Mostar 25 jaar na de oorlog

‘We waren allemaal Joegoslaven’

Links: het Ottomaanse derwisjoord Blagaj Tekke bij Mostar; rechts: in een vervallen kiosk hangen verwijzingen naar de verloren Joegoslavische eenheid, waaronder een foto van Tito met zijn rechterhand Edvard Kardelj, de voetbalclub FK Velež en de originele Stari Most

Mostar is sinds de oorlog in de jaren negentig een verdeelde stad. Bosniakken wonen in het ene deel, Kroaten in het andere. De generatie die na de oorlog opgroeide, zoekt naar eigen manieren om met deze erfenis om te gaan.

Gezicht op de oude stad van Mostar

Jasmin Djozlic, Jasko voor vrienden, is zeventien en drentelt door de stad, een zwarte, grote paraplu zwaaiend in de hand. Het is een uur of vier in de middag. De lucht is donker, de straten zijn nat. Met de punt van de paraplu wijst hij nonchalant naar de kapotte gevels, de granaatinslagen, in een waaier over de muren. Als littekens herinneren ze aan de oorlog en de verwoesting, nu meer dan 25 jaar geleden.

Hij weet niet beter. Hier en daar hebben bewoners een etage in een verder verlaten appartementencomplex opgeknapt. Terwijl de rest van de gevel zwartgeblakerd is en overal gescheurde gordijnen uit gebroken ramen hangen, glimmen er middenin opeens spiksplinternieuwe kozijnen, bloeien geraniums in de plantenbak, hangen hagelwitte vitrages voor het raam. Als een nieuwe tand in een verder rot gebit.

‘Je zou hier maar opgroeien’, roept Jasmin achterom naar ons. Het is geen spot. Hij meent het. Het gaf hem, zegt hij, altijd een bedreigd gevoel.

Luister naar De Groene

In De Groene Amsterdammer Podcast interviewt Kees van den Bosch Irene van der Linde en Nicole Segers over hun net verschenen boek Bloed en honing: Ontmoetingen op de grenzen van de Balkan. Onze podcast is elke vrijdagochtend gratis beschikbaar via groene.nl/podcasts en via de andere bekende podcastkanalen

Ik kijk naar Jasmin: een gewone schooljongen, een puber nog, met een verfijnd gezicht. Zijn sluike, donkere haar hangt in een lok naar voren, eronder een grote, hippe, zwart omrande bril. Spijkerbroek, T-shirt, blouse er losjes overheen. Aan zijn pols een fluorescerend armbandje.

Hij wijst nog eens naar de half verbrande huizen, de lege etages. Heel soms wordt een vervallen huis afgebroken voor iets nieuws, maar de meeste bouwvallen staan er zo lang hij het zich kan herinneren. Hij loopt naar zijn vroegere lagere school, waar destijds zijn ouders in de kelders schuilden voor de bommen.

‘Pas nu ik ouder word, voel ik hoe boos ik ben’, zegt hij terwijl we even stilstaan voor het gebouw. ‘Boos op de volwassenen die het land kapot hebben gemaakt, boos op diezelfde volwassenen omdat ze het niet weten op te bouwen. Waarom was Duitsland twintig jaar na de oorlog weer een dynamisch land en is Bosnië-Herzegovina dat niet? Waarom staat hier alles stil? Waarom doen politici niets? Dat neem ik alle volwassenen kwalijk. Honderden jaren geschiedenis, honderden jaren cultuur, al die generaties die hier iets moois wisten neer te zetten. In een paar jaar tijd hebben ze alles vernietigd. Alles. En juist in die periode moest ik geboren worden.’

Jasmin slaat geërgerd met de punt van zijn paraplu tegen een stoeptegel. Zijn vader is moslim, zijn moeder Kroatisch. In Mostar was dat vroeger heel gewoon. Een deel van de stad was moslim, een deel Kroatisch, een klein deel Servisch. Net als zijn ouders huwden veel mensen onderling. Mostar was een van de meest gemengde steden van Joegoslavië. Sinds de oorlog is dit niet langer het geval.

