We moeten Nederland deeltijdland perfectioneren

Van Steenwijkerland tot Zoetermeer, overal in het land wordt komende zondag internationale vrouwendag gevierd. Er staan ‘swingfeesten’ op stapel, er vindt een ‘vuurloop voor vrouwen’ plaats, er wordt kritische aandacht besteed aan de bimbocultuur en huiselijk geweld, maar meest van al staat de vrouwendagviering in het teken van vrouw en werk. Van de FNV, die het vrouwenfestival ‘Verwen je ambitie’ organiseert, tot feministisch maandblad Opzij, dat publiek zal discussieren over de vraag: ‘Moeten alle vrouwen een betaalde baan?’

Het debat over vrouw en werk loopt inmiddels ruim veertig jaar, en is van een feministisch strijdpunt tot een breed maatschappelijk issue uitgegroeid. Zie bijvoorbeeld het SCP-rapport Nederland deeltijdland, dat vorige maand werd gepubliceerd, waaruit blijkt dat de arbeidsparticipatie van Nederlandse vrouwen hoog is, namelijk 68 procent, maar dat driekwart van de werkende vrouwen deeltijd werkt. Het rapport is gemaakt ten behoeve van de Taskforce Deeltijdplus, en die heeft een helder doel, de titel van haar website geeft het al aan: meerurenwerken.nl.
Er is natuurlijk het een en ander verschoven in de discussie over vrouw en werk. De feministen van de tweede golf ijverden aanvankelijk voor vanzelfsprekende toegang van vrouwen tot studie en werk en voor ‘gelijk loon voor gelijke arbeid’. Werk was een recht. Sterker, werk was het beste antidepressivum voor al die groene weduwes die in schoongepoetste nieuwbouwhuizen achter de vitrages zaten. De redding voor alle ‘happy housewife heroines’ waarover Betty Friedan had geschreven in The Feminine Mystique.
De laatste tien, twintig jaar staat vooral, zoals het zwaar heet, de combinatie van arbeid en zorg centraal. Hoe wordt de man tot stofzuigen aangezet? Hoe kan de kinderopvang naar tevredenheid worden ingericht? Daarbij gaat het er allang niet meer om dat werk leuk, opmonterend en geestverruimend is voor vrouwen, maar dat meer gewerkte vrouwenuren goed zijn voor de economie.
Maar er is ook een constante in het langlopende debat en dat is de morele wederzijdse verkettering die telkens de boventoon voert. Voor de een is de werkende moeder nog steeds ontaard, de ander bestempelt de thuisblijfmoeder als lui. Vindt de een dat moeders hun jonge kinderen mishandelen als ze die naar de creche brengen, de ander noemt het volstrekt ambitieloos als hoogopgeleide moeders niet bereid zijn zestig uur per week te werken. Zeg maar, om de extreme posities aan concrete vrouwen te koppelen, vroedvrouw Beatrijs Smulders versus powerfeministe Heleen Mees. Het zijn, ook dat is een constante, vooral vrouwen die elkaar de mantel uitvegen.
Er zou heel wat gewonnen zijn als die morele lading zou verdwijnen. De werkelijkheid ligt, zoals wel vaker het geval is, heel saai tussen beide extremen in. De meeste vrouwen willen e’n werken e’n er zijn voor hun kleine kinderen. En daar, betoogt Marjon Bolwijn in haar zojuist verschenen boek De ideale werknemer is een moeder, moeten werkgevers de vruchten van plukken, want werkende moeders (en vaders) zijn efficiënt, vindingrijk en gemotiveerd. In plaats van af te geven op ‘Nederland deeltijdland’ zouden we het moeten koesteren en perfectioneren, want vrouwen over de hele wereld benijden de manier waarop Nederlandse vrouwen zich aan e’n e’n kunnen wijden.
En voor wie er toch opuit wil op vrouwendag een tip. Ga naar de film Revolutionary Road en zie hoe Kate Winslet en Leonard DiCaprio verpletterend het jaren vijftig-huwelijk verbeelden. Hij aan het werk, zij thuis bij de kinderen in hun droomhuis in suburbia en het ongeluk dat in hun huwelijk sluipt. In deeltijdland waren ze vast beter af geweest.