Interview: Frank Jaap Buijs over radicale moslims

«We moeten niet zo angstig reageren»

Politicoloog Frank Buijs leidde in opdracht van minister Verdonk een onderzoek naar radicalisering onder moslimjongeren. De ervaringsdeskundige, want zelf ooit (links-) extremist: «Ik begrijp hoe zo’n radicaliseringsproces werkt.»

Een in opdracht van de overheid geschreven rapport dat leest als een trein: je maakt het niet vaak mee. Toch is dat het geval met Strijders van eigen bodem, een studie naar radicalisering onder moslimjongeren die in opdracht van minister Verdonk door een team van het Institute for Migration and Ethnic Studies (imes) van de Universiteit van Amsterdam is geschreven. Doordat uitvoerig wordt geciteerd uit interviews met een aantal van deze jongeren krijgen we bovendien een zeldzaam inkijkje in een denkwereld die velen totaal vreemd is. Nog opmerkelijker is dat de gebruikelijke aanbevelingen ontbreken. Politicoloog Frank Buijs, de leider van het onderzoek, legt uit hoe dat komt: «Minister Verdonk had geen behoefte aan een lijstje adviezen. Ik trek mijn eigen conclusies wel, zei ze. Aanvankelijk was ik hierover nogal verontwaardigd. Ik doe al twintig jaar dit soort onderzoeken in opdracht. Niet zelden ging dat over onderwerpen waarbij je alleen met de grootste moeite adviezen kon formuleren. Nu ging het over een onderwerp dat echt relevant is en hoefde het niet. Maar achteraf was ik er wel blij mee, want nu ben ik in de gelegenheid om een soort actieprogram te ontwikkelen.»

Buijs, die al jaren onderzoek doet naar allerlei vormen van extremisme, heeft uitgesproken opvattingen over de wijze waarop Nederland moet omgaan met radicale moslims: «Bij afschuwelijke gebeurtenissen als de moord op Theo van Gogh wordt te veel aandacht geschonken aan de religieus-etnische achtergrond van de dader. Tijdens haar toespraak op de Dam zei Verdonk: ‹De dader is een Marokkaanse Nederlander.› Bij veel Marokkanen die ook tegen de moord protesteerden, gingen de nekharen recht overeind staan. Wij zijn het weer, was hun indruk. Maar zij wáren het niet, het was een extremist. Politici zullen dergelijke aanslagen veel meer moeten duiden als confrontaties tussen extremisme en democratie.»

Met felle critici van de islam, die het extremisme juist zien als belangrijk kenmerk van de islam, heeft Buijs niet zoveel geduld: «Dan gooi je alles onverantwoord op één hoop. Wij hebben voor ons boek ook gesproken met jonge moslims die politiek actief zijn en duidelijk voor ons democratisch bestel hebben gekozen. Zij ergeren zich wild aan die ongenuanceerde kritiek en voelen zich gekrenkt. Nog belangrijker is dat er binnen de groep, die wordt gezien als geradicaliseerd en potentieel extremistisch, fundamentele verschillen bestaan.»

Frank Buijs c.s. hebben onderzoek gedaan naar de moslimjongeren die zich salafi’s noemen, een woord dat verwijst naar de gelovigen uit de tijd van de profeet. Met 22 van hen hebben ze uitvoerige gesprekken gevoerd. Op basis van deze interviews en bestudering van salafi-literatuur en websites hebben ze drie groepen onderscheiden.

Buijs benadrukt dat ze allemaal een ultraorthodoxe visie op de islam hebben en fel antiwesters zijn: «Maar hoewel ze er niet graag over praten, blijken er toch cruciale verschillen te zijn. Zo zijn er de apolitieke salafi’s, die wel veel aan dawa (zending, verkondiging – rh) doen, maar die van mening zijn dat het niet mogelijk is om in niet-islamitische landen de sharia in te voeren. Zij leiden een teruggetrokken leven en zijn gehoorzaam aan hun religieuze leiders. De politieke salafi’s stellen zich activistischer op, volgen andere geleerden en wijzen geweld in West-Europa af. Ze zijn tegen de democratie, maar willen wel het democratische bestel gebruiken om op te komen voor de rechten van moslims. Ze vinden dat ze zich aan de regels moeten houden, omdat ze een ‹verdrag› met Nederland hebben gesloten.»

De meeste belangstelling van politici, politie en aivd gaat uit naar de derde groep: de «jihadi salafisten». Frank Buijs: «De jihadi’s ontkennen dat ze een verdrag met Nederland hebben gesloten. Ze erkennen onze rechtsstaat niet en vinden dat die met alle middelen bestreden moet worden. De vertegenwoordigers van moslims zien ze als verraders, ze gehoorzamen niet aan de hier aanwezige geestelijk leiders maar hebben via internet hun eigen ideologie bijeengesprokkeld. Enkelen zijn zo doorgeradicaliseerd dat het denkbaar is dat ze geweld gaan gebruiken.»