Op 5 april 1992 riep de regering van de Joegoslavische deelrepubliek Bosnië-Herzegovina in Sarajevo de onafhankelijkheid uit. De meerderheid van de Bosnische Kroaten en de Bosniakken, zoals de Bosnische moslims zichzelf noemen, had zich in een referendum uitgesproken voor onafhankelijkheid. De Bosnische Serviërs waren echter tegen. Zij riepen dan ook twee dagen later een eigen republiek uit: de Republika Srpska, oftewel de Servische Republiek, met de nationalistische Radovan Karadžic als president. En ze eisten daarna grote delen van het land op.

Zo begon de Bosnische Oorlog, die tot 14 december 1995 zou duren. De Bosnische Serviërs werden gesteund door het Joegoslavische Volksleger dat aangestuurd werd door president Slobodan Miloševic vanuit Belgrado. De Bosnische Kroaten werden gesteund door het Kroatische leger dat werd aangestuurd door president Franjo Tudjman vanuit Zagreb. Zij vochten in eerste instantie zij aan zij met de Bosniakken. Samen verdreven ze de Servische troepen die Mostar vanaf de heuvels bombardeerden.

Maar in 1993 sloten Miloševic en Tudjman een kwaadaardige deal: ze verdeelden Bosnië-Herzegovina ‘op een servetje’ tussen Servië en Kroatië. Mostar – dat in de overwegend Kroatische provincie Herzegovina lag – werd op dat servetje aan Kroatië gegeven. Vanaf dat moment keerden de Kroaten zich plotseling tegen hun voormalige bondgenoten de Bosniakken.

Voor de inwoners werd het een hel. Aan de ene kant van de stad zaten de Serviërs op een berg, aan de andere kant de Kroaten. De Bosniakken zaten er tussenin. Het historische deel van Mostar, waar voornamelijk Bosniakken woonden, werd grotendeels verwoest. Er vielen ruim tweeduizend doden, veel mensen probeerden de stad uit te vluchten.

Jasmins ouders wisten met hun dochtertje Sara te ontkomen. Ze kwamen terecht in Zwitserland, waar ze als vluchteling werden opgevangen. Daar in Luzern werd, in de zomer van 1997, Jasmin geboren. En hij vraagt zich nog dagelijks af waarom ze daar niet zijn gebleven. Dan was hij in Zwitserland opgegroeid, met mooie huizen, mooie straten, goede scholen en kansen. Nu zit hij klem in een nog steeds verdeelde stad, heeft hij een visum nodig om naar Europa te reizen en kan hij alleen maar hopen dat hij ooit een manier zal vinden om hier weg te komen. Want dat hij weg wil, dat weet hij zeker.

‘Als kind besprak ik vaak met vrienden wat ze zouden doen als het weer echt oorlog zou worden. Veel vrienden zeiden: “Ik zou blijven om te vechten.”’

Hij was elf, bijna twaalf, toen hij ontdekte hoe erg de situatie was. ‘Ik liep zoals elke dag van school naar huis’, vertelt hij terwijl hij tegen een gevel leunt. ‘Ik had mijn rugzak op mijn rug, met een paar schoolschriften en potloden erin. Er kwam een groep jongens op me af lopen, een stuk of vijf. Ze gingen in een cirkel om me heen staan en vroegen mijn naam. “Jasmin”, zei ik stotterend, ik had geen idee waar het over ging. Ze wilden ook mijn achternaam weten. De jongens waren allemaal groter en een paar jaar ouder dan ik. Ik moest omhoog kijken om ze goed te zien. “Djozlic”, zei ik. Toen kreeg ik direct een stomp in mijn maag. Daarna sloeg een ander mij in het gezicht. Al snel volgden meer klappen. Toen ik op de stoep lag, liepen ze weg. “Vuile moslim”, riepen ze me na.’

