‘we moeten vuil en laag zijn’

DE UITSPRAAK ‘less is more’ is zonder meer van toepassing op het werk van Kristien Hemmerechts. Met name in haar verhalen wordt meer verzwegen dan uitgesproken, wordt meer gesuggereerd dan geexpliciteerd. Hemmerechts wordt vaak als realistisch schrijfster bestempeld: in haar proza presenteert ze happen uit schijnbaar gewone mensenlevens, niet meer en niet minder. Opmerkelijk daarbij is dat ze het gedrag en de gevoelens van haar personages nauwelijks verklaart, hun handelingen registreert, maar nooit analyseert. De psychologische duiding, een van de peilers van de klassieke realistische roman, is bij haar hoegenaamd afwezig. Haar roman- en verhaalfiguren zijn onvoorspelbaar en ongrijpbaar, meestal zijn ze in de eerste plaats voor zichzelf raadsels.

Het is dan ook ongetwijfeld ironisch dat Jana Bekkers, een van de hoofdpersonen uit Hemmerechts nieuwe roman Veel vrouwen, af en toe een man, psychologe is. ‘Ziet u, ik geloof niet in psychologie’, vertrouwt ze de directrice toe die haar aanneemt als lerares psychologie. 'Geen honderd psychologen kunnen een mens veranderen.’ Natuurlijk is dat een nogal pessimistisch inzicht: als het menselijk gedrag niet te begrijpen is, kan het ook niet worden omgebogen. De gedachte dat je een ferme greep hebt op je eigen leven berust dan op drijfzand.
IN VEEL VROUWEN, af en toe een man is de onmogelijkheid om jezelf en de ander te kennen inderdaad pijnlijk aanwezig. Het hoogmoedige idee dat je het leven eenvoudig in eigen hand kunt nemen, wordt als een ballon doorgeprikt. Hemmerechts vertelt in haar nieuwe roman vernuftig, in korte afwisselende hoofdstukken, twee verhalen naast elkaar. De ene geschiedenis betreft de herinneringen van Lucie Wasteels, een oudere directrice van een middelbare school, aan haar vroegere lerares Constance Duchene. Duchene was de excentrieke docente Latijn aan de nonnenkostschool, waar Lucie vlak na de oorlog intern zat. Zij maakte haar leerlingen bekend met de Romeinse denkwereld, liet hen in toga’s lopen, met blote schouder, bouwde een heus forum van gips in de kloostertuin en bracht hen de vurige liefdespoezie van Catullus bij. 'Da mi basia mille, dein de centum, dein mille altera, dein secunda centum.’ Geef me duizend zoenen, en nog honderd, en nog duizend andere, en nog eens honderd. Lessen over kussen. Aan een nonnenschool!
Het andere verhaal gaat over de psychologe Jana Bekkers, afkomstig uit een geslacht van leraressen. Haar grootmoeder, moeder, tante en zus zitten allen in het onderwijs. Aanvankelijk lijkt Jana zich niet neer te leggen bij haar lot: 'Het wordt tijd dat iemand iets anders onderneemt.’ Maar als zij tijdens een televisiequiz een baan wint aan een middelbare school, lijkt zij zich in de familietraditie te voegen. De twee verhalen zijn subtiel met elkaar verweven: Jana is de kleindochter van Duchene, Lucie heeft haar op de televisie herkend en haar aangenomen als ontbrekend stukje in de puzzel. Ooit was Lucie een van de drie gratien, een van de drie lievelingsleerlingen van Duchene. De drie gratien zijn nog steeds onlosmakelijk met elkaar verbonden, inmiddels als drie antieke monumenten aan dezelfde school. In Jana ziet Lucie een nieuwe Venus.
Kristien Hemmerechts laat in Veel vrouwen, af en toe een man zien hoe moeilijk het is om in het heden te bestaan, hoe ingewikkeld het is om je bewust te zijn van je identiteit. De drie gratien leven vooral in het verleden. Lucie probeert met Jana de verloren tijd terug te halen, in feite om een vroeger drama ongedaan te maken. Een van de andere gratien heeft psychologische problemen die alles met haar onverwerkte verleden te maken hebben: ze verbeeldt zich dat een non in haar tuin telkens door haar slaapkamerraam loert. 'Nil novi sub sole’, er is niets nieuws onder de zon, was de zegswijze die Duchene elke les herhaalde. Voor het nieuwe onder de zon hebben de drie oude leraressen nagenoeg geen oog. Zoals een van hen zegt: 'We zijn dwaze vrouwen die hetzelfde verhaal blijven vertellen.’
