‘We roken mensen uit, zodat ze het land uitgaan’ Uitzetbeleid faalt

De geoliede uitzetmachine waar de politiek van droomt, is in werkelijkheid een carrousel. Wat doet de overheid? Die breidt de vreemdelingenbewaring uit.

ROTTERDAM – De metaaldetector bij de ingang van uitzetcentrum Rotterdam Airport heeft er zin in deze ochtend. Al voordat mensen die voor het bezoekuur komen door het poortje lopen, piept het apparaat volop. Na ruim tien minuten wachten, bezittingen in een kluisje stoppen, schoenen uittrekken en riem afdoen – nog steeds gepiep – gebaart de beveiligingsmedewerker me door te lopen, zonder dat ik gefouilleerd word. Een jong, Turkssprekend gezin moet dezelfde procedure volgen. Het eerste kwartier van hun bezoekuur zijn ze al kwijt. Een van de twee jongetjes heeft een uit rood papier geknipt hart bij zich, met een tekening en wat gekrabbel erop. ‘Dat mag niet, die moet u hier laten’, gebiedt de security vanachter het glas bij de receptie. De vader kijkt ongelovig, maar de beveiliger houdt vol. ‘Helaas meneer, regels zijn regels, er mag niets mee naar binnen, behalve wat kleingeld.’ De man wappert rood aanlopend met het knutselwerkje. ‘Maar het is van papier, kijk maar!’ ‘Sorry, maar dat zijn de regels. Die moeten wij nu eenmaal uitvoeren.’

Rotterdam Airport, ofwel Zestienhoven, is een van de twee Nederlandse uitzetcentra, samen met het beruchte complex bij Schiphol. De bewoners van de onopvallende hangar met aanbouw op enkele honderden meters afstand van de Rotterdamse luchthaven zitten officieel in vreemdelingenbewaring. Hoewel velen van hen nergens voor veroordeeld zijn, wordt deze groep volgens een vorige week verschenen onderzoek van de Universiteit van Tilburg slechter behandeld dan ‘normale’ gevangenen. Het begint al met de hap-snap-huisvesting. De in de hangar gevestigde verblijfsunits hebben geen directe toegang tot daglicht en buitenlucht, aldus een rapport uit 2004 van de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Aan het einde van de gang van elke verblijfsunit bevindt zich een kleine kooi, om te luchten. In de vrouwenvleugel zijn de cellen open tot negen uur ’s avonds, in de mannenvleugels gaan de deuren al om vijf uur ’s middags dicht. Een kostprijsoverweging naar eigen zeggen. Een volwaardig activiteitenprogramma is er niet. Bewoners van het sobere, maar voor de rest op het oog redelijk nette centrum klagen op de eerste plaats over de verveling.

Het was dan ook de bedoeling dat mensen hier slechts enkele dagen zouden verblijven. Volgens de factsheet ‘Terugkeer van uitgeprocedeerde asielzoekers en andere vreemdelingen’ heeft een uitzetcentrum de taak ‘uitgeprocedeerde asielzoekers en illegale vreemdelingen op korte termijn uit te zetten naar hun land van herkomst’. De uitzetcentra vormen het sluitstuk van de gestroomlijnde uitzetmachine die minister Verdonk van Vreemdelingenzaken en Integratie bij haar aantreden voor ogen stond. Via een nauwsluitende keten van vertrekcentra, uitzetcentra en vreemdelingengevangenissen moest het uitzetten van uitgeprocedeerde asielzoekers en andere illegale vreemdelingen nu eindelijk eens daadkrachtig ter hand genomen worden.

Dat is niet gelukt. Justitie laat weten dat de gemiddelde verblijfsduur in het uitzetcentrum op dit moment vijftien dagen bedraagt, met uitschieters tot ver daarboven. In de totale vreemdelingenbewaring – behalve de uitzetcentra ook diverse gevangenissen – zitten mensen gemiddeld een kleine drie maanden vast. Alles bij elkaar ging het halverwege 2005 om 2348 vreemdelingen, zo bleek uit antwoorden van minister Verdonk op kamervragen. Maar de overheid stelt de cijfers over de verblijfsduur nog te rooskleurig voor, denkt professor Anton van Kalmthout van de Universiteit van Tilburg. ‘Als een vreemdeling bijvoorbeeld tachtig dagen in de Tilburgse penitentiaire inrichting was en tien dagen in Zestienhoven, dan wordt gezegd dat hij gemiddeld 45 dagen vast zat. Maar dat klopt natuurlijk niet, zo iemand heeft negentig dagen in vreemdelingenbewaring gezeten.’