Thuis zei hij niets. Hij begreep dat het Kroaten waren die hem in elkaar hadden geslagen en dat ze uit zijn achternaam konden afleiden dat hij moslim was. ‘Toen pas realiseerde ik me hoe verdeeld de stad was, hoe agressief de haat. Opeens besefte ik in welke wereld ik leefde. Op dat moment besloot ik dat ik zodra ik oud genoeg zou zijn, zou vertrekken.’

passage tussen het oude deel van Mostar, waar veel Bosniakken wonen, en het modernere Kroatische deel. De graffiti ‘Red Army’ verwijst naar de fans van voetbalclub FK Velež Mostar, die nog steeds Tito’s idealen van eenheid en broederschap uitdragen;rechts: de gerestaureerde zestiende-eeuwse Ottomaanse brug Stari Most over de Neretva

Bij een grote verkeersweg die dwars door de stad loopt, staat Jasmin stil. Dit is de grens. Aan de andere kant van de straat en in het deel van de stad daarachter, daar komt hij zelden. Alleen onder begeleiding.

Jasmin hoort als Bosniak bij het oude deel, met de historische Ottomaanse bruggetjes, opnieuw opgebouwd en gerenoveerd na de oorlog, de smalle straten met kasseien, de moskeeën met witte, ranke minaretten. Dat is het deel waar de toeristen komen, waar de kebabtenten liggen, waar Turkse koffie langzaam wordt uitgeschonken uit koperen kannetjes in kleine porseleinen kopjes, en waar cevapci wordt gegeten: worstjes van lamsgehakt, geserveerd in een pitabroodje met sla en ui.

Aan de overkant van de straat wonen de Kroaten. Daar ligt het moderne deel van de stad, waar de statige pastelkleurige gebouwen uit de Oostenrijkse tijd staan, de grauwe Joegoslavische flats, de moderne shopping malls, de hippe uitgaanstenten. Daar is ook de McDonald’s die twee jaar geleden is geopend. En het gemeentelijk zwembad. Als Jasmin en zijn moslimvrienden daarheen willen, hebben ze bewaking nodig. De Kroaten hebben de moderne grands cafés, zij de kleine retro-bars.

Hij leunt op zijn paraplu en kijkt naar de drukke weg. Aan de overkant voetballen jongetjes op het terrein van het Kroatische gymnasium. Tijdens de oorlog was deze weg de frontlinie. Aan deze kant stonden de Bosniakken, aan de andere kant de Kroatische milities. Op de hoek, tussen beide linies in, ligt het United World College, een internationale school waar Jasmin na deze zomer naartoe zal gaan. De school brengt doelbewust leerlingen uit het hele voormalige Joegoslavië samen. Hij hoopt dat hij daar enigszins bevrijd zal worden van de benauwde segregatie.

Luid toeterend rijdt een bruiloftsstoet voorbij, Kroatische vlaggen hangen uit de autoramen. Op het pleintje laat een ander bruidspaar zich fotograferen, het meisje in het wit met hoge hakken, een korte rok en een voile. Aan de moslimkant zag ik net eenzelfde scène, alleen had het meisje daar een lange bruidsjurk aan van groene zijde met kant en droeg ze een glimmend groene zijden hoofddoek.

