30 jaar val van de Muur: Jongeren in Oost-Duitsland

We waren als broers

Het decennium na de val van de Muur is in voormalig Oost-Duitsland nog steeds met grote schaamte omgeven. Journalist Daniel Schulz groeide op in die tijd van neonazisme en werkloosheid. Nazi’s die vroegere schoolvrienden waren, broeders, neven, nichten.

Sociale-woningbouwwijk in Hoyerswerda, voormalig Oost-Duitsland. 1993 © Gilles Peress / Magnum Photos / HH

Je eigen lelijkheid kan een bedwelming zijn. Als je die omarmt en de afschuw ziet in de gezichten van degenen die je observeren en verachten, maar je niet durven benaderen, stroomt er macht door je aderen, als elektriciteit.

Als ik bij een snelheid van ruim honderd kilometer per uur op de motorkap van een bmw achter ons pis, voel ik deze macht. Terwijl ik daar in het dakraam sta, mijn broek tot mijn dijen neergelaten, zie ik het grote witte gezicht van de chauffeur: met wijde ogen van angst, verbazing en verontwaardiging blaast het op als een ballon, waar ik graag een naald in zou steken.

Ik ben negentien, ik ben tien meter hoog en acht meter breed, ik ben onkwetsbaar.

Als op 27 augustus 2018 mannen van mijn generatie, zo’n veertig jaar oud, in Chemnitz een ‘begrafenismars’ organiseren, waarbij sommigen de camera’s hun blote kont tonen, zoals je op YouTube kunt zien, denk ik aan die snelwegreis. Als zware mannen de Hitlergroet brengen en mensen aanvallen, van wie de huidskleur ze niet aanstaat, en als de politie niet ingrijpt, ben ik verlamd, alsof er iets duisters is opgedoken waarvan ik dacht dat ik het achter me had gelaten. Maar ik herinner me ook die power rush, die kick, als je tegen iemand kunt zeggen: regels? En wat als ik op jouw regels schijt, mijn vriend? Wat dan?

Ik zie Chemnitz en vraag me af: wat hebben jullie met mij te maken? En wat ik met jullie?

Op de Dag van de Duitse Eenheid zullen er weer mensen zijn die zullen vertellen waarom de Duitse hereniging een succesverhaal is. Alleen het woord ‘hereniging’ is al een leugen, zullen de anderen zeggen, die vooral zien wat er verloren is gegaan: bedrijven, zelfrespect, hele levens. Vooral degenen zijn goed te horen die zeggen: erken eindelijk de prestaties eens van degenen die een nieuwe wereld hebben moeten bouwen. Die ook vaak zeggen: laat me met rust met die slachtofferverhalen, we zijn trots op wat we hebben bereikt, ook al hebben we gefaald.

Bijna dertig jaar na de val van het communisme vertelt de generatie van mijn ouders en grootouders hun verhaal. Niet voor het eerst, maar het lijkt de juiste tijd te zijn. De Saksische minister voor Integratie, Petra Köpping, heeft een paar van deze verhalen opgeschreven in haar boek Integriert doch erst mal uns, dat tegenwoordig in bijna elk huis in Oost-Duitsland ligt.

Het gaat veel over verloren gegane banen en ja, dat klinkt mooi technisch – als een probleem dat eenvoudig op te lossen is. Maar in die Pruisische staat met volledige werkgelegenheid, die de ddr heette, waar werk de zin van het leven was en de weinigen die geen werk hadden Assis werden genoemd, betekende dit echter ook: collega’s, broers en echtgenoten die zichzelf ophingen, zussen en neven die zich langzaam maar zeker dood dronken, en families waarin het eerst heet opwelde als in een vulkaan, omdat de een nu meer had dan de ander, waarna alles bevroor tot een dood landschap van koude slakken. Vrouwen die zo hard hebben gewerkt om zichzelf, hun echtgenoten en hun kinderen erdoor te krijgen totdat er niets meer van hen overbleef dan de wil om ‘het te redden’.

Is er nog ruimte voor de verhalen van de jaren negentig vanuit het oogpunt van degenen die bij de val van de Muur te oud waren om niets van het verleden te hebben gemerkt, maar te jong om mee te kunnen praten over hoe de toekomst eruit zou moeten zien? Over het decennium waarin de mensen opgroeiden die vandaag de dag de Hitlergroet brengen en schreeuwen?

‘Ik associeer de jaren negentig met persoonlijke ervaringen die nu weer tot leven komen’, zegt Manja Präkels, ‘en als ik op pad ben in het land, zie ik bij de AfD vaak juist die mensen die zichzelf zien als winnaars van de strijd van de jaren negentig.’ Präkels heeft het boek Als ich mit Hitler Schnapskirschen aß (‘Toen ik met Hitler Schnapskirschen at’) geschreven over de laatste dagen van de ddr en het barbaarse decennium dat Oost-Duitsland daarna heeft doorgemaakt. Präkels werd geboren in 1974 en groeide op in Zehdenick, een stad ten noorden van Berlijn. Haar boek is samen met Oder Florida van Christian Bangel de tweede roman met autobiografische kenmerken, die vorig jaar verschenen is en handelt over het Oost-Duitsland van de jaren negentig.

