Migratiedenkers #8: Erik Borgman

‘We moeten weer goed willen zijn.’

Erik Borgman vindt dat vluchtelingen zo snel mogelijk in staat moeten worden gesteld maatschappelijk actief te zijn. Een samenleving is permanent in wording, en vluchtelingen maken deel uit van dat proces. ‘Mensen zijn niet alleen bouwstenen, ze moeten ook architect kunnen zijn.’

Medium hh 51744158

Theoloog en filosoof Erik Borgman weigert het woord ‘crisis’ in verband te brengen met de komst van vluchtelingen. Spreken van een ‘migratiecrisis’ is tot daar aan toe, met het oog op de spanningen waaraan de Europese Unie door de immigratie is blootgesteld, maar het gaat hem te ver over de vluchtelingen zelf als een crisisverschijnsel te spreken. De wereld is geen vooropgezet plan waarin de een wel thuishoort en de ander niet.

Met een bijbelse metafoor, ontleend aan het evangelie van Marcus, vergelijkt Borgman de vluchtelingen met mosterdzaadjes die kunnen uitgroeien tot een nieuwe, volle struik waarin het voor iedereen aangenaam vertoeven is. ‘En wij zijn geroepen de grond te zijn waarin zij kunnen groeien’, zegt Borgman over de noodzaak de vluchtelingen niet als uitgestotenen te behandelen, maar als mogelijke deelgenoten aan een gezamenlijke toekomst.

‘Er zijn altijd niet-geïntegreerde mensen’, zegt hij. ‘Soms zijn dat de nieuwkomers, soms de uitgestotenen, soms de mensen met beroepen waaraan geen behoefte meer is. Als we dat weer begrijpen, dat de samenleving een integratieprobleem tout court heeft en permanent voor de taak staat de mensen in de marge weer in zich op te nemen, dan kunnen we bezien wat er mogelijk is voor álle getroffenen. Dus voor de vluchtelingen zowel als voor de mensen die zich tegen hun komst verzetten, uit angst het beetje te verliezen dat ze nog hebben. Nu dreigt de vluchtelingenkwestie in een soort voorzieningencarrousel te ontsporen, waarin de mensen in Steenbergen en Purmerend redeneren: ho, ho, er zijn al te weinig betaalbare woningen, dus als er in mijn dorp drie keer zo veel mensen bij komen, hebben wij drie keer minder kans op een huis.’

Hoe breng je hun lot in één lijn met dat van de vluchtelingen? ‘Waar zij eigenlijk tegen protesteren is dat zij niet worden gezien, zoals ook de vluchteling niet wordt gezien. Dan is het begrijpelijk dat zij denken te moeten vechten om dat kleine stukje buit dat voor hen rest. Wat je de politieke elite kwalijk moet nemen is haar blindheid voor de mechanismen in de samenleving die mensen uitsluiten. Als je een beetje je best doet komt het wel goed, zegt ze tegen die mensen, maar zo is het helemaal niet. Zowel zij als de vluchtelingen worden in de steek gelaten, of hebben aanleiding dat te denken, en gaan dan maar met elkaar de strijd aan om dat kleine beetje dat er rest.’

Borgman (58) is gepromoveerd op een proefschrift waarin hij de katholieke bevrijdingstheologie, de zwarte theologie en de feministische theologie beproeft op het beeld van een ‘bevrijdende God’. Sinds 2007 is hij hoogleraar in Tilburg. In Utrecht bewoont Borgman met zijn vrouw een deel van een oud dominicanenklooster. Het andere deel biedt onderdak aan een stichting die vluchtelingen helpt in Utrecht een bestaan op te bouwen.

Borgman is lid van de achthonderd jaar oude orde der dominicanen. De orde, kritisch tegenover kerkelijk gezag, kan bogen op inhoudelijke autoriteit, dankzij de intellectuele traditie waarin ze staat. ‘We zijn van het ouwehoeren’, zegt hij zelf met zelfspot over die traditie. Ook buiten de eigen kring wordt zijn denken gewaardeerd. Vrij Nederland koos hem in 2008 tot een van de meest scherpzinnige denkers van Nederland. ‘Het feit dat hij op vrijwel iedere vraag twee antwoorden geeft typeert hem als een man van nuance en contrast’, schreef het Reformatorisch Dagblad over hem.