‘Het is hier net Berlijn 2.0’, zegt Jasmin en draait zich resoluut om. De muur is onzichtbaar, maar hij is meters dik. Iedereen hier weet waar de muur staat, iedereen voelt hem. Kroaten en Bosniakken, die elk de helft van het aantal inwoners vormen, leven volledig gescheiden van elkaar. ‘Als ik hier aan de macht zou zijn’, zegt Jasmin, ‘dan zou ik beginnen met het samenvoegen van scholen. Kroatische kinderen en Bosniak-kinderen ontmoeten elkaar niet meer, ze leren allebei een andere geschiedenis, een ander perspectief. Er woedt nu een onzichtbare oorlog. Als kind besprak ik vaak met vrienden wat ze zouden doen als het weer echt oorlog zou worden. Veel vrienden zeiden: “Ik zou blijven om te vechten.” Ik begreep dat niet, ik zou direct vertrekken.’ >

Jasmin wil graag deel uitmaken van het Westen, daar voelt hij zich thuis. Bovendien ziet hij de EU als de enige oplossing voor Mostar en voor de hele regio. ‘Ik denk rationeel, zoals ook de Kroaten doen’, zegt hij als we voor zijn ouderlijk huis staan. Hij noemt zichzelf agnost en moslim – maar dat laatste zegt alleen iets over zijn afkomst. ‘Ik houd van die controle. Serviërs zijn anders. Die zijn mij te emotioneel, te relaxed.’ Hij zoekt naar woorden. ‘Ze zijn oosters, vrijer, blijven op tot drie uur ’s nachts bijvoorbeeld en hebben eindeloos veel televisieprogramma’s over ongeluk, verdriet en ellende.’ Hij schudt zijn hoofd. ‘Rationeler is volgens mij beter.’

Direct bij binnenkomst in haar flat ruik ik de kruidige geur van gebraden gehakt, gemengd met de muffige lucht van sigarettenrook. In de keuken staat Jasna, de grootmoeder van Jasmin. Ze maakt koffie en tegelijkertijd roert ze af en toe in de pan die op het vuur staat. Nicole en ik gaan zitten aan een kleine vierkante keukentafel die al gedekt is voor de lunch.

Jasna is begin zeventig, klein, een beetje mollig, met kort, stevig, donkergrijs haar. Alles aan haar straalt een ouderwetse chic uit, ook haar nette geruite rok en witte blouse. Ze is een echte ‘Mostarska’, zoals ze zelf zegt. Haar familie woont al vierhonderd jaar in Mostar en ook zij is hier geboren, getogen, getrouwd en heeft er haar twee zonen gekregen. Ze buigt zich over de pan op het fornuis. ‘Ik heb een traditioneel Bosnisch gerecht gemaakt’, zegt ze trots. ‘Dolma’s van paprika en courgette gevuld met rijst en gehakt.’

Jasna woont aan de andere kant van de onzichtbare muur, in het Kroatische deel van de stad, alhoewel ook haar achtergrond moslim is. Haar kleinzoon Jasmin kan haar niet bezoeken, maar zij zegt nooit problemen te hebben. In haar flat wonen veel oudere mensen, allemaal met een verschillende achtergrond: Kroatisch, Servisch, Bosniak. ‘Oude mensen gaan nog gewoon met elkaar om’, zegt Jasna. ‘Zoals vroeger, toen we nog jaarlijks op vakantie gingen naar de Kroatische kust. Ik was bevriend met Kroaten, Slovenen, Serviërs, Macedoniërs. We waren allemaal Joegoslaven. Op zaterdagavonden dansten we samen in het grote hotel van Mostar.’

Op elke muur in haar kleine, volgestouwde flatje hangen afbeeldingen van de Ottomaanse brug – ‘de mooiste brug ter wereld’. Getekend in pastel, in gouache en zelfs geborduurd in kruissteek. ‘De brug doet mij als “symbool van eenheid” denken aan mijn jeugd. Ik leerde onder de brug in de Neretva zwemmen’, zegt ze als ze even tegenover ons aan het tafeltje gaat zitten. ‘Ik zat er met vriendinnen uren te kletsen en elke zomer sprongen de jongens uit mijn klas er vanaf in de rivier. Nu is de brug nagebouwd, dat voelt toch anders.’