Ik belde haar om haar te vragen of zij ook moet terugdenken aan die tijd als ze de foto’s van de rechts-extremistische onlusten in Chemnitz en Köthen ziet. Zij zegt dat ze, als ze onderweg is voor leesavonden of conferenties, ook rechts-extremisten ontmoet die gedreven worden door wat ze destijds in Rostock-Lichtenhagen hebben bereikt, en bij de vele kleinere branden die bijna niemand heeft gezien. ‘Zij zien zichzelf als de winnaars van deze gevechten, omdat er destijds niet-witte mensen uit Oost-Duitsland werden weggevoerd. In hun ogen werd daarmee het geweld van die jaren gelegitimeerd.’

Dus wanneer moet een verhaal over die tijd beginnen? Voor mij begon het niet in 1989. Voor mij begon het in de ddr.

In de tweede klas tekent Ricardo met een potlood een hakenkruis op de schoolbank. Op zich niets bijzonders, ook ik heb dat op een junidag in 1987 gedaan, terwijl ik in mijn dicteerboekje krabbelde: ‘Vandaag komt onze moeder laat thuis. We willen helpen.’ Het tekenen van hakenkruizen is het meest verbodene wat ik me kan voorstellen. Elke keer brult er een klein dier in mijn borst om uiting te geven aan zijn vreugde dat het niet betrapt is. De kunst is om van het hakenkruis een klein venster te maken voordat iemand het ziet.

Maar Ricardo is te traag geweest of misschien is hij vergeten om de lijnen door te trekken, ik zie het, twee vrienden zien het, we zetten hem voor ons als de lerares niet in de klas is. Het is niet mogelijk om het haar te vertellen. Een verklikker zijn is erger dan wat dan ook. We moeten dit onder elkaar regelen. ‘Je weet toch dat dat verkeerd was?’ vraag ik.

Hij huilt. Hij is zwaarder dan ik en groter, maar hij probeert niets, twee andere jongens van de klas staan naast hem. ‘Doe je bril af’, zeg ik. Ricardo huilt nog een beetje meer, hij smeekt met grote ogen en ja, natuurlijk, we wonen in hetzelfde blok en ja, we willen elkaar ’s middags weer ontmoeten bij de zandbak voor ons huis, maar dit moet hier eerst gebeuren.

De schrijver Tijan Sila, geboren in het socialistische Joegoslavië, beschreef dit gedrag van jongens in zijn boek Tierchen Unlimited als volgt: ‘De opvoeding van kinderen op de basisschool werd verondersteld het ethos van de partij te weerspiegelen, maar dit werd mij in die tijd slechts in tegenstellingen geopenbaard: boven een koud, apollinisch gezicht, dat kuisheid, soberheid en het vermogen om lijden te ondergaan eiste, en daaronder een dwangmatig demonisch bovenlichaam, dat hield van hardheid, strijd, rivaliteit of offervaardigheid. Misschien is deze torso overgebleven toen het hoofd samen met de ddr ten onder ging.’

In de ddr ging het vaak om de strijd, en de grootste strijders waren degenen die niet meer leefden: de communistische antifascisten die in de kampen waren omgekomen, om ons een beter leven te geven. Gespierde witte mannen keken ons van muurschilderingen en uit onze schoolboeken aan. Onze leraren vertelden ons over de joden alleen dat de nationaal-socialisten ze hadden vermoord. In ieder geval hadden ze niet gevochten.

Op weg naar huis van school vertellen wij jongens elkaar jodenmoppen. Met z’n vieren of met z’n vijven lopen we over kasseien en zwart zand naar huis, langs de begraafplaats en het café naar de vier nieuwbouwblokken aan de rand van het dorp.

Eén jongen vraagt: ‘Wat is de hoofdprijs in de concentratiekamploterij?’

Ik zeg: ‘Die ken ik al. Een plaatsbewijs in de gaskamer.’

Hakenkruizen op joodse begraafplaatsen en neonazi’s die mensen in elkaar sloegen heette ‘hooliganisme’ – alsof er geen politieke achtergrond was

Later vond ik onze moppen terug in het boek Das hat’s bei uns nicht gegeben! (‘Dit is hier niet gebeurd!’). Het verscheen een paar jaren geleden bij de Amadeu Antonio Foundation, genoemd naar een Angolese contractarbeider die in 1990 in Eberswalde door jonge mannen net zo lang werd geslagen tot hij in coma viel en later overleed.

Ik kan me niet meer herinneren waar onze moppen vandaan kwamen. Ze hadden helemaal niet mogen bestaan. In de grondwet van de ddr stond dat het fascisme was verslagen. En omdat het verslagen was, mocht het niet bestaan. De Staatsveiligheidsdienst, zo is te lezen in het boek van de stichting en in de rapporten van de geheime dienst zelf, noemde hakenkruizen op joodse begraafplaatsen en neonazi’s die andere mensen in elkaar sloegen, ‘hooliganisme’ en deed alsof er geen politieke achtergrond was. Punkers en al diegenen die er anders uitzagen dan de socialistische elite graag wilde, werden daarentegen door de geheime dienst en de politie hard vervolgd, als uitwassen van een decadentie die alleen maar uit het Westen kon komen.

