William M. Kelley. Vergeten gigant

‘We waren zelfverzekerd’

Onlangs verscheen bij Atlas Contact de herontdekte roman uit 1962 A Different Drummer van William M. Kelley in Nederlandse vertaling. Daarin verlaat de zwarte bevolking massaal een fictieve zuidelijke staat. De schrijver had een geheel eigen versie van zwart activisme.

Carl van Vechten, William Melvin Kelley, 23 april 1963. Zilvergelatinedruk © Carl van Vechten / Library of Congress

Helemaal op het einde van het interview, als we de onwaarschijnlijke levensloop van schrijver William M. Kelley (1937-2017) en zijn vrouw Aiki/Karen Kelley zo’n beetje hebben doorgenomen, terwijl dochter Jesi ook te zien en te horen is op het scherm van deze video conference call, zegt Aiki over haar overleden man: ‘Yes, William Melvin Kelly was a real piece of work.’ Stralend zegt ze het, vertederd bijna. Ik begrijp eigenlijk meteen wat ze bedoelt, maar vertalen is nog niet zo eenvoudig. Kelley ‘was me er eentje’, hij was ‘een lastig geval’, ‘niet de gemakkelijkste’. Maar ook: hijzelf was een deel van zijn werk, van zijn kunst, de schrijver leefde zoals de protagonisten in zijn boeken zich gedroegen.

Het komt vaker voor dat een romancier een romanfiguur in het leven roept waarna de schrijver zelf steeds meer op de romanfiguur gaat lijken. En bij William M. Kelley is dat het geval: zijn herontdekte debuutroman uit 1962 A Different Drummer speelt in een imaginaire zuidelijke staat in 1957, in de jaren dat de raciale ongelijkheid in Amerika telkens weer het wereldnieuws bepaalde. In het boek speelt ene Tucker Caliban een zo goed als zwijgende hoofdrol, als in een stomme film. En het draait om deze zwarte Amerikaan, die kort daarvoor een eigen boerenbedrijf is begonnen, op dezelfde grond waar zijn voorvaderen als slaven en later als knechten werkten. Caliban heeft het perceel gekocht van de verre nazaat van de slavenhouder, die ooit zijn bet-overgrootvader ‘in bezit’ had. En op deze herwonnen grond, nu als zelfstandige boer, rekent Caliban voor eens en altijd af met het verleden. Hij licht zijn daden nauwelijks toe, het zijn de blanke omstanders uit het dorp die wanhopig proberen de acties van Caliban te verklaren en te begrijpen.

Caliban zelf zwijgt. Hij handelt, en hoe: hij vernietigt zijn net verworven bezit, strooit zout uit op de akkers, doodt zijn vee, zet het net gekochte huis in brand, slaat de antieke klok aan barrels en vertrekt met zijn vrouw en kind. De blanke omstanders staan ongelovig toe te kijken. Waarom? Wat bezielt Caliban?

In ieder geval is duidelijk dat hij geen deel meer wil uitmaken van zijn vertrouwde omgeving. Even later wordt zijn voorbeeld door alle zwarte bewoners van de staat gevolgd. Ze laten hun bezittingen achter, huizen, huisraad, en vertrekken met alleen een koffer naar een onbekend elders. Exodus, naar het bijbelboek maar dan in de twintigste eeuw.

William Kelley schrijft: ‘In juni 1957 zijn alle neger-inwoners, om nog onopgehelderde redenen, uit de staat vertrokken. Heden ten dage is de staat uniek omdat deze de enige in de Unie is die geen enkel lid van het negroïde ras tot zijn inwoners kan rekenen.’

In hetzelfde jaar dat A Different Drummer uitkomt, in 1962, trouwt Kelley met de vrouw die na 55 jaar zijn weduwe zal worden. Ze heet dan nog Karen Gibson, verandert later haar voornaam in Aiki.

Het boek wordt meteen opgemerkt, zegt Aiki/Karen, en haar man geldt in die dagen als een van de meest veelbelovende zwarte auteurs van Amerika. Twee jaar eerder, in 1960, had William Kelley de Dana Reed-prijs gewonnen, als best schrijvende bachelorstudent van Harvard. Hij had een befaamd geworden opiniestuk gepubliceerd in The New York Times, ‘If You’re Woke You Dig It’, waarin de jonge auteur liet zien hoe het beatnik-idioom van die dagen veel oudere wortels had, en wel in de Afro-Amerikaanse spreektaal. ‘Woke’ werd later het codewoord voor zwarte activisten en artiesten, en het wil zoveel zeggen als dat je je ‘bewust’ bent van de situatie, dat je ‘wakker’ bent.