In het laatste rapport van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding (nctb) wordt het salafisme in zijn totaal afgeschilderd als gevaarlijk, omdat het antiwesters en anti-integratie is. Buijs: «Dat ze antiwesters en tegen integratie zijn is juist. Maar hiermee worden alle salafi’s op één hoop gegooid, terwijl er volgens ons een fundamentele kloof gaapt tussen enerzijds de apolitieke en politieke salafi’s en anderzijds de jihadi’s. De laatste groep is potentieel extremistisch en kan overgaan tot terreur, voor de andere geldt dat ons inziens niet.»

Niettemin worden die twee groepen met wantrouwen bekeken omdat ze zich op een hellend vlak zouden bevinden. Buijs bestrijdt dat: «Juist de afgelopen jaren hebben zich onder deze ultraorthodoxe moslims scherpe scheidslijnen afgetekend. Na de aanslagen van 11 september 2001 heeft zich een aantal ontwikkelingen door elkaar voltrokken. Meer moslims gingen zich intensiever in de islam verdiepen, voelden zich steeds meer in de hoek gedrukt of achtergesteld en er werden felle discussies gevoerd over het gebruik van geweld. Voor 11 september was het een hutjeprutje van opvattingen, was er onder moslims bewondering voor de opofferingsgezindheid van types als Osama bin Laden. Na de aanslagen werd de kritiek op dit extremisme veel gearticuleerder en kristalliseerden de drie stromingen zich verder uit.»

Daar kwam in Nederland de moord op Van Gogh nog eens bovenop: «Zolang het bij woorden blijft, spreekt al dat gepraat over toewijding, opoffering, strijdlust en dergelijke vooral jongeren enorm aan. Na die gruwelijke moord begonnen veel salafi’s zich te realiseren waartoe jihadisme kon leiden. Hoewel we geen kwantitatieve gegevens hebben, bestaat de indruk dat de jihadi’s in toenemende mate geïsoleerd zijn komen te staan. Dat wil trouwens niet zeggen dat het gevaar geweken is. Het is mogelijk dat deze groep verder verschrompelt en uiteenvalt. Maar het kan ook zijn dat een klein groepje door een aanslag wil bewijzen dat ze toch nog wat voorstellen.»

Terwijl Buijs koffie haalt schiet me een uitspraak van Mao Zedong te binnen, die stelde dat de guerrillastrijder zich te midden van de bevolking moet bewegen als een vis in de zee. In de optiek van Buijs begint de zee voor de Nederlandse jihadi’s dus aardig droog te vallen. Dat ik uitgerekend aan Mao moet denken is niet toevallig. Ik zit recht tegenover een boekenkast met daarin de verzamelde werken van Marx, Engels, Lenin, Stalin en Mao, benevens tal van andere boeken en pamfletten uit de tijd waarin Buijs binnen de studentenbeweging en het wereldje van maoïsten gold als een van de ideologische scherpslijpers. Na de Maagdenhuisbezetting in 1969 radicaliseerde hij door en belandde in de ken-ml (Kommunistische Eenheidsbeweging Nederland – marxistisch-leninistisch), die in de loop van de jaren zeventig een gesloten sekte werd. In 1980 heeft Buijs met de ken-ml gebroken. Na enkele jaren waarin hij zichzelf naar eigen zeggen geheel moest «deprogrammeren», pakte hij zijn werk als politicoloog weer op. In 1995 promoveerde hij op een studie over vreedzame en gewelddadige acties tegen het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime en in 2002 publiceerde hij Democratie en terreur: De uitdaging van het islamitisch extremisme.

Wanneer hij terugkeert met de koffie vertelt Buijs dat hij wat betreft radicalisme en extremisme inderdaad een ervaringsdeskundige is: «Geloof me, ik heb het enorm moeilijk gehad met dat politieke verleden. Wanneer ik bepaalde teksten nu herlees of aan allerlei ruzies terugdenk, voel ik een mengsel van schaamte en lacherigheid. Ik moet veel verdrongen hebben.» Dat laatste klopt. Wanneer ik hem vertel dat hij ooit een poging heeft ondernomen om De Groene Amsterdammer in maoïstisch vaarwater te loodsen, waarbij hij door Wouter Gortzak het pand uit werd gevloekt, kijkt hij mij ongelovig aan. Om het zich even later toch weer te herinneren: «Verrek, dat zou ik me uit mezelf nooit herinnerd hebben.»

Tegenwoordig beschouwt hij dit verleden echter ook als een voordeel: «Hierdoor begrijp ik beter hoe zo’n radicaliseringsproces werkt. Hoewel iedereen in zo’n geradicaliseerde groep globaal dezelfde ideeën heeft, zit iedereen daar vanuit een andere achtergrond en met andere impulsen. Sommigen hebben een afgerond wereldbeeld, anderen voelen zich primair onderdrukt of achtergesteld, weer anderen zijn gewoon opstandig of hebben last van te veel testosteron. In zo’n groep gaan al die impulsen elkaar wel versterken, dat zie je bij die jihadi salafi’s ook.»