De AfD bouwt hier vandaag op voort. Als geen enkele andere partij zet de AfD zich in voor de viering en bevordering van een Oost-Duitse identiteit. In verkiezingscampagnes en toespraken proberen haar politici de mensen te verleiden met verhalen over de fijne Duitse en weinig vervreemdende manier waarop het er in Oost-Duitsland aan toegaat. En het verhaal van het apolitieke hooliganisme lijkt vandaag de dag ook voor veel politieagenten nog te werken.

sociale-woningbouwwijk in Hoyerswerda, voormalig Oost-Duitsland. 1993 © Thomas Hoepker / Magnum Photos / HH

Was dat in de Bondsrepubliek dan beter? Als je over de ddr schrijft duikt deze vraag altijd op. Misschien zou je kunnen zeggen dat er in West-Duitsland in elk geval een kans was op een openbare discussie. In de ddr was een televisieserie als Holocaust niet te zien, mensen konden er daarna niet over praten, zich er niet over opwinden of erom huilen – thuis, in de pub, in de bus. En bij al het begrip voor de wil om West-Duitsers het eigen leven niet meer te laten duiden: is het belangrijker om de herinnering aan de ddr te redden of na te denken over de vraag waarom de eigen kinderen door nazi’s worden opgejaagd of waarom anderen zelf op jacht gaan? >

Nadat neonazi’s in 1987 een punkconcert in de Zionskirche in Oost-Berlijn hadden aangevallen, wilde het Centraal Comité van de sed toch een keer een onderzoek instellen naar neonazistische activiteiten. In 1988 registreerden de onderzoekers tot wel vijfhonderd activiteiten per maand uit het extreem-rechtse milieu. De resultaten maakten de machthebbers zo bang dat ze onmiddellijk weer de kop in het zand staken. De luitenant-kolonel van de recherche, die het team had geleid, werd vanaf dat moment door de Stasi in de gaten gehouden.

In de vierde klas lezen we Pawel. Het groene leerboek ligt voor ons op tafel, we lezen afwisselend een paar zinnen voor. Een luitenant van de Wehrmacht zit aan de rand van een brandend sovjetdorp en ziet een spelende jongen. Hij denkt: wat is het verschil tussen dit kind en een Duits kind?’ Hij redt de jongen voor de aanstormende auto van een sergeant, ze vluchten samen naar de sovjetsoldaten en de luitenant keert aan de zijde van het Rode Leger naar Duitsland terug. De transformatie van nazi-officier tot communist neemt vijfeneenhalve bladzijde in beslag, en in haar kinderlijke beknoptheid is dit een goede beschrijving van de antifascistische mythe van de ddr. De staat moest enkele verleiders straffen, zodat het grootste deel van de burgers vervolgens kon worden gebruikt om de nieuwe staat op te bouwen zonder veel over het verleden te hoeven praten.

Tegelijkertijd wisten we weinig over buitenlanders. Zelfs onze vermeende broeders kenden we niet. ‘Wij tonen onze vriendschappelijke verbondenheid met het sovjetvolk’, schreef ik op 8 mei in mijn Heimatkunde-schrift. Maar we zien ze nauwelijks, hoewel veel kazernes helemaal niet zo ver weg zijn. Soms loopt er een troep met kalasjnikovs op de rug langs onze school en we drukken ons dan aan het hek om ze na te staren. ‘Verdomde Russen’, zegt een jongen naast me, en als ik hem vraag waarom, zegt hij: ‘Als de stomme Hitler onze Wehrmacht niet had vernietigd, zouden ze hier nu niet zijn.’ Dat had zijn vader hem althans verteld.

We wisten niet wie de joden waren. We wisten niet wie de Russen waren. Maar we wisten wie de nazi’s waren. De nazi’s kwamen uit het Westen. Het kapitalisme werd beschouwd als een voorstadium van het fascisme, en feitelijk zaten er nog steeds genoeg oude nazi-elites op machtsposities om dat als bewijs te presenteren. Toen de staatsveiligheidsdienst in het district Rostock in 1960 een ‘lijst van hakenkruizen-smeerlapperij die meer dan vijftig misdrijven omvatte’ opstelde, zei het hoofd van het districtsbestuur dat deze ‘deel uitmaakten van de provocatie vanuit West-Duitsland’. In Käuzchenkuhle, een van de bekendste jeugdboeken uit de ddr, lossen een jongen en zijn vrienden een strafzaak op waarin Der Fremde, een voormalige SS’er uit West-Duitsland, terugkeert om oude roofkunst van de nazi’s terug te vinden. Nog in 2006 vertelde de spd-minister van Binnenlandse Zaken van een Oost-Duitse deelstaat mij tijdens een interview dat het nazi-probleem uit het Westen kwam en, nee, dat dit in de ddr niet had bestaan.

De val van de Muur brak mijn hart. Ik was bang voor het Westen, voor de fascisten, gewoon voor het feit dat alles wat ik kende kapot zou kunnen gaan. De volwassenen staken geen vinger uit. Ze zaten voor de televisie en keken naar demonstraties. Ze bleven ons op school lesgeven alsof alles normaal was. Het was me duidelijk dat we economisch geen enkele kans hadden, iedere jongen die wist waar de Matchbox-autootjes vandaan kwamen begreep dat. Maar mijn vader was luitenant-kolonel in het verdomde Nationale Volksleger, hij had ooit het bevel gevoerd over dertig tanks, waar waren die nu?

Ik wilde een Chinese oplossing, ik wilde het Tiananmenplein in Berlijn en Leipzig. Toen mijn vader, de lafaard, er niet op uit ging om die gekken daarbuiten te stoppen, vroeg ik me af hoe ik zijn Makarov-pistool kon stelen. Mijn plan was om in West-Berlijn wat mensen neer te schieten en een oorlog uit te lokken. Want die, daar was ik zeker van, zouden we winnen.