Woordvoerder Arnold Strijbis van het ministerie van Justitie wijt de uitschieters aan het gedrag van de vreemdelingen zelf. Zo zorgt het starten van nieuwe procedures voor vertraging. Critici wijzen erop dat veel vreemdelingen niet uitgezet kunnen worden. Nog los van de politieke en economische situatie in het land van herkomst, geven overheden in veel gevallen niet de benodigde papieren af. In de praktijk blijkt het onderscheid tussen niet terug kunnen en niet terug willen daarom vaag. Het resultaat is in ieder geval hetzelfde: de uitzetmachine verwordt tot uitzetcarrousel.

Samm Petterson, een Liberiaan, vertelt tijdens het bezoekuur dat hij gevaar loopt in zijn eigen land. Hij wil niet weg uit Nederland. Tot twee keer toe werd hij uitgezet én kwam hij weer terug op Zestienhoven; het land van aankomst accepteerde hem niet. Hij zou een andere nationaliteit hebben.

Een ander voorbeeld van wat cynisch een ‘draaideurvreemdeling’ genoemd zou kunnen worden, is Tresor Nzila. Hij maakt al meer dan een jaar lang een onvrijwillige rondgang langs de diverse centra voor vreemdelingenbewaring. Zo is hij volgens een kennis vanuit het uitzetcentrum op Zestienhoven, waarschijnlijk via de vreemdelingengevangenis in Roermond, naar een van de bajesboten in Rotterdam gegaan, om vervolgens terug te keren naar Zestienhoven. Zijn nieuwe advocate, mr. Martens, deelt mee dat hij inmiddels ook dat centrum weer heeft moeten verruilen voor de gevangenis in Zeist. Martens wijt de detentietournee van Nzila aan diens vorige advocaat. Die zou er een potje van hebben gemaakt. Het is volgens haar ook een beetje de schuld van de cliënt zelf, die eerder niet meewerkte aan zijn uitzetting. ‘Hij komt uit Angola, maar de ind meende naar aanleiding van een taaltest dat hij uit Kongo kwam. Op de vliegtuigtrap heeft hij zich tegen uitzetting naar dat land verzet, vervolgens heb ik de zaak ter hand genomen.’ Inmiddels werkt Nzila – verstandig geworden dan wel murw geslagen door het gesleep – mee aan vrijwillige terugkeer naar Angola.

Ook Van Kalmthout is op de hoogte van de problematiek. ‘Na de Schipholbrand werden mensen naar de boten in Rotterdam verplaatst. Van daaruit kwamen sommigen in Tilburg terecht, vervolgens in Zeist en daarna weer ergens anders.’ Op de vraag naar cijfers over het percentage geslaagde uitzettingen heeft justitie niet direct een antwoord paraat. Van Kalmthout durft op basis van eerder onderzoek wel een schatting te maken. ‘Het percentage vreemdelingen dat uitgezet wordt, is gedaald van vijftig procent naar onder de veertig procent. Velen komen ook nog eens terug.’ De kosten van dit falende beleid zijn enorm. ‘We hebben het uitgerekend op basis van cijfers voor de gevangenissen in Tilburg en Ter Apel en kwamen uit op veertigduizend euro voor iedere geslaagde uitzetting. Het is toch wonderlijk dat zo’n enorm geldbedrag niet effectiever en humaner besteed kan worden.’

Niet alleen blijven resultaten achterwege, ook het onderscheid tussen de verschillende onderdelen van de uitzetketen vervaagt. Vreemdelingengevangenissen, bajesboten of uitzetcentra, Van Kalmthout denkt dat het vaak toeval is waar iemand terechtkomt. De verwording van het uitzetbeleid is ook volgens een voormalig medewerker van Zestienhoven, die niet met zijn naam in de krant wil, een feit. ‘Als je met personen daar spreekt, zie je hoe lang ze in verschillende centra hebben gezeten: de boot, Tilburg, Ter Apel. Het is geen geschreven wet, maar het werkt zo dat als iemand na zes maanden Zestienhoven nog steeds niet uitzetbaar is, hij of zij teruggaat naar een ander centrum voor vreemdelingen, bijvoorbeeld Zeist. Vervolgens komt deze persoon in veel gevallen via de rechter op straat terecht. Vaak keren ze na een x aantal maanden vrijheid terug naar Zestienhoven, als ze weer tegen de lamp zijn gelopen bij een politieactie.’