De gedachte dat vluchtelingen en hun luidruchtige tegenstanders beiden behoren tot de ‘niet-geziene’ groepen associeert Borgman met de denkwereld van James Baldwin (1924-1987), de meester-essayist uit de zwarte Amerikaanse literatuur. In het essay Of the Sorrow Songs: The Cross of Redemption schreef Baldwin over de positie die zwarten op het dieptepunt van de segregatie in de Verenigde Staten innamen: ‘Het is moeilijk om zwart te zijn en daarom officieel en dodelijk veracht. Het is nog moeilijker om zoveel mensen te verachten die zichzelf als wit beschouwen en voor wier blindheid je de verplichte grijns produceert. En het is nog moeilijker om uit de verwoesting het leven te vertrouwen, lief te hebben, te worden liefgehad.’

Borgman licht toe: ‘In de eerste plaats beschrijft Baldwin hier dat wie niet gezien wordt zoals hij is, maar als een stereotype – zwart, vluchteling – ook zelf niet precies kan zeggen wie hij is. Hij ervaart vooral dat hij niet thuis is in de cultuur waarin hij verkeert. Dat hij niet is wie hij geacht wordt te zijn. Hij zal altijd de allochtoon zijn die moet bewijzen dat hij wél mee mag doen. Dat bedoelt Baldwin als hij zegt dat het moeilijk is zwart te zijn, omdat het simpelweg betekent dat je eigenlijk niet mag bestaan. Voor je eraan toekomt je eigen positie te bepalen, moet je eerst in jezelf dat moment verslaan waarin ook in jou de stem klinkt: wat je zegt is eigenlijk niks, wat je doet is eigenlijk verkeerd, hoe je eruitziet is eigenlijk lelijk, je mag er niet zijn.’

Uit Baldwins schets van deze ervaring van vervreemding trekt Borgman de conclusie dat voor integratie niet zozeer een aanpassingspolitiek nodig is, als wel meer ruimte voor vluchtelingen om te ontdekken wat zij hier van hun leven kunnen maken. ‘Het morele argument is dat als we zeggen de menselijke waardigheid te respecteren we niet alleen anderen niet mogen pijnigen, laat staan doden, maar ook dat we iedereen de kans moeten geven dat wat in hem zit te ontwikkelen. In beginsel is een samenleving waaraan meer mensen een bijdrage hebben kunnen leveren een betere samenleving. Waarom? Simpelweg omdat ze een samenleving is waaraan meer mensen een bijdrage hebben kunnen leveren. Dat heeft voor mij met religie te maken. Het gaat uiteindelijk om het vermogen om je in vertrouwen over te geven aan een toekomst die je van anderen krijgt.’

De vluchtelingen zelf weten vooral wat ze achter zich willen laten. Hun beeld van de toekomst is nog vaag, behalve dan dat die vrij van bommen moet zijn. Borgman: ‘Je verlaat huis en haard. Je besluit wat je mee kunt nemen en wat je achterlaat, je roept je kinderen en je gaat lopen. Dat zijn nogal beslissingen. Er zit ook een soort ernst in, alles op één kaart zetten, waarvan wij wat kunnen leren. Ze komen hier gewoon om een beter leven te leiden, en tja, wat dat is, dat weten ze niet, dat komen ze hier zoeken, dat hopen ze hier te vinden. En precies die taaie hoop, die hebben zij aan te bieden.’