We reden met het welkomstgeld naar Berlijn-Spandau. In Karstadt kocht ik een videospel, een kleine blauwe computer waarmee ik ijshockey kon spelen. Bij elk hoger level werd de puck sneller en moeilijker te bereiken. Het begon met piep – piep – piep, klom naar piep-piep, piep-piep, piep-piep en daarna naar pipipipipipipipip. Als gehypnotiseerd staarde ik naar het kleine knipperende schijfje, totdat de wereld om me heen alleen nog maar gedempt te horen was, alsof ik onder een laag watten zat. De volwassenen hadden me verraden, ik had mezelf verkocht voor een computerspel. Ik was boos, maar ik had geen idee op wie.

‘Je stond in de HJ-stand’, vertelde een vriend me twintig jaar later, ‘net als de Hitler Jugend bij de Volkssturm.’ Ik woonde toen al lange tijd in Berlijn. Hij had in de Joegoslavische oorlogen genoeg jongens gezien die gestorven waren voor woede, angst en onmacht, vergelijkbaar met de mijne.

In de tweede klas zongen we: ‘Soldaten marcheerden voorbij, de hele compagnie. En als we groot zijn, willen we soldaten zijn zoals zij.’ In ons muziekboek stonden liedjes over vrede op aarde en ‘Een mannetje staat stil in het bos’. Maar ook: ‘Mijn broer is een soldaat in een grote pantserwagen, en ik kan met trots zeggen: mijn broer beschermt de staat.’

Voor wie die grote broer ons beschermde was duidelijk: voor het Westen. Maar niemand beschermde me nu nog. Ik wilde vechten, maar tegen wie? Waar vliegt een raket met een vriend/vijand-doelsysteem heen als zijn eigen ouders naar de vijand zijn overgelopen?

Was ik de enige met wie het zo ging? Ik weet het niet, ik heb er nooit met vrienden over gesproken. De desintegratie begint op de televisie. Ik zie huilende mensen, stijve mensen, grijze mensen, meestal voor schoorstenen of fabriekspoorten, en altijd gaat er iets dicht. Dan gaan de mannen naar het dorp terug. Als ik de school verlaat, zitten ze bij de garages. Vroeger bestuurden ze kranen, grote Russische tractoren en oogstmachines. Nu maken ze grapjes over hun vrouwen die de gezinnen in leven proberen te houden door middel van wat schoonmaakwerkzaamheden of een werkgelegenheidsregeling. Ze zeggen: ‘Die ouwe werkt me op de zenuwen.’ Dan drinken ze nog een schnaps. Vaak praten ze zelfs niet eens.

In de kranten, op de radio en op de televisie lezen, horen en zien we de bijbehorende berichten. De Oost-Duitsers zijn te dom om hun weg te vinden in de nieuwe wereld. De Oost-Duitsers zijn lui. De Oost-Duitsers zijn dronken. Eerst schaam ik me nog, dan kijk ik geamuseerd toe hoe de stront over ons heen wordt gekieperd en nog later ben ik trots op het feit dat ‘wij’ harder zijn dan de makkelijk van hun stuk te brengen Wessis, die hun hele leven kunnen oplepelen als één oorzakelijk verband, waarin voor alles een goede reden is en er geen donkere plekken zijn. Het kan op een demonische manier bevrijdend zijn als van jou en de mensen om je heen alleen nog het allerergste wordt verwacht. Als twaalf- of dertienjarige zie ik dat nog niet, ik zie alleen de mannen in hun garages en ik zie mijn toekomst.

Mijn vader drinkt daar niet. De Bundeswehr heeft hem overgenomen. In het voorjaar van 1992 worden ze bij het controleren van een sovjetbasis beschoten. Mijn vader verlaat het leger en verkoopt later verzekeringen. Net als veel andere mannen van de politie, het ministerie van Staatsveiligheid en het Nationale Volksleger. Het was een degradatie, maar niet zo’n zware.

Op televisie kun je huizen zien branden waar Vietnamese contractarbeiders wonen. Je ziet mannen die met stoeptegels naar mensen gooien. Ik zie hoe politieagenten verloren voor de meute staan. Ik zie hoe zij zich terugtrekken.

‘Blijkbaar is het voor velen in het Westen niet duidelijk dat er in Oost-Duitsland twee generaties zijn, wier collectieve politieke ervaring bestaat uit het omverwerpen van een politiek systeem en vervolgens uit het dwingen van de nieuwe staat om zich in Hoyerswerda en Rostock terug te trekken voor hun racistisch gemotiveerde wil.’ Dat schrijft rechts-extremisme-expert David Begrich na de Chemnitz-marsen in een tekst die velen op Facebook delen. Begrich was destijds in Rostock-Lichtenhagen, hij was een van de mensen naar wie de schreeuwende mannen met stoeptegels gooiden.

Het kan op een demonische manier bevrijdend zijn als van jou en de mensen om je heen alleen nog het allerergste wordt verwacht

Tegen het einde van de jaren negentig trekt deze nieuwe staat zich terug – uit de kleine steden en dorpen. Veel mensen die zo oud zijn als ik rekenen er niet meer op. We zien allemaal hetzelfde: er komen geen politieagenten als er dertig kaalgeschoren types bij een jeugdclub opduiken en mensen in elkaar slaan, of ze komen alleen met z’n tweeën en blijven dan in hun auto zitten. Wat moeten ze doen? Zelf in elkaar geslagen worden? Dat gebeurt soms ook. De grote macht van de Volkspolitie is net zo gebroken als die van onze leraren. In de ddr konden deze autoriteiten nog op eigen gezag hele biografieën verpesten – jij mag studeren en jij niet – en nu lachen we ze uit als ze voor ons staan. We lachen tot ze huilen. Ze zijn bang voor de nieuwe vrije Duitse jeugd.