Effectiviteit is niet het enige waar het aan schort bij de vreemdelingenbewaring. De meeste weerstand roept het opsluiten van kinderen op. Eind vorige week zaten er in totaal twaalf kinderen in vreemdelingenbewaring, maar dat aantal wisselt met de dag. Uit aan de Tweede Kamer verstrekte gegevens van de minister bleek eerder dat in 2005 en januari 2006 in totaal 48 gezinnen met kinderen (56 procent) vanuit vreemdelingenbewaring waren uitgezet. Bij 38 gezinnen, maar liefst 44 procent, is in diezelfde periode de bewaring opgeheven, waarvan 21 keer op last van de rechter. Naar aanleiding van een eind vorig jaar aangenomen motie van pvda-kamerlid Klaas de Vries heeft de minister maatregelen aangekondigd. Onder meer het alleen in bewaring stellen van een van de ouders en een meldplicht voor de rest van het gezin wordt mogelijk. Het is daarbij aan de ouders of zij er al dan niet voor kiezen hun kinderen bij zich te houden in de gevangenis.

Een ander heikel punt, in het bijzonder bij Zestienhoven, is de zorg. De Inspectie voor de Gezondheidszorg concludeerde in maart 2004 in een vernietigend rapport dat de zorg in het uitzetcentrum ‘niet goed georganiseerd is, verantwoordelijkheden zijn niet duidelijk vastgelegd en de artsenzorg is via onderaannemers op onheldere wijze geregeld’. Verpleegkundigen handelen het grootste deel van de medische klachten van gedetineerden af; over hun bevoegdheden en kundigheid bestaat geen helderheid. In psychiatrische zorg ‘is tot op heden niet voorzien’. Daar is inmiddels verandering in gekomen, al omschrijft de voormalige medewerker van het uitzetcentrum de psychiatrische zorg het laatste jaar als ‘erg bescheiden’. Volgens Justitiewoordvoerder Strijbis is de zorg in het uitzetcentrum gelijk aan de zorg in alle andere huizen van bewaring en gevangenissen. De Inspectie voor de Gezondheidszorg heeft volgens hem bij een later toezichtsbezoek mondeling wél haar tevredenheid uitgesproken.

Misschien wel het meest controversieel is de positie van de opgesloten vreemdelingen an sich.

Het voor lange tijd achter slot en grendel plaatsen van niet-criminele vreemdelingen in een rechtsstaat is niet niks. Als gevolg van een wetswijziging, nodig om de werklast voor de vreemdelingenkamers terug te dringen, hoeft de overheid de rechtbank niet langer binnen drie, maar binnen 28 dagen op de hoogte te brengen van toepassing van vreemdelingenbewaring. Daarbij komt dat de rechtsbijstand voor mensen in vreemdelingenbewaring op sommige punten ernstig tekortschiet. Uit onderzoek van het Tilburgse iva is gebleken dat slechts 38 procent van de vreemdelingen die aangaven rechtsbijstand te wensen, deze voor of tijdens het eerste gehoor kreeg. Een op de vijf vreemdelingen zag geen rechtsbijstandverlener binnen 24 uur na staandehouding. Het beeld van de vreemdelingenadvocatuur dat opdoemt uit het onderzoek, uitgevoerd in opdracht van de raden voor rechtsbijstand, is bovendien niet fraai. Rechtbanken zeggen dat in veel zaken de rechtsbijstandverlener niet komt opdagen. Veel vreemdelingenrechters hebben bij de helft van alle zittingen het idee dat de advocaat niet uit een zaak haalt wat erin zit.