Beroemder dan op dat moment zal William M. Kelley bij leven niet meer worden. Kranten en magazines willen bijdragen van zijn hand, het aura van veelbelovendheid maakt iedereen nieuwsgierig en bij voorbaat geïnteresseerd, bang ‘the newest thing’ te missen. Aiki zegt het giechelend, maar zonder ironie: ‘I married a genius.’

William M. Kelley wordt na het verschijnen van zijn debuutroman door critici in één adem genoemd met schrijvers als James Baldwin – toen al bekend – en William Faulkner. Aiki zegt het nog steeds blijmoedig: ‘En meer geld, eer en roem dan toen hebben we eigenlijk daarna niet meer gekend.’

De twee hebben elkaar eerder ontmoet, zij veertien, een lichtbruin meisje uit de black bourgeoisie van Chicago, hij zeventien, opgegroeid in de arbeidersbuurt de Bronx en met een beurs toegelaten tot de beroemde privéschool Fieldston in New York, waarvan leerlingen vanzelfsprekend doorstroomden naar Ivy League-universiteiten. De eerste ontmoeting was geen succes. Aiki: ‘Hate at first sight.’ Zij vond hem arrogant en ongelooflijk zelfgenoegzaam, hij vond haar maar een verwend meisje, met haar eigen paard, het enorme huis waarin ze woonde en de ouderlijke toezegging dat ze meteen een auto zou krijgen wanneer ze haar rijbewijs zou halen.

Negen jaar later vindt er een tweede ontmoeting plaats. Zij heeft dan gestudeerd aan het peperdure Sarah Lawrence College, wil beeldend kunstenaar worden, en William Kelley, de Harvard-student, staat op het punt van doorbreken. Waarin? In alles. Literatuur schrijven, kunst maken. Een nieuwe levenskunst uitvinden. Dat laatste willen ze allebei. Twee artistiekelingen: zij lichtbruin, met veel native American in haar genealogie, hij donkerbruin. Beiden zijn vastbesloten om de Amerikaanse ras- en kleurbeperkingen te ‘overstijgen’, ‘to transcend race’.

Aiki: ‘Het is niet zo dat we dagelijks met racisme te maken hadden. Williams vader had voldoende intellectueel kapitaal, als journalist van de toen populaire zwarte krant The Amsterdam News, en mijn ouders beschikten over voldoende financieel kapitaal om zich allerlei privileges te kunnen toe-eigenen.’

Maar beiden willen breken met, zoals Aiki het noemt, ‘de hele raciale constructie, die gangbaar was en nog steeds is in Amerika’. Black and white. Alles gebaseerd op de ‘one drop of negro blood rule’, die maakt dat levens uitsluitend in zwart of wit getekend kunnen worden. Aiki: ‘En ik had ook zo genoeg van het zwarte bourgeois leven van mijn ouders: ik wilde anders zijn, niet meer voorzichtig en oppassend: ik wilde nieuwe kunst ontdekken, Afrikaanse cultuur leren kennen.’

Ze kijkt haar dochter Jesi aan, die kennelijk weet wat er gaat komen en begint te knikken: ‘William en ik hebben onze twee kinderen opgevoed met een duidelijk idee: there are pink people and brown people, and that’s it. Maar geloof asjeblieft niet in die krankzinnige raciale mythe.’ De andere dochter, Cira, laat zich verontschuldigen: ze is maatschappelijk werkster op New Yorkse scholen, en ‘the kids’ hebben haar nodig vandaag.

Alle drie de Kelleys, moeder Aiki en de dochters, wonen nog steeds in de Bronx, in hetzelfde flatgebouw. Wat je noemt a very close family. Dochter Jesi, inmiddels toch ook in de vijftig, heeft het voortdurend over ‘poppy’ en ‘mommy’.

‘Hij was het voorbeeld voor al die Italiaanse migranten­jongens die hun uiterste best deden om te worden zoals hij: een Amerikaan’

Aiki wil een kanttekening plaatsen als ik begin over de jeugd van haar man, William Kelley: ‘Hij groeide op in de Bronx, in een migrantengemeenschap van Ierse en vooral Italiaanse arbeiders. Er was niet veel geld, William was zwart volgens alle Amerikaanse standaarden, maar hij was vooral ook een Amerikaan, die als geen ander vertrouwd was met de taal, gewoonten en gebruiken van Amerika. He grew up integrated. Hij was het voorbeeld voor al die Italiaanse migrantenjongens die hun uiterste best deden om te worden zoals hij: een Amerikaan.’ Ze giechelt: ‘En die Italiaanse jongens moesten ook nog eens leren hoe ze witte Amerikanen moesten worden.’