Jongerencentrum nabij Rostock, Oost-Duitsland. 1991

Tegenwoordig reis ik vaker naar Oost-Europese landen die vroeger ook socialistisch waren. Als ik daar met mensen van mijn leeftijd praat over de breuken van de jaren negentig, de barbarij, het opheffen van grenzen, die ze vaak nóg harder en schrijnender beschrijven, omdat het daar nóg harder en schrijnender was dan in Duitsland, dan tref ik bij hen een verhouding tot de politie aan die me aan mijn tijd doet denken: iets tussen angst en minachting.

En natuurlijk zijn dit niet de jaren negentig van de vorige eeuw, de nieuwe staat heeft zich geconsolideerd. Maar als er, zoals in Chemnitz, te weinig politieagenten zijn, als ambtenaren in Köthen een extreem-rechtse spreker met haar fantasieën over vergassing en moord alleen maar filmen, in plaats van onmiddellijk naar de demonstratie te gaan, dan bevestigt dat de nazi’s, net als hun tegenstanders, in wat ze hebben geleerd: de staat trekt zich terug.

Na de val van de Berlijnse Muur leerde ik in de jaren daarna, toen de dodenlijst steeds langer werd, nóg iets: je kunt sterven, heel makkelijk. Als er ook maar één psychopaat in een horde nazi’s zit die je gezicht niet bevalt en van geen ophouden weet, ben je dood. Sommige kennissen dachten dat ze veilig waren omdat ze wit waren. Ze dachten dat ze zich konden verstoppen. Maar wie anders is en wie niet, dat is niet aan jou, maar aan de nazi’s. Mahmud Azhar en Farid Guendoul stierven, net zo goed als Wolfgang Auch en Horst Hennersdorf.

Als ik voor het eerst persoonlijk in aanraking kom met haat, ben ik elf of twaalf jaar oud. Mijn moeder werkt nog steeds als agrochemicus en berekent hoeveel meststof het gele strooivliegtuig op de velden rond ons dorp laat vallen. Op een dag zit de piloot van dit vliegtuig in onze woonkamer op een bruine stoffen fauteuil, hij wacht op mijn moeder en ik vraag hem, omdat ik hem aardig vind, omdat ik hem cool vind, ik bedoel, hij is toch een piloot, in ieder geval vraag ik hem hoe het nu met hem gaat. En hij heeft het over de ‘Wall Street-joden’ die verantwoordelijk zijn voor dit alles; hij wordt luider, opgewondener – brandende roodheid eerst in zijn nek, dan op zijn gezicht. Ik weet dat nog zo goed, omdat ik niets kan beginnen met het woord ‘Wall Street’ en ik denk dat er bij ons helemaal geen joden zijn. De man overvalt me met een woede waarvan ik noch de bron noch de bestemming ken.

Nieuwe regels. Ik had ze graag geleerd als ik ze had begrepen. Is het beter om de bus te nemen, waar je niet meer uitkomt als er kale koppen instappen? Of kun je beter lopen of fietsen, maar dan ben je te traag als ze je achterna zitten met de auto? Ook anderen hebben geprobeerd de nieuwe wereld op orde te brengen: de districtshoofdstad is rechts, de dorpen zijn links. Maar deze orde verkruimelde meteen weer als vijftien, twintig, dertig nazi’s een dorpsfeest verstoorden.

Veel kale koppen kwamen uit grote gezinnen, die in huizen woonden te midden van Hitler-bustes en keizerlijke oorlogsvlaggen. De zonen van de clans, met de namen waar je bang voor moet zijn, waren vier tot acht jaar ouder dan ik. Ze patrouilleerden door de stad in hun Golfjes of te voet. Wie zij ontzagen en wie zij te grazen namen, verliep volgens een code die alleen zijzelf begrepen. Als ze iemand uit de ddr-tijd kenden, van school, dan kon dat goed zijn. Maar ook heel slecht, als ze hem toen al niet mochten. Gekleurd haar en lang haar was helemaal verkeerd. Maar iedereen die uit de districtshoofdstad kwam, die overigens midden jaren negentig was gedegradeerd tot een gewone kleine stad, was op een avond ook met lang haar oké, en dan sloegen ze liever een andere nazi-bende in elkaar, want die kwam uit een dorp verderop en ‘had zich hier breed gemaakt’.

In de jaren negentig begreep ik deze verbanden slechts vaag. Veel heb ik pas gehoord tijdens gesprekken voor dit stuk. Ik kende geen van de belangrijke nazi’s, ik kwam uit het dorp, ik was ver weg van het centrum van de macht. Ik kon geen onderscheid maken tussen degenen tegen wie ik me wellicht had kunnen verdedigen zonder dat er meteen vijf mannen naar me op zoek waren gegaan, en degenen die levensbedreigend waren. Mij overkwamen eenvoudigweg dingen.