Hij kenschetst elke vluchteling die Nederland weet te bereiken als een ongerealiseerde mogelijkheid: ‘Dus dat hele idee dat wij eerst beslissen welke natie we willen zijn en wie daar al dan niet inpast begint aan de verkeerde kant. Ieder individu heeft de potentie mogelijkheden te openen die er nog niet eerder zijn geweest. Op een meer sloganachtige manier gezegd: mensen zijn niet alleen bouwstenen, ze moeten ook architect kunnen zijn. Dat is de dynamiek van het menselijk bestaan. Een samenleving bouwt zichzelf zo op.’

Zijn pleidooi impliceert dat vluchtelingen zo snel mogelijk in staat moeten worden gesteld maatschappelijk actief te zijn, in een baan of een andere functie. ‘Dat zeggen verstandige mensen ook al: geef ze in Gods vredesnaam meteen taalles en wacht niet allerlei procedures af, want dan zijn ze apathisch en moeten ze eerst weer worden gestimuleerd iets te gaan doen. Ze eerst tot lethargie veroordelen en dan zeggen: jullie moeten wel iets willen, ja, zo heb je altijd wel problemen.’

Veel hangt volgens hem af van welke zienswijze op de natie leidend is in het beleid. In de nationalistische visie is de natie een gestold geheel, gekenmerkt door een afgebakende, statische cultuur die voor nationaal wordt gehouden. Wie zich blindstaart op die vermeende nationale identiteit heeft geen oog voor de rest van de wereld, meent Borgman: ‘Ik ben niet zo van dat naar binnen gekeerde.’ De natie is nooit een afgerond verhaal. Zij is wat men maakt, niet wat men is, schreef de Spaanse filosoof José Ortega y Gasset in zijn klassieker Opstand der horden. Borgman ziet de natie als een entiteit die permanent in wording is, dus aan voortdurende verandering onderhevig. De vluchtelingen maken deel uit van dat wordingsproces, zodra zij hier arriveren.

Borgman: ‘We hebben de vluchtelingen die naar Nederland komen niet zelf gekozen. Hoewel er allerlei redenen kunnen zijn om ze hier liever niet te hebben, wordt een samenleving nu eenmaal gevormd door de mensen die er zijn. Met hen hebben we het te doen. Dat is op een bepaalde manier wel een bewust besluit, om je niet te verzetten tegen de omstandigheden. In een bos is het toch ook niet wijs alle bomen om te hakken omdat je liever gras hebt. Mensen kunnen niet op de verkeerde plaats zijn, half religieus gezegd, en dat begrijpen vluchtelingen beter dan de mensen die al generaties lang denken dat het land van hen is.’

Borgman herkent dat statische denken ook in de weerstand tegen vluchtelingen. Mensen kunnen het volgens hem moeilijk verdragen als de werkelijkheid een andere blijkt te zijn dan het beeld dat zij zich ervan vormen. Het is een menselijke eigenschap om dan te verlangen dat de werkelijkheid zich aanpast, in plaats van dat beeld bij te stellen.

Borgman: ‘Wij verzinnen de wereld, of we denken dat de wereld is geordend volgens de principes die wij ervoor hebben bedacht. Ook in de vluchtelingenkwestie is het een probleem dat we al lange tijd gevangen zitten in een bubbel van verzonnen werkelijkheden. Dat geldt bijvoorbeeld voor dat harde onderscheid dat de politiek maakt tussen echte vluchtelingen en economische. Iedereen die wel eens een vluchteling heeft gesproken, niet volgens het protocol van de immigratiedienst maar écht gesproken, weet: dit slaat nergens op. Er is geen hard verschil tussen bommen en honger, je kunt aan beide sterven. Er is altijd dat motief: als mijn kinderen en ik hier niet kunnen overleven, moet ik misschien wel een radicaal besluit nemen en vertrekken. Wie is dan de echte vluchteling en wie niet?’