Toen de oorlog uitbrak was Jasna 45. Ze vluchtte eerst naar Kroatië, samen met haar Kroatische man. Ze nam een klein koffertje mee met wat kleren en de papieren van hun huis, de auto, de geboortebewijzen. Eén zoon ging naar Zwitserland met zijn vrouw en kind, de andere naar Texas. Al snel kon ze als moslim niet in Kroatië blijven. Moslims werden samen met Serviërs naar gevangenkampen gestuurd. Haar ouders stierven in zo’n kamp, evenals haar broer. Daarom vluchtte ze in 1994 met haar man naar Nederland. Ze was toen letterlijk ziek van de oorlog.

Jasna steekt zwijgend een sigaret op. ‘Wacht’, zegt ze dan in het Nederlands en staat op. De brandende sigaret legt ze op de asbak. Ik hoor dat ze in de woonkamer de ene na de andere lade opentrekt. Even later komt ze met een verfomfaaid pocketwoordenboek Joegoslavisch-Nederlands en een oude schoenendoos met foto’s en kaarten terug de keuken in. Met haar man werd ze eerst opgevangen in een asielzoekerscentrum in Kollumerzwaag, daarna in Geldermalsen en toen in Zaltbommel. Totdat ze een huis kregen in Oosterwolde. Daar woonden ze tot 2001.

Ze pakt een foto waar ze met hun buren op staan voor een rijtjeshuis. ‘Ik heb zulke goede herinneringen aan Nederland’, zegt ze terwijl ze de foto nog eens goed bekijkt. ‘Ik heb nog een brief geschreven aan koning Willem-Alexander om hem te feliciteren met zijn kroning. Waar heb ik die?’

‘De Ottomaanse brug doet mij als “symbool van eenheid” denken aan mijn jeugd. Nu is hij nagebouwd, dat voelt toch anders’

Ze loopt nog een keer naar de woonkamer. Op het fornuis pruttelen de gevulde paprika’s in de pan. Ze is er gisteravond al mee begonnen, zei ze net. Ik kijk naar de ansichtkaarten die op het keukentafeltje liggen met ‘Groeten uit Nederland’, een molen in een weiland aan een rivier, tulpenvelden, de foto’s van de buren.

Jasna zwaait opgewonden met een verkreukeld blauw schriftje als ze terugkomt in de keuken. Het is van Unicef en komt uit het vluchtelingenkamp van haar nichtje, die toen veertien jaar was. Ze wijst op een tekening van Mostar en hoe het meisje met een rood potlood een grote ronde boog tekende. ‘Stari Most’ staat erbij geschreven, in een hoekig en onregelmatig kinderhandschrift.

‘Die brug betekent alles voor mij’, verzucht Jasna nogmaals terwijl ze de borden neerzet. Dan zwijgt ze. Eigenlijk wil ze niet weten dat het allemaal voorbij is. Dat haar stad voorgoed is veranderd. Ze zet de pan op tafel, een mandje met brood ernaast en legt op elk bord een halve paprika en een halve courgette. Daarna schept ze nog een keer op.

‘Eet’, dringt ze aan.

Links: het Ottomaanse derwisjoord Blagaj Tekke bij Mostar; rechts: in een vervallen kiosk hangen verwijzingen naar de verloren Joegoslavische eenheid, waaronder een foto van Tito met zijn rechterhand Edvard Kardelj, de voetbalclub FK Velež en de originele Stari Most

Na de lunch pakt Jasna haar zwartleren handtas en loopt door de smalle gang met de tientallen schilderijtjes van de Oude Brug. Ze gaat op bezoek bij haar kleinkinderen Jasmin en Sara, aan de andere kant van de stad.

Als ze een half uur later bij hun huis aankomt, loopt ze parmantig naar de olijfgroene houten voordeur, waarop de beschadigingen van mortierinslagen nog steeds te zien zijn. Op de binnenplaats staat het karretje waarmee Jasmins vader in de zomer palacinka – pannenkoeken – verkoopt. Binnen gaat ze in een grote fauteuil in de woonkamer zitten, met haar tas op schoot. Jasmin begroet zijn grootmoeder enthousiast en springt boven op een armleuning van de bank er tegenover. Zijn zus Sara, die een paar jaar ouder is, zet koffie in de open keuken.