Ik zit in de bus, drie kale koppen stappen in zonder te betalen. Ze lopen door naar achteren, ik doe alsof ik lees. Ze lopen langs me, en plotseling is het nat in mijn gezicht. Een van hen heeft me in het gezicht gespuugd. Voordat ik het goed en wel besef, drukt de kleinste van hen zijn duim in mijn linkerwang en wrijft hard tot mijn tanden pijn doen. ‘Je moet jezelf schoonmaken’, zegt hij met een hoge stem. ‘Moet je moeder tot aan de bus achter je aan lopen, hè?’ Ik zie er waarschijnlijk uit als een hert in de koplamp van een auto, de drie pissen bijna in hun broek van het lachen. De hand van die kleine ruikt naar oude tabak.

Als ik de drie kilometer van school naar huis loop, stopt er een auto met piepende banden naast me. Ik begin onmiddellijk te rennen, het veld in. Achter me hoor ik gelach. Ik ren over het zachte voorjaarsgroen, zware brokken modder blijven aan mijn schoenen kleven en vallen er weer af. Ze rijden over de weg achter me aan, roken en kijken naar mij. Een kilometer voor het dorp geven ze gas en verdwijnen ze.

De jongen die in de ddr-tijd op die ‘verdomde Russen’ had gescholden, legt me de bewapening aan boord van zijn auto uit. Hij laat me zijn honkbalknuppel zien en waar hij het alarmpistool onder de passagiersstoel verstopt heeft. ‘Ik ga nooit meer ongewapend de deur uit’, zegt hij. ‘Ik ben toch niet dom?’

Ik zie de tijd van 1991 tot 1998 als door het matglas van een stationstoilet. Het is moeilijk voor mij om eraan terug te denken. Ik ben niet de enige. ‘Soms vraag ik me wel eens af of ik me de hele jaren negentig niet heb ingebeeld’, zegt Manja Präkels als we het erover hebben. Ze zegt: ‘Zelfs vrienden die erbij waren konden of wilden het zich niet meer herinneren.’

Als kind ben ik nog klein en dik, maar in de puberteit schiet ik omhoog. Genetisch gezien ben ik een nazi, bijna 1,90 meter lang, blond, grijsblauwe ogen. Ik train met halters. Maar ik mis het vechtersbazen-gen, het verlangen om anderen te zien bloeden, ik zie de honger in de ogen van de zonen van de clan en hun handlangers, en ik weet dat ik een prooi ben. Dus ik probeer te verdwijnen, ik draag grijs, ik ben een kleine muis. God, als ik nou maar kleiner was geweest.

Had ik gisteren niet alles gelezen over Ernst Thälmann en zijn kameraden? Hoe zij gestorven waren in de strijd tegen het fascisme? Ik wil niet sterven, ik wil gewoon met rust gelaten worden. Ik schaam me. We schamen ons allemaal. ‘De jaren negentig zijn een groot taboe in Oost-Duitsland’, zegt Manja Präkels. ‘Die tijd is met grote schaamte omgeven.’ Iedereen heeft daar zijn eigen redenen voor. De een wordt ontslagen en vindt nooit meer werk, de ander staat achter de gordijnen en verheugt zich er stiekem over dat het asielzoekershuis in brand staat, en ik, ik ben een lafaard.

Het had ook anders kunnen gaan. Er waren ook oprechte antifascisten, punkers, die ik kende, maar nooit op straat zag. Vrouwen die naar dezelfde school gingen als ik en met wie ik voor dit stuk sprak, zeiden dat ze niet bang waren. Een van hen vertelde dat de kale koppen uit haar dorp meestal probeerden indruk op haar te maken. Ze zei ook dat ze niet wist of de ergste vechtersbazen echt nazi’s waren. Het was en is niet makkelijk om de scheidslijn te trekken tussen degenen die wilden vechten en daar een rechtvaardiging voor zochten in Mein Kampf en degenen die vochten omdat ze het politiek noodzakelijk vonden. Geweld was normaal en in deze normaliteit zwommen de nazi’s als vissen in de zee.

Ik heb mijn ouders niets verteld. Dat zou verklikken zijn. De jongens hebben de dingen vroeger onderling uitgezocht en dat zouden ze nu ook moeten doen. Overigens was mij niets overkomen. Er was geen tand uit mijn mond geslagen, ik had beide ogen nog, en was ook niet dood. Anderen hebben hun vaders en moeders wel iets verteld, Manja Präkels schrijft daarover in haar boek en ze schrijft ook wat veel ouders hebben geantwoord: provoceer toch niet zo!

De volwassenen konden zich niet voorstellen dat de lieve kleine Ricardo’s, Michaels en Kai’s van vroeger veranderd waren in vechtmachines. Ik had het hun ook niet kunnen uitleggen. Dus riepen ze een parallelle wereld op. Er is geen probleem met het rechts-extremisme, zeiden de burgemeesters als er weer iemand werd neergeknald of stierf. Ik vroeg me af wie er nou gek geworden was, zij of ik?

‘De ouders werden getroffen door een ramp, ze moesten overleven’, zegt Manja Präkels, ‘en tijdens dat proces verloren ze vaak hun kinderen.’ En als voortdurend van alles wordt ontkend, als er voortdurend wederzijds wordt bevestigd dat het normaal is om het Horst Wessel-lied te zingen als de A-jeugd speelt, dan ontstaat er een nieuwe normaliteit.