Hij pleit ervoor de toekomst letterlijk te nemen, als iets wat naar ons toe komt. Dat maakt het gemakkelijker de schok van het onverwachte te accepteren als een onvermijdelijk verschijnsel van de menselijke dynamiek. ‘De toekomst wordt niet gemaakt door wat wij zelf bedenken of door wat wij ons kunnen voorstellen. Hij komt naar ons toe en is daarmee onbekend. Een experiment waarin we niet eerst hebben kunnen oefenen. Wij gaan er niet over. In die zin relativeert de bijbelse traditie het geloof in de menselijke autonomie, in het sterke individu dat de wereld naar zijn hand kan zetten. Veel dingen overkomen ons. Daar moeten we iets mee. Deze notie zegt iets tegendraads over onze beheersingsideologie. Het gaat niet alleen over jouw plan. Leven is ook deelnemen en ontvangen. Er gebeurt iets en je kunt niet anders dan daar deel van worden, in het vertrouwen dat het goed zal zijn.’

Borgman constateert dat het voor hedendaagse mensen in het Westen moeilijk is zo’n onthechte houding aan te nemen, gewend als zij zijn aan de gedachte dat ze zelf in grote mate hun bestaan beheersen. Dat is volgens hem maar ten dele waar: ‘Voortdurend proberen we te houden wat we hebben, in de hoop dat het morgen net zo zal zijn als vandaag. Dat kunnen we niet en daardoor worden we onzeker. Zo is het van belang ons te realiseren dat de vrede in Europa niet vanzelfsprekend is. Het kan echt nog een keer oorlog worden, maar dat willen we liever niet weten. Het uitbannen van degenen bij wie de oorlog een verse herinnering is, de vluchtelingen, kun je ook zien als een soort wanhoopspoging om onze illusie te beschermen dat we veilig zijn. Degenen die beter weten komen dan als een bedreiging over. Door dit soort monovisies zijn we het inzicht verloren dat een bedreiging ook van binnenuit kan komen. Dat we zelf degenen kunnen zijn die de zaken versjteren. Dat het kwaad zich toch ook aan onze kant van het hek kan bevinden, hoe hoog we het ook maken.’

Ook de politiek wordt volgens Borgman al te zeer beheerst door de drang de werkelijkheid aan het gewenste beeld aan te passen. Overspannen verwachtingen van een planmatige aanpak en het maakbaarheidstreven zijn daarvan de verschijnselen.

‘De moderne staat leeft voortdurend boven zijn stand. Hij legitimeert zich door vrede, veiligheid en voorspoed te beloven, maar kan dat niet waarmaken, laat staan afdwingen. Natuurlijk niet, want het gaat hierbij om precaire toestanden die voortdurend behoedzaam opereren vergen. Wij zijn echter het idee dat de staat deze zaken moet garanderen zo vanzelfsprekend gaan vinden dat wanneer ze bedreigd worden wij vanzelf om meer staat gaan roepen, meer beheersing, meer controle. Red ons van het kwaad!’

Werkelijk vertrouwen in de mogelijkheid goed te leven krijgen mensen pas weer als zij ontdekken dat dit mogelijk is te midden van de dreiging door het kwaad, zegt hij. ‘We moeten weer goed willen zijn.’ Hij citeert de dichter T.S. Eliot, die over de regeldrift schreef:

Zij proberen voortdurend te ontsnappen

aan de duisternis buiten en vanbinnen

door te dromen van systemen zo volmaakt dat niemand meer goed hoeft te zijn.

Maar de mens die is volgt als een schaduw

de mens die hij voorwendt te zijn.

De illusie van de maakbare samenleving maakt het moeilijk de dingen die onverwacht, maar ook onvermijdelijk zijn te laten gebeuren, zoals de explosieve stijging van het aantal vluchtelingen uit gebieden waar de oorlog escaleert. Met het complexer worden van de maatschappij, waarin het een op onvermoede wijze met het ander samenhangt, zal tegelijkertijd de roep om het geheel ordelijk te houden krachtiger worden. Volgens de meest recente maatschappelijke barometer van het Sociaal en Cultureel Planbureau neemt het aantal burgers die Nederland dicht willen toe. De politiek reageert daarop met de wens steeds hogere beleidsmatige barrières tegen de vluchtelingen op te werpen, om zo als het ware de grens te sluiten.