Jana kan niet in het heden bestaan omdat ze geen identiteit heeft. Ze heeft honderd levens, bedenkt ze, ze is niemand en iedereen. In haar warrige brein duiken twee afgebakende identiteiten, twee vrouwelijke prototypen steeds weer op: die van de kuise lerares en de seksueel ongeremde hoer. In een linnen pakje en met opgestoken haar is ze een lerares, in pikant ondergoed en met beschilderd gezicht is ze de hoer. Haar moeder was ook thuis een mooie lieve mama en op school de degelijke docente. Beroepshalve kent ze de term die op haar, en eigenlijk iedereen, van toepassing is: psychologie van de gespleten persoonlijkheden.
DIE GESPLETENHEID is niet alleen terug te vinden in Jana’s eigen 'wriemelige’ gemoed, maar ook in de kloof die loopt tussen haar zelfbeeld en het beeld dat anderen van haar hebben. Ze typeert zichzelf als slecht - 'Ik ben geen mens’ - maar de mensen om haar heen zien dat niet in. Haar moeder, haar zus, de drie gratien, allemaal projecteren ze hun eigen verlangens op haar. Zelfs haar man ziet haar niet zoals zij is; hij ontkent dat ze scheel kijkt, terwijl ze tijdens haar lessen merkt dat ze een schele blik heeft. Het is een bittere ondervinding, want 'wie was ze in ’s hemelsnaam als ze niet was wie iedereen dacht dat ze was’.
De spanning tussen heden en verleden en tussen de verschillende identiteiten van Jana verbeeldt Hemmerechts mooi in het werk van Jana’s man. Hij verzamelt foto’s van oude stadsgezichten en landschappen en probeert vervolgens die plekken op te sporen om er een nieuwe foto van te maken. Die oude en nieuwe foto plaatst hij naast elkaar, gescheiden door een vel micapapier. Jana bedenkt dat haar echtgenoot haar micapapiertje is: aan de ene kant een normale vrouw, aan de andere kant een abnormale; vrouw met hart naast vrouw zonder hart. Uiteindelijk spreekt ze de hoop uit dat de scheiding verdwijnt, dat de beelden samenvloeien. 'Misschien zou op een dag het micapapiertje blijven vastplakken, zou het zich vermengen met haar huidcellen, een deel worden van haar lijf.’
Het is niet voor niets dat er sprake is van huidcellen en lijf. Hemmerechts lijkt te suggereren dat juist in de lichamelijkheid, in de seksualiteit een oplossing ligt. De drie gratien zijn dan wel vertrouwd met de kussen van Catullus, ze geven er geen blijk van de seksualiteit in hun leven te hebben geintegreerd. Jana ontkent haar lichaam geenszins. 'We moeten vuil en laag zijn. We moeten zondig zijn’, realiseert ze zich. Als zoveel andere vrouwen in het werk van Hemmerechts geeft zij zich over aan, al dan niet sadomasochistisch getinte, seksuele fantasieen en blust zij haar lust met masturberen.
In een van haar lessen legt ze uit dat meisjes volgens Freud minder masturberen dan jongens omdat ze dan met hun gemis worden geconfronteerd. Het gemis van de penis wel te verstaan. Niet aan zelfbevrediging doen is eigenlijk te beschouwen als een uiting van zelfhaat: de vrouw heeft een hekel aan haar gecastreerde lichaam, heeft een gering besef van haar eigenwaarde. Jana realiseert zichzelf, zo zou je met Freud in de hand kunnen zeggen, juist door te masturberen.
Jana bestaat ten slotte echt in het heden door een pornografische fotosessie. Ze laat zich door haar man in allerlei onzedelijke posen vastleggen. Zij wil zich aan hem tonen om gezien te worden. En hij ziet haar zoals ze is: voor het eerst ziet hij dat ze daadwerkelijk scheel kijkt. Loensen noemt hij het, en hij vindt het nog sexy ook.
Met Veel vrouwen, af en toe een man heeft Kristien Hemmerechts een geraffineerd geconstrueerde roman geschreven. De verschillende verhaallijnen zijn buitengewoon knap met elkaar verknoopt, de verbanden worden nergens te expliciet gemaakt. In feite heeft de roman de kracht van haar suggestieve, meer verhullende dan onthullende verhalen. Less is more, inderdaad.