Na de zesde klas, in het najaar van 1991, ga ik naar de middelbare school. Ik ontmoet mijn vrienden uit het dorp nog maar zelden, ik ben nu beter dan zij, althans, zo zien zij het of ik denk dat ze het zo zien. Ik trek me terug. Vroeger las ik al graag, en nu lees ik des te meer. Kort voor de val van het communisme zijn we verhuisd naar een ander blok, ik heb nu mijn eigen kamer en hoef niet meer in hetzelfde bed te slapen als mijn vader en moeder. Dat maakt het makkelijker om je te verstoppen. Als ik zestien ben, kopen mijn ouders een computer en speel ik een ijshockeyspel. Deze werelden zijn van buiten onaangetast en controleerbaar. Af en toe kom ik buiten, en dan duik ik op als een onderzeeër na een lange reis. De berichten van boven zijn al jaren hetzelfde: ofwel is er stress, of iemand vertelt hoe er stress was.

De een wordt ontslagen en vindt nooit meer werk, de ander staat achter de gordijnen en verheugt zich erover dat het asielzoekershuis in brand staat

‘Hij dwong zijn vriendin om als hoer te werken en wurgde haar vervolgens met een elektriciteitssnoer.’

‘Laatst vermoordden ze bijna iemand op de Havel.’

‘Ze gingen met een bijl naar het jeugdhonk. Degene die achter de deur stond kreeg de volle laag. De politie was weer eens te laat.’

Ik heb weinig vrienden. Ik ben de sukkel van het dorp. Na lang aandringen heeft mijn moeder een Levi’s gekocht, maar op mijn dikke achterste ziet de spijkerbroek eruit alsof iemand mijn kont tot twee dunne worstjes probeert te kneden. Toch moet ik hem dragen, de broek was immers duur. In de schoolbus lachen ze me uit. Ik ben vaak alleen, dus ik ben een doelwit en daarom kom ik nóg minder buiten.

Na drie jaar op de middelbare school maak ik andere vrienden. Er is een kleine, magere jongen, die vaak glimlacht en me met de auto naar huis brengt als het laat wordt. Hij zegt: ‘Mijn vader was al rechts. Daarom had hij problemen met die verdomde communisten.’ Een ander lid van de kliek ziet er vaak somber uit, maar vrolijkt je op als het op school klote is geweest. Hij vindt de rechts-nationalistische Nationaldemokratische Partei Deutschlands goed en heeft contacten met een fascistische clan in een groter dorp in de buurt. Dan is er nog de zoon van een politieagent, die altijd luidruchtig is, altijd aan het faxen is, genereus met iedereen deelt en buitenlanders klote vindt.

En iemand die altijd rustig is, hoewel zijn moeder hem stress bezorgt: hij mag niet afzakken, niet falen, niet ten onder gaan in deze nieuwe wereld. Thuis luistert hij naar cd’s van bands als Zyklon B en Zillertaler Türkenjäger. Op de achterruit van zijn auto staat in gotische letters het opschrift ‘Euthanasie’. De band heet eigenlijk Oithanasie, maar hij vond het destijds een grappig woordspelletje om de naam zo te schrijven.

We doorkruisen in konvooi het land. Op naar de volgende McDonald’s aan de snelweg, naar de Oostzee, naar Tsjechië, naar Denemarken. Met hoe meer we zijn, des te groter onze landkaart wordt. Twee auto’s zijn goed, vier auto’s zijn beter. Als zwerm schrikken we anderen af. Ik ontdek hoe geweldig het kan zijn om iemand bang te maken in plaats van zelf bang te zijn. Ik plas op de motorkap van een Wessi.

‘Rechts’ of ‘links’ is een kwestie van kleding, kapsel en ‘innerlijke houding’, zoals we het vroeger noemden. De mode van de harde nazi’s verspreidt zich in moleculen ook op de middelbare school, velen dragen de groene bomberjacks met oranje voering. Ik heb lang haar, ik heb ‘niets tegen buitenlanders’, ik vind het klote om op ze te jagen en ze in elkaar te slaan. Dat zeg ik soms ook en dan maken we ruzie. Ik moet wegrennen voor de nazi’s. Dus ik ben links.

In de voedselketen van de jongensgroepen staan we niet bovenaan. Als de Tights uit de Muckibude eraan komen, de getatoeëerde reuzen met martial arts of gevangenis in hun cv, en geen van de anderen kent iemand die iemand kent, maken we onszelf klein of verdwijnen we in het niets.

Stress is er nog steeds, natuurlijk. We willen op vaderdag (‘Herrentag’) naar een meer gaan. Twee van ons willen er met de fiets naartoe. Stom idee, zeggen de anderen, je komt er nooit alleen. Ze zetten het toch door. Later vinden we ze bloedend op de landweg en lachen we ze uit.

De soundtrack van deze tijd waren de Böhse Onkelz. Ik haatte die band, ik moest bij hun huilerige liedjes voor gevallen jongens aan de drinkende mannen bij de garages denken. Maar één liedje van de Onkelz zit vandaag de dag nog steeds in mijn hoofd: ‘We waren meer dan vrienden/ we waren als broeders/ we zongen jarenlang dezelfde liederen.’ Het heet Alleen de besten sterven jong’ en ik vond het misschien leuk omdat ik die stomme jonge pioniers miste, de tijd dat we liever papier en flessen verzamelden dan dat we elkaars leven tot een hel maakten, en omdat ik dacht: ja, je kunt echt sterven.