Aiki wil maar zeggen: haar man heeft nooit getwijfeld aan eigen kunnen, heeft nooit geloofd in zijn veronderstelde minderwaardigheid ten opzichte van white America. ‘We waren goed, wisten wij allebei. We waren zelfverzekerd.’

William en Aiki Kelley op huwelijksreis in Zwitserland, december 1963 © credi Estate of William Melvin Kelleyt

Die wereldwijde herontdekking van het boek, en ook van Kelley als schrijver (hij heeft meerdere boeken op zijn naam) heeft alles te maken met het laaiend enthousiaste profiel dat de Amerikaanse journaliste Kathryn Schulz een jaar geleden over hem en zijn werk schreef. De titel: The Lost Giant of American Literature. De vergeten gigant dus, de man die het aangezicht van de Amerikaanse literatuur heeft veranderd, maar in de vergetelheid is geraakt. Nadien is het boek in negen landen in vertaling genomen. William M. Kelley heeft het net niet meer kunnen meemaken, hij stierf een klein jaar voor zijn grote herontdekking.

Maar dochter Jesi weet zeker dat ‘poppy’ er altijd heilig in heeft geloofd. ‘We hebben echt behoeftige en arme tijden meegemaakt, maar poppy zei altijd: “Geen zorgen. We leven op een goudmijn. Als de nood aan de man komt, kun je altijd gaan graven en mijn dagboeken en manuscripten te gelde maken.”’

Die belofte moet in de latere, armoedige omstandigheden ooit overspannen hebben geklonken, maar wordt nu bewaarheid. William M. Kelley is erin geslaagd na zijn dood uitermate veelbelovend te worden.

Het is dat standvastige, autonome bewustzijn, dat ook tekenend is voor A Different Drummer, onlangs in het Nederlands vertaald als Uit de maat. Het motto van zijn roman ontleende William Kelley aan de negentiende-eeuwse Amerikaanse denker en schrijver Henry David Thoreau, auteur van Walden en ook bedenker van het begrip civil disobedience, burgerlijke ongehoorzaamheid, het concept dat later met zoveel overtuiging door Mahatma Gandhi en Martin Luther King in praktijk werd gebracht. In de woorden van Thoreau: ‘Als iemand niet met zijn kameraden in de pas kan blijven, komt dat misschien doordat hij een andere tamboer hoort. Laat hem stappen op de maat van de muziek die hij hoort, in wat voor maat en hoe ver dan ook.’

Het is die eigenzinnigheid die hoofdfiguur Tucker Caliban uit A Different Drummer typeert: zijn rigoureuze breuk met het slavernijverleden en het kolonialisme, door één enkele, individuele daad te stellen: de weigering om ‘in de pas’ te lopen, of zelfs maar mee te gaan in het protest van zijn ‘zwarte kameraden’. Tucker Caliban is een einzelgänger, hij stelt een voorbeeld, trekt zich terug uit de hele raciale constellatie, en anderen volgen hem. He makes the difference.

Kelley zelf leidt ook zo’n leven, eigenlijk steeds meer na het verschijnen van zijn eerste roman. Een onthecht leven, een anarchistisch en zelfbewust leven, alsof hij de twijfel niet kent, alsof iemand hem direct na zijn geboorte had ingeënt met een fikse dosis zelfvertrouwen.

Net na hun huwelijk, vertelt Aiki, ontmoet ze een kennis die haar zegt: ‘En nu niet meteen kinderen. Eerst de wereld zien.’ Het stel gaat op reis, voor onbepaalde tijd, naar Rome. Zij spreekt een beetje Italiaans, hij herinnert zich nog veel uit zijn jeugd in de Bronx.

