken van belang, je moet breder kijken. Ondertussen is men wel blijven vasthouden aan het idee dat we de samenleving met een model moeten kunnen besturen, alleen dan met een breder model.

Dat is lang de teneur geweest. Maar het project zit vast. Een paar jaar geleden heeft de Tweede Kamer een enquêtecommissie ingesteld om te zoeken naar alternatieven voor het bbp. Dat heeft de monitor Brede Welvaart opgeleverd. Die wordt jaarlijks gepresenteerd. Maar sindsdien is het stil geworden. Je ziet er weinig van terug. De ser schreef laatst: wij zijn al dertig jaar bezig met brede welvaart. Dan denk je toch: oef… in al die tijd zo weinig bereikt?

Toch ligt het begrip brede welvaart juist nu in vele monden bestorven.

‘Dat is heel verklaarbaar. Maatschappelijke vraagstukken staan niet op zichzelf. Neem bijvoorbeeld de energietransitie, daar komen zoveel aspecten bij kijken, technische, organisatorische, psychologische, politieke. Men beseft dat het steeds minder zin heeft om beleid te ontwerpen in aparte vakjes of kokers. Maar waar is de geavanceerde machine die alle aspecten in hun samenhang in kaart brengt? Dat model is er niet.

We beseffen dat de wereld complex is geworden, maar we kunnen die complexiteit niet beheersen. De vraag naar brede welvaart komt hieruit voort. Mensen denken: we moeten iets met die complexiteit. Het politiek-bestuurlijke apparaat is er om problemen op te lossen. Dus we moeten aan de slag.

Maar ze stuiten op twee problemen. Er is geen model waarop ze zich kunnen verlaten. Daarnaast weten ze ook niet goed hoe je al die individuele voorkeuren van mensen moet rangschikken. De een zegt: brede welvaart betekent geen stikstof meer in de grond, de ander zegt: meer kansengelijkheid in het onderwijs, een derde zegt: een betere digitale overheid. We weten niet hoe wij dat tegen elkaar moeten afwegen of hoe het op elkaar inwerkt. Wat zijn de trade offs?

Ik ken geen voorbeelden van politieke partijen of zelfs maar van burgers die hier een coherente visie op hebben. Het wordt wel geprobeerd, maar het is zo moeilijk. Dit is echt een dilemma. Je wilt iets doen. Maar wat ga je meten? En hoe leg je uit aan al die belanghebbenden dat hun wens maar voor zoveel procent meeweegt in het model? Het is voor individuen al superlastig om alle aspecten en effecten van hun wensen en gedrag mee te nemen in hun overwegingen. Laat staan om voor een hele samenleving een holistisch en integraal beleid te formuleren dat alle dwarsverbanden meeneemt.’

Is complexiteit beheersen een fata morgana?

‘Voor hier en nu wel, ja. Neem het menselijk lichaam, met alle interacties tussen voeding, gedrag en medicijnen. We kunnen de gevolgen van bepaalde medicatie steeds beter voorspellen, en zelfs bijwerkingen compenseren met specifieke maatregelen. Dat is de vrucht van heel veel onderzoek. Maar maatschappelijke vraagstukken zijn veel moeilijker om te onderzoeken. Nog afgezien van dat de maatschappij permanent verandert.’

Hoe luid de roep ook weerklinkt, hij is gedoemd?

‘Alle pogingen om tot een alternatief te komen, hebben helaas uitermate weinig resultaat opgeleverd. Er is nooit iets uitgekomen dat zelfs maar in de buurt komt van de gebruikswaarde van het bbp.

Daar komt bij dat de tijden nu anders zijn. Het idee van een breed welvaartsbegrip paste bij het optimisme van de jaren negentig. Er zijn steeds meer indicatoren voor positieve maatschappelijke ontwikkeling toegevoegd. Van gemiddelde levensduur en opleidingsniveau tot aan waterkwaliteit, good governance, gendergelijkheid en culturele diversiteit. Via biodiversiteit kregen zelfs zeldzame kikkers in het regenwoud een plek. Alles in het kader van het progressieve vooruitgangsidee dat je welvaart steeds breder definieert.

‘Volgens de SER zijn we al dertig jaar bezig met brede welvaart. Oef… in al die tijd zo weinig bereikt?’

Iedereen en alles krijgt een plek.

Dit optimisme heeft een enorme deuk opgelopen in de afgelopen vijftien jaar. Populisten trekken het in twijfel. Veel mensen steken hun middelvinger op naar waarden als gendergelijkheid of duurzaamheid. Er zijn ook machten elders in de wereld opgekomen, zoals China, met een ander normen-en-waardenkader. Het regenboogpalet van mooie waarden ligt onder vuur, zowel van binnenuit als van buiten.

En we weten inmiddels dat er eigenlijk een enorme kwestie bovenuit torent, in plaats van die honderdduizend dingen die allemaal mooi en waardevol zijn, namelijk klimaatverandering. Hartstikke mooi die zeldzame oranje kikker in Ecuador. Maar even first things first. We moeten de kIimaatdreiging eronder krijgen.

Dat vergt een ander politiek gesprek. Dat je zegt: in het web der verwevenheden zijn sommige waarden nu eenmaal hoger en belangrijker dan andere. Laat ons daarop focussen.

Iedere holistische of integrale aanpak stuit op enig moment op zijn grenzen. Dan rest uiteindelijk om te zeggen: dit zijn onze vijf prioriteiten. We hebben ons best gedaan om de belangrijkste bijwerkingen van ons beleid in kaart te brengen. Ons lijkt dit de meest wenselijke optie. Vooruit, doen. Ook al krijg ik het niet allemaal in een mooi model.’