Borgman: ‘Wij geloven dat iets alleen maar goed kan zijn als wij het hebben verzonnen. Iets wat ons overkomt kan dat niet zijn. Dat is politiek gesproken een van onze grote kwalen. In dat boek van Paul Scheffer over immigratie, Land van aankomst, wordt het als een probleem gezien dat de vreemdelingen komen terwijl wij dat niet willen. Ze komen en daarbij verliezen we de beheersingsmacht. Ho even, wij waren toch degenen die hier bepalen wie er komt? Zo is het in de politiek ook. Hoewel we allemaal weten dat we over twintig, dertig jaar meer mensen nodig hebben om de boel draaiende te houden, vinden we degenen die nu komen altijd de verkeerde. Díe hebben we niet uitgenodigd, díe niet! Zelfs tegen immigranten die hier al lang zijn, de Mauro’s die én een opleiding hebben, én goed Nederlands spreken, én bij de plaatselijke voetbalclub spelen, zeggen we: sorry, je moet eerst weg, en dan gaan wij wel eens bepalen wie we toelaten.’

Aan James Baldwin ontleent Borgman een kenschets van de jazz als metafoor voor de wijze waarop de ordening in de moderne samenleving tot stand komt. ‘Jazz is muziek die ontstaat terwijl er wordt gespeeld. Er is een basisschema, maar geen dirigent, geen partituur. De een speelt iets, de ander gaat er tegenin of probeert er overheen te komen, soms blaast iedereen om het hardst, maar toch ontstaat er langzamerhand iets als muziek, want je weet ook dat je het gezamenlijk moet doen. Als beeld van de samenleving is jazz een aanmoediging om achter de verschillen en de botsingen die daarvan het gevolg zijn de samenhang te zoeken. Dus niet roepen als zich een conflict aandient: ho, ho, de samenleving valt uit elkaar!’

Dat betekent niet dat het nooit moeilijk zal zijn, beklemtoont hij. ‘Iedereen zal wel eens zo’n moment hebben dat-ie denkt: het bestaan zou wel een stuk gemakkelijker zijn als we allemaal hetzelfde zouden denken. Ook ik heb niet zo veel op met die politiek correcte neiging: we hebben het zo leuk met elkaar en we moeten blij zijn met de diversiteit. In een preek in Madison Square Garden wees paus Franciscus tijdens zijn bezoek vorig jaar aan de Verenigde Staten op het leven in de stad, met zijn grote diversiteit en de veelheid van manieren waarop mensen de zin van het leven uitdrukken. Dat kan in het dagelijks leven lastig zijn, moeilijk, ergerniswekkend. Maar is de situatie daarmee hopeloos? Dat nooit. Daarin moet we koppig zijn. We hebben ook weerstand nodig, een tegenargument dat je uit je baan gooit. Dat moeten we blijven opzoeken. Zo gaat Jezus ons nog altijd voor, zei de paus. Dat denk ik ook.’

Benieuwd naar meer perspectieven?

Maak kennis de zeven anderen die Erik Borgman voorgingen in onze speciale serie ‘migratiedenkers’.

(7) Tamar de Waal - ‘Dit komt ons duur te staan’

Medium beeldunie 00120564

(6) Ayhan Kaya - ‘Geen van de partijen staat er fraai op’

Medium rts1aey

(5) Ruud Koopmans - ‘Het blijft angstwekkend stil’

Medium hh 51710654

(4) Ad Melkert - ‘Je komt telkens bij Rusland uit’

Medium anp 35705215 2

(3) Farish Noor - ‘Vluchtelingen beantwoorden niet aan de marktvraag’

Medium rtr4yf8c

(2) - Slavenka Drakulic - ‘Wij kennen geen solidariteitsgevoel’

Medium nn11442005

(1) Ian Goldin - ‘De migrant belichaamt de angst voor globalisering’

Medium havenarbeiders cor 20jaring

Beeld: Erik Borgman, Utrecht, 20 oktober 2015 (HH / Jörgen Caris)