De dag dat J.F. Kennedy wordt vermoord en de Italiaanse krantenjongens het uitschreeuwen (20 november 1963), heeft het stel een nog opzienbarender ervaring: ze bezoeken ’s avonds een tentoonstelling van Simon Gouverneur, een Amerikaans-Venezolaanse beeldend kunstenaar die volgens Aiki ‘ons de ogen opende voor de rijkdom van Afrikaanse beelden en patronen’. Ze zegt nog net niet: vergeet Kennedy. ‘Wij ontdekten die dag iets anders: kunst, cultuur, onze cultuur, waarvan we zo weinig wisten.’ Als de Kelleys iets zijn ‘kwijtgeraakt zonder precies te weten wat’ – een zin die ook essentieel is in A Different Drummer – vinden ze die avond wat ze misten en niet eerder konden benoemen.

Het is alsof Kelley zich met zijn roman uit ’62 buiten de ‘tijdgeest’ heeft geplaatst en die ook weer heeft overstegen. Het boek is geschreven vanuit ‘wit’ perspectief – lees roze – en het eigenlijke onderwerp is niet hoe een zwarte Amerikaan zijn leven leidt in het verscheurde land, zoals bij auteurs als Richard Wright, Ralph Ellison en iets later James Baldwin, maar hoe wit Amerika kon leven met de raciale hiërarchie, de ‘white supremacy’. Wat heeft het met wit Amerika gedaan, hoezeer zijn de witte Amerikanen erdoor misvormd? Het ontluisterende aan het boek is het psychologische inzicht en de kennis die Kelley heeft over ‘his white fellow Americans’. Hij legt ze op de snijtafel en kent blijkbaar al hun motieven.

De Amerikaanse schrijver en academicus W.E.B. Du Bois schreef in de jaren dertig al over ‘the double consciousness’: zwarte Amerikanen weten alles van hun kleurgenoten en noodgedwongen ook alles van de witte wereld. Want daar moeten ze uiteindelijk mee omgaan, met De Mevrouw, De Baas of zelfs De Loodgieter die toch wit is. Een belangrijk psychologisch inzicht, en Kelley laat de praktijk zien. Hij is de schrijver die beter weet wat zijn verkrachter drijft dan de verkrachter zelf. Hij klaagt niet aan; hij is genadeloos precies en kent alle nuances die ook wit Amerika kenmerken. Kelley verbrokkelt het ‘witte blok’ en laat zien hoeveel verschillen daarbinnen schuil gaan en hoeveel ambiguïteiten.

Dit klinkt nu bijna postmodern, maar vergeet niet: 1962, jaar van publicatie. Martin Luther King moet nog zijn March on Washington houden (1963), president Johnson gaat iets later de Voting Right Act (1965) bekrachtigen: wat een merkwaardige zelfverzekerdheid moet William M. Kelley eigen zijn geweest.

De viering van Williams 38ste verjaardag in Bull Bay, Jamaica, met vrouw Aiki en dochters Cira en Jesi, 1975 © Estate of William Melvin Kelley

Terug naar Amerika, naar New York weer, niet zozeer om Kennedy te bewenen, maar om dichter bij elkaars vrienden en familie te zijn. Dochter Jesi wordt geboren. Kelley schrijft nog twee boeken (vrijwel onopgemerkt gebleven). Het gaat best, hij verdient geld als journalist bij bladen, en Aiki/Karen heeft zo haar opdrachten en krijgt geld van haar familie, al vraagt die altijd weer wat ze met deze armoedzaaier annex artiest moet, die amper het jonge gezin kan onderhouden.

Tweede moment: de moord op Malcolm X. Aiki, desgevraagd: ‘Ja, Martin Luther King. Maar we waren nooit zo religieus. The church thing bothered us. We waren niet van de kerkelijke galm. En Malcolm X vonden we eerlijk en direct. Om het kort te zeggen: we waren niet zo van die movement people: samen demonsteren tegen onrecht. Neuhhh. We were quite on our own.’

Ik vergeet het altijd weer: ook zwarte Amerikanen waren niet een aaneengesloten blok, maar kwamen in soorten en maten. Zelfs in de tijden van het grote, staatsrechtelijke onrecht. De Kelleys waren outsiders, anders.

Na de moord op Malcolm X (21 februari 1965) wordt Kelley gevraagd om voor een krant een groot verhaal te schrijven over het proces. Hij woont zittingen bij, want er zijn verdachten, en één van hen wordt door de officier van justitie beschreven: een donkerbruine man, met een zwarte baard. Dan wijst de officier plotseling op William Kelley, vraagt of die even wil gaan staan, en zegt dan: ‘Zo ziet een van onze verdachten er ongeveer uit.’