Het klimaatprobleem legt een bom onder ons denken over welvaart, zegt Mügge. We kunnen niet door op de oude voet. Is het überhaupt nog acceptabel om te willen groeien, nu we weten welk beslag wij op de aarde leggen? Onder Duitse jongeren tussen de veertien en zeventien jaar geeft nog maar één op de vijf voorrang aan economische groei boven klimaatbeleid, bleek uit een recente enquête. Wat is groei dan nog waard? Kunnen we niet beter nadenken over krimp? En niet alleen het bbp maar ook alle varianten van brede welvaart terzijde schuiven? Deze vragen steken steeds vaker de kop op.

Er zijn steeds meer mensen die groei associëren met negatieve gevolgen als opwarming en uitputting van de aarde. Zij willen ontgroeien.

‘Dat hangt helemaal af van wat je als groei rekent. Als mensen meer vrijwilligerswerk verrichten en betekenisvolle dingen gaan doen voor hun medemens geldt dat misschien niet als economische groei in het bbp, maar je kunt wel zeggen: onze immateriële productie groeit. Of als je groeit door vervuilende warmtebronnen te vervangen door zonnepanelen denk ik: goed bezig. Ik betwijfel of je de vraag naar groei op zo’n abstract niveau kunt stellen.’

Weg met groei is geen oplossing?

‘Ik weet niet of dat zinvol is. Stel je vindt dat er te veel eenzaamheid is in Nederland en mensen meer voor elkaar zouden moeten zorgen. Of dat veel kinderen te weinig aandacht krijgen. Dan heb je het over taken die meestal slecht betaald zijn of zelfs helemaal niet.

Tegelijkertijd zie je dat op de Zuidas veel geld wordt verdiend door mensen die constructies bedenken om de winstbelasting te vermijden. Dan denk ik: als deze mensen in plaats daarvan kinderen gingen voorlezen op het kinderdagverblijf zou ik dat beschouwen als groei – want daar schieten we als maatschappij iets mee op. We zijn het er immers al over eens dat die maatstaf van de groei van het bbp toch niet meer ter zake doet.’

Er zijn tegelijkertijd ook veel mensen in Nederland die zich ver af voelen staan van het huidige politieke gebeuren. Die halen hun schouders op over het hele begrip brede welvaart.

‘Er zit een bijna ideologische kant aan het idee van brede welvaart. Het suggereert dat je een maatschappij-brede slotsom kunt maken over hoe het met Nederland gaat. Maar iemand die helemaal aan de onderkant van de maatschappij staat, zegt misschien wel: het interesseert mij geen bal hoe het met de resterende negentig procent ervoor staat. Het moet anders en de rekening deert mij niet.

Ik snap heel goed waar het brede welvaartsdenken vandaan komt, maar het suggereert dat je zaken tegen elkaar kunt wegstrepen: een beetje minder biodiversiteit hier, een paar procenten culturele diversiteit extra daar. Het past bij Nederland als polderland, maar het staat haaks op een politiek die accepteert dat we over sommige zaken consensus kunnen bereiken maar dat in andere kwesties de belangen gewoon uiteenlopen. Hoeveel winst moet een bedrijf delen met de medewerkers? Daar botsen de belangen.

In het brede welvaartsbegrip wegen dimensies van ongelijkheid mee, dat is zeker een verbetering vergeleken met het bbp. Maar uiteindelijk stoelt het op een utilitaristisch wereldbeeld. Bij dat wereldbeeld kun je vraagtekens stellen. Ik vraag mij af of het als normatief kompas op den duur wel deugt voor de maatschappij.’

Omdat we nu eenmaal niet allemaal hetzelfde willen?

‘De voorstanders van brede welvaart bedoelen het goed. Toch is het een politiek van morele leegte als het beperkt blijft tot het optimaliseren van alle nuttige maatschappelijke doelen. Het wil bouwen aan een goede maatschappij, maar verzuimt de vraag te stellen wat mensen daar individueel aan willen en kunnen bijdragen. Daarmee dreigt het een leeg, technocratisch begrip te worden.’

Dat doet mij denken aan tegenstanders van de lockdown aan het begin van de pandemie. Economen zeiden: je moet beleid voeren dat voor de meeste mensen het beste resultaat oplevert. Beter de oudjes afgezonderd en de samenleving zo veel mogelijk openlaten voor minder kwetsbare jongeren. Ook dat is een utilitaristische opvatting.

‘Dat is heel anders dan als je zegt: laten we bij onszelf een beetje barmhartigheid kweken, en steun geven aan mensen die dat kunnen gebruiken.’

Aan de andere kant: de mensen die werken aan brede welvaart proberen juist iets van het goede leven in een methode in te bouwen. Omdat ze denken dat het anders helemaal niet van de grond komt.

‘Dat is waar. Maar het is geen substituut voor wat we net zo goed nodig hebben, namelijk een vorm van morele vernieuwing om naar bredere welvaart te komen.

Brede welvaart stelt vragen als: voelen we ons veilig, zijn we duurzaam voor volgende generaties? Is er voldoende gelijkheid? Is er ruimte voor culturele ontplooiing? Maar het wordt allemaal richting overheid geschoven. Er wordt een technisch bestuurlijk probleem van gemaakt dat er zo’n scheefgroei is ontstaan.

En misschien kan de overheid een deel daarvan aanpakken. Maar er is ook een andere dimensie, op het persoonlijke vlak. Dat wij als individuen in ons dagelijks leven verantwoordelijkheid moeten nemen voor dat wijzelf ons steentje bijdragen aan het verwezenlijken van die doelen. Dat we leven in een maatschappij waar deugden als rechtvaardigheid, empathie, bescheidenheid, moed en de zorg voor anderen gelden als wenselijke waarden. Dat hoort voor mij net zo goed bij het begrip van brede welvaart, ook al laat het zich niet meten.’