Jasmin en Sara lijken uiterlijk erg op elkaar. Zij heeft net als hij een fijn, smal gezicht, met bruine ogen en her en der wat sproeten. Ze kunnen het heel goed met elkaar vinden, maar in één opzicht begrijpt Jasmin zijn zus niet: ze is gelukkig in Mostar.

‘Onze generatie gaat het anders doen’, zegt Sara, die medicijnen studeert aan de Universiteit van Mostar, terwijl ze tegen de keukendeur leunt. ‘Het is net als met de corruptie. Jongeren van mijn generatie betalen niet meer onder tafel aan een dokter in een ziekenhuis. Voor mijn oma is dat anders: zij is van de oude school, zij heeft het gevoel dat ze altijd geld moet geven.’

‘Je wordt beter geholpen als je betaalt’, zegt Jasna terwijl ze in haar handtas haar sigaretten zoekt. ‘Dat weet ik zeker.’

‘Maar wij doen dat niet meer’, antwoordt Sara, die droomt van een leven als arts in Mostar. ‘Ik weiger nu al cadeaus van buren en kennissen, omdat ik bang ben dat ik dan later als arts iets terug zal moeten doen. Op de universiteit studeer ik samen met Kroaten, maar ik weet dat ik later als arts alleen zal kunnen werken in een moslimziekenhuis. In het Kroatische ziekenhuis zal ik niet welkom zijn. Maar dat kan mij niet schelen’, zegt ze. ‘Zo is het nu eenmaal.’

‘Dat is toch een afschuwelijke gedachte?’ zegt Jasmin verontwaardigd. Hij hangt weerspannig over de leuning van de bank.

In Mostar is van alles twee: twee ziekenhuizen, twee nationale theaters, twee universiteiten, twee postbedrijven, twee poppentheaters, twee busstations, twee onderwijssystemen, elk met een eigen curriculum, twee gymnasia, twee rijscholen, twee telefoonnummers voor informatie, twee bankrekeningen, twee voetbalclubs, twee elektriciteitsmaatschappijen. ‘Laatst, toen hier een heel strenge winter was, viel de elektriciteit uit in ons deel van de stad’, zegt Jasmin. ‘Het sneeuwde. De moslims zaten in de kou en zonder licht. Het netwerk van de Kroaten deed het gewoon. We konden geen link maken, want de beide netten zijn helemaal gescheiden.’

‘Maar wij zijn een nieuwe generatie’, zegt Sara nog een keer. ‘Ik ben iemand die langzaam iets wil veranderen. Dat past bij mij, ik ben geen revolutionair. Ik geloof in een langzame golf.’

‘Ik denk niet dat het zal veranderen’, zegt Jasmin somber. ‘Ik denk dat het de menselijke natuur is om zo verdeeld te leven.’

Hij peutert aan zijn fluorescerende polsbandje. Sara trekt geïrriteerd haar schouders op en zwijgt. ‘De haat is hardnekkig’, geeft ze daarna toe. ‘Ouders beïnvloeden hun kinderen, maar omdat onze moeder katholiek is en onze vader moslim zijn wij anders. Met name in sociale media wordt opgeroepen tot haat tegen moslims of Kroaten’, zegt Sara zacht.

Hun grootmoeder steekt haar zoveelste sigaret op en klemt met haar gerimpelde linkerhand stevig de zwarte handtas op haar schoot vast.


Dit is een voorpublicatie uit het boek Bloed en honing: Ontmoetingen op de grenzen van de Balkan van Irene van der Linde en Nicole Segers dat deze week verschijnt bij uitgeverij Boom. Het boek kwam tot stand met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten, het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek, Stichting Stokroos, Stichting Forhanna en het Nederlands Letterenfonds