De situatie rond het toen nog nieuwe uitzetcentrum op Zestienhoven bracht pvda-kamerlid Dijsselbloem eind 2003 in een radio-interview tot de uitspraak dat het erop lijkt ‘dat we een soort Guantánamo Bay in Nederland aan het creëren zijn’. Maar wie denkt dat de overheid uit dit alles haar conclusies trekt, heeft het mis. Integendeel: het aantal detentieplaatsen groeit de komende jaren flink. Zo komen er volgend jaar drie boten bij en een grote vreemdelingengevangenis in Alphen aan den Rijn. Het uitzetcentrum in Rotterdam hoopt in 2008 een uitbreiding van tweehonderd naar zeshonderd plaatsen te realiseren.

Dat het niet wil vlotten met het uitzetbeleid kan nog geweten worden aan oprecht onvermogen. Het gaat dan ook om een ontzettend taai dossier. Maar waarom iets uitbreiden wat niet werkt, duur is én inhumaan? Een mogelijke verklaring kan zijn dat de detentie niet hoeft te werken om een aantal van de beoogde doelen alsnog te halen: druk uitoefenen op gedetineerden om weg te gaan en nieuwe illegale migranten afschrikken. Justitie beschouwt de vreemdelingenbewaring zelf ook als een soort straf die gebruikt mag worden tegen mensen die niet meewerken aan hun uitzetting.

Woordvoerder Strijbis: ‘Als mensen bewust en aantoonbaar niet meewerken aan uitzetting, zal de vreemdelingenkamer van de rechtbank de inbewaringstelling niet opheffen en blijft men in vreemdelingenbewaring.’

Volgens Van Kalmthout wordt in de uitzetcentra steeds minder energie gestoken in terugkeer. Hij signaleert een gevaarlijke trend waarbij het strafrechtelijke systeem en vreemdelingenbewaring steeds meer in elkaar overlopen. ‘De vreemdelingenbewaring wordt een vergaarbak waarin we mensen uitroken, zodat ze het land uitgaan. Er is een ongelooflijk sober regime, slechter dan in gevangenissen. Laatst was er iemand in Tilburg wiens vader op sterven lag. Een zware crimineel zou dan verlof krijgen, een vreemdeling niet. En dat gebeurt vaker. De detentie duurt bovendien heel lang en er zit in principe geen grens aan. Het heeft denk ik vooral een politiek doel. Het is een onderdeel van het publiek behagende vreemdelingenbeleid. In dat kader is het trouwens merkwaardig dat het publiek nooit de resultaten van dat beleid krijgt gepresenteerd.’

De wet is daarbij niet erg duidelijk over hoe de detentie dient te worden ingezet. Volgens de Vreemdelingenwet 2000 mag het om te voorkomen dat de vreemdeling zich onttrekt aan uitzetting, op voorwaarde dat daarop concreet uitzicht bestaat. Wat dat precies inhoudt, is vaak onduidelijk. Op 13 juli 2005 beval de rechtbank de opheffing van de bewaring van een aantal Iraniërs, omdat er onvoldoende uitzicht was op uitzetting. Die uitspraak is tot nu toe een uitzondering gebleken. Het onduidelijke en volgens Van Kalmthout per inrichting wisselende regime in de vreemdelingengevangenissen werkt misbruik in de hand. Maar woordvoerder Strijbis ontkent dat de inrichtingen hun eigen spelregels bepalen. ‘De wet schrijft voor wat ze moeten en mogen.’

Nog even terug naar het bezoekuur op Zestienhoven. Na afloop, bij het naar buiten gaan, loopt een piepjonge beveiligingsmedewerkster kordaat naar het jonge Turkse gezin toe. Ze pakt een paar geldbriefjes af van de man die zij bezocht hebben. ‘Geld moet bij de receptie afgegeven worden, die geven het door aan de gedetineerden. Dat zijn de huisregels.’ De vader weet niet wat hem overkomt. Boos doet hij zijn beklag, maar de bewaakster onderbreekt hem. ‘Me-neer, laat u mij even uitpraten? Dit zijn nu eenmaal de regels, die moeten wij uitvoeren.’ Uiteindelijk ziet de man in dat hier met haar niet te discussiëren valt en bindt hij in. Hij biedt aan het geld alsnog bij de receptie af te geven. De medewerkster knikt instemmend. ‘Heel goed, als u daar de volgende keer aan denkt.’ Het geld geeft ze niet terug. ‘Dat zijn de huisregels, ik moet het in beslag nemen.’