We moeten voortdurend ons best doen het slechte in onszelf te wieden

‘Een tuin is de spiegel van de ziel,’ leerde Maartje Smits toen ze in een woongroep woonde en in de tuincommissie samenwerkte met ‘de Tuinnazi’.

Medium p1010380
© Maartje Smits

De oudste bewoonster van onze straat, een dame van acht-en-zeventig, werkt nog elke dag in de tuin en dat is te zien. Het postzegelparkje dat haar hoekhuis omhelst, ligt er keurig bij. Dit in tegenstelling tot de tuinen in de rest van de straat, waar de meeste mensen hebben gekozen voor onderhoudsarme bodembedekkers als stoeptegels, kunstgras of – waarom niet – kliklaminaat.

Een tuin zoals de hare is tegenwoordig überhaupt een zeldzaamheid, zelfs het gemeentelijk groen in de chicste wijk wordt niet zo fanatiek geschoffeld. Rond elk plantje is de aarde blootgewoeld, de bodem ligt erbij als een pasgewassen kinderkopje waarvan de haren net met een kam in een keurige scheiding zijn getrokken. Nooit groeit er mos op het slingerende tegelpaadje, en het zou me verbazen als er in de halve eeuw dat ze hier woont ooit een brandnetel of paardenbloem is opgekomen. Alles in het tuintje ademt liefde en aandacht, en dat heeft ze niet alleen voor het groen maar ook voor de mens. Jarenlang werkte Buurvrouw voor het Leger des Heils en hoewel ze inmiddels een stapje terug heeft gedaan kunnen de minderbedeelden in onze straat nog steeds op haar rekenen. Altijd heeft ze wel een pannetje soep of een pak koekjes om weg te geven.

De afgelopen weken verschijnt er elke dag een nieuw stuk knipperende kerstversiering tussen de buxusboompjes, laurierstruiken en geraniums. Tegen de gevel wordt het netwerk van verlengsnoeren steeds geraffineerder. Elke contactdoos is zorgvuldig met plastic ingepakt. De verlichting is zo uitbundig dat de planten zelfs bij daglicht haast niet meer te onderscheiden zijn, en straatverlichting ’s avonds overbodig is. Het lijkt wel of ze bang is in het donker.

Een tuin is de spiegel van de ziel, leerde ik toen ik als student in een woongroep woonde en in de tuincommissie moest samenwerken met een man die wij de ‘Tuinnazi’ noemden. Niet dat hij nazistische sympathieën had, hij was best vriendelijk, maar wanneer iemand iets in de tuin plantte dat niet in zijn plan paste, werd dat zo snel mogelijk, zo definitief mogelijk verwijderd. De Tuinnazi hield van onze tuin en werkte er enorm hard voor, maar alleen volgens zijn eigen schoonheidsideaal. Wee je gebeente als je een stoel in het duur gekoesterde gazon zette. Er kwamen steeds meer hekjes, lintjes en bordjes, en al snel was onze tuin alleen nog maar om van een afstand naar te kijken.

Onlangs raakten de Buurvrouw en ik aan de praat. Eigenlijk meer om me een houding te geven zei ik dat haar tuin zo mooi op orde was. ‘Onkruid is van de duivel’, antwoordde ze zonder met haar ogen te knipperen. ‘We moeten voortdurend ons best doen het slechte in onszelf te wieden’, vervolgde ze, toen ik zei dat ik een ijsje ging halen.

Als kind is mij al eens verteld dat ik naar de hel ga. Ook mijn ouders overigens. Over het lot van mijn zusjes sprak dit protestante vriendinnetje zich niet uit. Het was mijn eerste logeerpartijtje, en we kwamen erachter dat ik niet bad niet voor het eten en ook niet voor het slapen gaan. Bovendien gingen wij naar de kermis en vierden we carnaval. Zondig, zondig, fluisterde mijn vriendinnetje in het donker.

Wat voor de een onkruid is, is voor de ander een feest. Mijn bijen hebben deze zomer heerlijke honing gehaald van paardenbloemen, springbalsemien en ander kruid dat hier volop groeit nu de bermen niet meer worden gemaaid. Voor de buurvrouw heb ik een potje apart gezet. Die kan het hebben, ze heeft de afgelopen jaren genoeg goodwill opgebouwd bij God.