We naderen Wenen

Waarom schatten we de liefde pas op waarde als we haar missen? Het is een van de beste openingszinnen van een roman die ik ken. Soms is het zo verleidelijk iets van een ander over te schrijven. Is het angst, of is het iets anders? Ik heb wel eens een heel boek overgeschreven, gewoon, om warm te draaien. Om erachter te komen dat andermans zinnen de mijne niet zijn.

Boven mijn bureau, op mijn werkkamer, hangt een groot wit papier, er staan twee woorden op geschreven. Ik weet nog dat ik die woorden opschreef, veertien jaar geleden, ik zat in het vliegtuig van Wenen naar Amsterdam, ik had het papier meegenomen uit het hotel waar ik verbleef.

Het punt is: het begin is nooit een eerste zin.

De kunst van het beginnen is de indruk te wekken dat het al begonnen is. Want zo is het in werkelijkheid ook: alles is al begonnen als jij erbij komt.

Als het begin niet goed is, kan ik niet verder. En of het begin goed is, dat wéét je. Net zoals je wéét of andermans begin goed is.

Tegelijkertijd is het onmogelijk iets algemeens te zeggen over wat een goed begin is.

Waarom schatten we de liefde pas op waarde als we haar missen? Ik houd van de onmiddellijke hysterie die in deze vraag gevat is, het voorschot dat erin wordt genomen op wat ons te wachten staat. Hier gooit iemand meteen, zonder terug­houding, alle remmen los.

Een andere lievelingsopeningszin is deze:

Ik was elf jaar niet meer in New York geweest.

Door de vanzelfsprekende dagelijksheid van deze mededeling, de zelfverzekerdheid die eruit spreekt, maakt de schrijver het acuut duidelijk: je hebt gewoon maar naar me te luisteren, waar dit verhaal ook op af gaat, het is de moeite waard want ik ben het die het je vertelt.

Geef me een beginzin, hoe vaak denk ik dat niet: maak de keuze voor mij.

Ik sla een willekeurig dik boek open, prik blind een letter.

Ik heb wel eens een boek geschreven helemaal op basis van de cover van een willekeurige editie van The New York Review of Books. Alle kreten en namen die op die cover stonden, moesten terug­komen in mijn verhaal.

Het boek dat ik nu schrijf volgt de coupletten van een nummer van Tom Waits.

De wereld is te groot. Hoe maak ik de boel klein, zonder dat ik klink als een debiel, een overspannene, als tante Miep.

Dat ik veertien jaar geleden die twee woorden op dat grote witte vel papier schreef had te maken met het nadenken over het boek dat ik wilde schrijven. Ik had het jaar ervoor mijn eerste boek gepubliceerd, het werd tijd voor iets nieuws. In Wenen diende iedereen en alles zich aan als potentieel materiaal. In het vliegtuig terug kookte ik over. Opeens wist ik het. Wat ik wilde schrijven, hoe ik ging beginnen. Het danste voor mijn ogen, zo duidelijk, zo kloek. Ik pakte het papier, en schreef die twee woorden, voordat ze weer weg waren gewaaid.

Het moment. Dat is wat er staat op dat vel.

Ik had alles uitgedacht, was de kosmos door­gevlogen, gestorven en weer opgestaan, en kwam hier op uit: Het moment.

Het moment dat?

Ik denk dat het dit was: het moment dat ik dacht dat ik wist hoe te beginnen.

Ik was zó blij, zó opgelucht. Ik maakte degene die naast me zat in het vliegtuig, en die me al langer kende dan die dag, onmiddellijk deelgenoot van mijn euforie.

Ik weet het, zei ik.

Hij zag me die woorden schrijven, zo monter, zo rond.

Wat heerlijk voor je, zei hij. En hij stopte zijn pijp. Ik bedoel: hij las verder in zijn boek.

Ik weet het niet goed meer, wat ik allemaal voor me zag toen ik die woorden opschreef: Het moment.

Het was in ieder geval het moment dat ik het licht zag.

De beginzin van het boek, dat er kwam, hallelujah, werd uiteindelijk deze:

We naderen Wenen, dat voel je als je het raampje openschuift.

Ondertussen ben ik dit verhaal begonnen met een flagrante leugen. Boven mijn bureau, op mijn werkkamer, hangt geen groot wit papier met daarop twee woorden. Het papier bestaat, met die twee woorden, in mijn handschrift, alleen hangt het niet boven mijn bureau, op mijn werkkamer, maar op de werkkamer van degene die naast me zat in het vliegtuig. Mijn werkkamer is op zolder, die van hem een verdieping lager. Ik breng hem koffie, maak een praatje, en altijd als ik bij hem in de deur­opening sta, is het het eerste wat ik zie hangen.

Waarom hangt het daar?

Ik kan twee redenen verzinnen, en als ik eerlijk ben drie.

a. Het is de herinnering aan een leuk weekendje weg

b. Het is bedoeld om mij af te remmen in mijn behoefte keer op keer te willen vertellen dat ik het nu écht weet

c. Het markeert de overgang naar andere tijden

Na ieder boek is de wereld definitief veranderd. Moet er opnieuw begonnen worden. Ik weet het weer, hoe het moet.