Buijs herkende ook het verschijnsel dat alle leden van een bepaalde groep in vrijwel exact dezelfde bewoordingen over de ander spreken: «Wanneer je als maoïst met een trotskist of anarchist ging praten, wist je precies hoe de discussie zou verlopen. Je kende alle argumenten en tegenargumenten, alle stokpaardjes en clichés. Dat zie je bij de salafi’s ook. Dat wijst erop dat hun opvattingen goed doorgesproken zijn, dat ze een afgerond wereldbeeld en een sterk ontwikkeld zelfbeeld hebben. Volgens ons vormen de apolitieke en politieke salafi’s dan ook geen opstapje naar het extremisme van de jihadi’s, maar eerder een drempel. Ze vinden dat de jihadi’s er niets van begrepen hebben.»

Maar met het trekken van parallellen tussen het linkse extremisme uit de jaren zeventig en het moslimextremisme van nu is Buijs voorzichtig: «Daar zou ik nog eens heel goed over moeten nadenken. Een belangrijk verschil is dat voor ons de weg terug gemakkelijker was. Wij konden er gemakkelijker uitstappen en ons weer aanpassen aan die vermaledijde ‹burgerlijke› maatschappij. Wij werden verwelkomd als de verloren zonen. Dat ligt bij moslimjongeren nu even anders. De Nederlandse samenleving is wantrouwend en de officiële moslimgemeenschappen hebben een probleem. Ik hoorde onlangs het verhaal over een Amsterdamse moskee waar men vermoedde dat een groepje jongeren zich in jihadistische richting ontwikkelde. Ze zochten contact met die jongens, maar die wilden er niets van weten. Dat is voor zo’n moskeebestuur een groot probleem. Tegelijk moet je je voorstellen wat er gebeurt wanneer het wél lukt om met die jongens in gesprek te komen. Dan staan meteen de politie en de aivd op de stoep.»

Want dat is het punt waarop Buijs steeds weer hamert: «We moeten de moslims de ruimte geven om intern politieke en religieuze discussies te voeren. We moeten niet zo angstig reageren als daarbij radicale opvattingen worden geuit. Democratie betekent niet dat je van iedereen eist dat hij democraat is. In de jaren zestig en zeventig wezen veel jongeren zoals ik de burgerlijke democratie af. Dat is helemaal geen probleem, onze samenleving is sterk genoeg om daar tegen te kunnen. Als je ziet hoe die radicale moslimjongeren zich ontwikkelen, dan zie je dat ze in de westerse samenleving passen. Ze zijn geïndividualiseerd, hun geloof is een individuele keuze, niet iets wat door traditie of gewoonte is ontstaan.»

De linkse jongeren uit de jaren zeventig, wier radicale strapatsen door De Telegraaf, Elsevier en Tros met angst en beven werden gadegeslagen, werden zonder al te veel problemen opgenomen in de samenleving. Zou dat nu ook mogelijk zijn? Frank Buijs: «De echte extremisten zullen zich daartegen verzetten. Wij wilden toen ook niet ingekapseld worden. Maar er zijn wel degelijk mogelijkheden om te voorkomen dat democratisch gezinde moslimjongeren, bij wie inmiddels heel wat rancune jegens de Nederlandse samenleving leeft, gaan radicaliseren.»

Ook de anti-jihadistische salafi is volgens Buijs niet verloren: «Deze generatie haalt vrijwel alle informatie van internet. Daar tref je bijna alleen websites aan die op de jihadistische lijn zitten. Andere, meer gematigde of zelfs moderne islaminterpretaties kom je weinig tegen. Daar zou best iets aan te doen zijn. We zouden islamitische organisaties en moskeeën kunnen steunen in hun streven jongeren weg te houden van het jihadisme. Dan gaan allerlei lieden natuurlijk wel roepen dat dit niet kan, dat kerk en staat gescheiden zijn en dat je de ene groep niet mag bevoordelen boven de andere. Maar je hebt hier een praktisch probleem. Je moet je afvragen welke prioriteiten je stelt.»

Volgens Buijs moeten overheid en publiek niet zo verkrampt reagere: «Het zal allemaal niet vanzelf gaan, en ook niet heel gelijkmatig en overzichtelijk, maar onze samenleving kan wel tegen een stootje. Sommigen zijn bang voor het zogenaamde enclavedenken, voor het ontstaan van parallelle samenlevingen. Marco Pastors roept dan ineens dat moslims in Delfshaven de sharia willen invoeren. Gewoon lachwekkend. De antiwesterse houding van de salafi’s heeft ook te maken met ons gebrek aan normen en waarden, het materialisme van de consumptiemaatschappij. Ook hier zie je tot op zekere hoogte een overeenkomst met de maatschappijkritiek uit de jaren zestig en zeventig. Je moet die kritiek niet zonder meer overnemen, maar je kunt hem wel gebruiken om zelf na te denken. En dan hoef je niet te schrikken van allerlei orthodox-religieuze of zelfs theocratische geluiden. Dat hoort er gewoon bij. Onze vijand is niet een of andere religie, maar het extremisme.» l

Frank J. Buijs, Froukje Demant en Atef Hamdy Strijders van eigen bodem: Radicale en democratische moslims in Nederland

Amsterdam University Press, 304 blz., 29,50