Ik weet het nog steeds niet zeker. Op een avond rijd ik toevallig niet naar de parkeerplaats bij de Netto-Markt waar we elkaar altijd ontmoeten. Er zijn er maar een paar en ze vormen een makkelijke prooi voor een grotere groep vechtersbazen uit een naburige stad. Een van ons krijgt het bijzonder zwaar voor de kiezen. Hij rijdt nog op zijn brommer naar huis, maar kan zijn hoofd niet meer uit zijn helm krijgen, de trappen en slagen hebben het te veel doen opzwellen. Hij komt op de intensive care terecht.

© Tom Stoddart / Getty

Sommige herinneringen zijn als splinters die jaren later nog steeds pijn doen. De Turkse vriend die ik had is zo’n splinter. We gaan naar Hongarije, de laatste keer dat we samen zijn. We liggen aan het Balatonmeer, voetballen. We trekken de deur van het toilet open en maken foto’s van elkaar terwijl we aan het poepen zijn, we scheren elkaars borsthaar. En dan zitten we in een café, ik lees de krant, misschien lees ik iets over een overval, dat weet ik niet meer. Een vriend zegt iets over ‘stomme buitenlanders’ en dat ze het verdiend hebben, en ik zit meteen op de kast. Ik roep dat ik een Turkse vriend heb en dat hij in het ziekenhuis in Berlijn ligt ‘vanwege mensen zoals jij’. Het is een kort moment, het duurt slechts een paar seconden, en ik voel me meteen slecht.

Omdat ik gelogen heb, ik heb geen Turkse vrienden, en ook geen vrienden met Turkse namen, waarom ook? Bij ons op school zat de zoon van een ingenieur uit Angola of Mozambique, die niet wit was. Zelfs de Turkse vrouwen die ik kende waren geboren in de districtshoofdstad of in een van de dorpen. Ik schaam me ook omdat ik weet dat er mensen zijn die echt verbrand of doodgeschopt zijn. En ik verzin er een. Tegelijkertijd ben ik bang dat onze vriendschap nu voorbij is.

Dat is ook een deel van de waarheid van die jaren: velen kenden de rechts-radicalen, de neonazi’s niet alleen van een afstand. We waren bevriend met hen, we vonden sommigen van hen leuk, we profiteerden van hun bescherming. In het boek van Manja Präkels heeft de Obernazi misschien wel het leven van de hoofdpersoon gered. ‘Het feit dat de nazi’s vaak onze vroegere schoolvrienden waren, onze broeders, onze neven en nichten, maakte de discussie destijds zo moeilijk’, zegt Manja Präkels. ‘En dat maakt haar vandaag de dag ook moeilijk.’

Ze zegt ook dat ze destijds soms het gevoel had dat iemand een beschermende hand over haar heen hield. ‘Misschien kwam dat voort uit de tederheid van de herinneringen aan elkaar als kind. Maar die tederheid is er niet voor vreemden, voor mensen met een andere huidskleur.’

Vandaag de dag kampen niet alleen Oost-Duitsers met dit dilemma, de AfD is ook succesvol in het Westen. Als je ruzie moet maken met je broer of een vriend, dan kun je de nazi’s niet langer uitbesteden aan Saksen, dan zit je midden in een Duitse identiteitscrisis. Volgens Präkels is dit de grote vraag: ‘Zitten we liever aan tafel met een ons bekende rechts-extremist en doen we alsof alles normaal is, of stellen we hem en dus ook onszelf ter discussie door op te komen voor diegenen die ons vreemd zijn?’

‘Hm, shit, is hij zwaar gewond?’ zegt de vriend. Ik mompel iets van ‘niet zo erg’, ik blijf liegen. Als je daar eenmaal mee begonnen bent, kun je er niet zomaar mee stoppen. ‘Het spijt me, ik bedoelde het niet zo’, zegt hij.

Ik ga naar Berlijn voor mijn vervangende dienstplicht. Vanaf 1999 studeer ik in Leipzig. Ik heb geluk en ontmoet goede mensen uit het Westen en het Oosten. Als ik in de juiste wijken blijf, ontmoet ik geen mannen met kale koppen. Slechts af en toe hoor ik echo’s uit het verleden. Begin deze eeuw treft een vriend een gat aan in de achterruit van zijn auto, het kind van het gezin boven hem heeft een vaas uit het raam gegooid. De vader van het kind, een kale kop met kale-koppenvrienden, heeft geen zin om de schade te betalen en dat maakt hij mijn vriend duidelijk. Ik denk erover om mijn mensen in Brandenburg te bellen, maar deze nazi komt uit Leipzig en hoeft geen tweehonderd kilometer te rijden om met meer mensen terug te vechten.

In het stadje waar ik naar school ging, zijn er vandaag de dag nog steeds vrouwen met hoofddoekjes die in het Russisch tegen hun zonen brullen dat ze op ze moeten wachten. Mensen van wie de ouders uit Vietnam of Turkije afkomstig zijn, werken in de pubs en cafés. De vriend die destijds ‘Euthanasie’ op zijn achterruit had staan en die ik voor dit stuk opnieuw heb gesproken, zegt dat hij bevriend is met ‘Koerden, Turken, Russen en Vietnamezen’. Maar hij vindt ook dat we de mensen moeten begrijpen die liever niet met zoveel buitenlanders willen samenleven. Als ik hem vraag of hij zo wil leven, zegt hij: ‘O, ik weet het toch ook niet.’

Ik heb niet gevochten en zeker niet gewonnen. Ik ben gewoon weggegaan.


Daniel Schulz is journalist bij de Berlijnse krantDie Tageszeitung,waarin dit verhaal ook verscheen. Vertaling: Menno Grootveld