‘Alleen de mensen die zeer arm of zeer rijk zijn kennen vrijheid. Maar de middenklasse, o, die moet spitsroeden lopen. Ik was blij daarvan bevrijd te zijn’

Dat is de druppel, Kelley is laaiend, hij wordt als bruine man nu officieel verdacht van het dragen van een baard. Het jonge gezin trekt halsoverkop naar Parijs, het Parijs waar schrijver Richard Wright zo lang heeft gewoond (Native Son), het Parijs waar James Baldwin zichzelf uitvond. Er zijn contacten en het plan is om goed Frans te leren, zodat ze zich later in een van de francofone landen in Afrika kunnen vestigen. Aiki: ‘We wilden per se niet dat de kinderen opgroeiden met een afgebakend rassenidee. We wilden ze cultuur bijbrengen, zodat ze als zelfverzekerde bruine mensen de wereld in konden.’

Na anderhalf jaar overleven in Parijs veranderen ze van plan, want het francofone Afrika is wel erg ver weg van vrienden en familie in de VS. Iemand vertelt over Jamaica: dat is behoorlijk veel Afrika en toch vlak bij hun geboorteland.

Redelijk naïef komen ze er aan, vestigen zich in een nette buurt in Kingston, met een dienstmeisje en een tuinman, om erachter te komen dat ook de Jamaicaanse samenleving verdeeld is volgens kleurlijnen. Hij zal les geven aan University of the West Indies, maar William Kelley, met zijn muts, zijn baard en zijn vrijmoedige gedrag, is daar meteen een Fremdkörper. Aiki past met haar lichte huid uitstekend in de middenklassepopulatie van de coloureds, maar wat moet ze toch met die donkerbruine man? Als Kelley zijn contract met de universiteit verliest, verdwijnt eerst de tuinman uit zicht, dan het dienstmeisje, dan het nette huis, waarna het gezin zolang mag bivakkeren op de veranda van het voormalige dienstmeisje.

Aiki, die rond die tijd haar naam verandert: ‘Het was een avontuur en we hadden elkaar. Ook onze twee dochters waren hecht. En William geloofde, net als David Henry Thoreau, erg in “vrijwillige armoede”. Niet bang zijn voor schaarste en gebrek, maar het omhelzen.’ Dochter Jesi: ‘Poppy was utterly unafraid to be poor.’

Ik vraag nu aan dochter Jesi, die net als haar zuster niet naar school ging maar les kreeg van haar ouders, hoeveel zij zich nog herinnert van die economische downfall. ‘De verhuizingen naar steeds slechtere buurten, steeds krottiger optrekjes. Ja, ik zag het, maar het raakte me niet, omdat ik zelf ook geloofde in het leven dat mijn ouders wilden leiden. Mijn oriëntatiegevoel voor het gewone en normale was in de loop van de jaren flink door elkaar geschud. Maar, hoe dan ook: strikt om 8.00 PM was er supper, met het hele gezin, op een veranda, ergens buiten of waar dan ook. En er was altijd eten.’

En Aiki, die onvoorwaardelijk in haar man geloofde: ‘William zei me op een dag: “This life made you tough… not hard, but tough.”’ Het verwende prinsesje, met paard en auto en uitsluitend sweaters van kasjmier, bestond niet meer. Het grootste compliment dat William haar maakte: ‘Jij bent de enige vrouw die ik ken die de wereld echt wil veranderen.’

In die tijd hangt William vooral rond met de mannen uit de slums, vaak ook rastafari: ze roken niet alleen ganja maar lezen ook hardop voor uit de bijbel, en dan vooral het Oude Testament, de Pentateuch. Aiki: ‘William zocht naar een moreel richtsnoer, naar een houvast in het leven, voor hemzelf, maar ook voor ons als gezin.’ Samen met haar man leest Aiki de vijf boeken van Mozes en ze zegt het haar man na: ‘That made sense.’

Het hele gezin bekeert zich tot het jodendom – een geheel eigen variant, waar de meeste Amerikaanse joden later, bij terugkeer naar de VS, flink van opkijken. Zo kennen ze geheel eigen feestdagen, op dagen die daarvoor niet bestemd zijn volgens de joodse kalender; het gezin bezoekt nooit een synagoge. Een autonoom leven en een zelf ingericht geloof. Goed, de bacon wordt vaarwel gezegd, en dat is niet moeilijk ‘because bacon was hard to get’.

Al die tijd blijft William Kelley schrijven, elke dag, alsof een uitgever die er niet is hem op zijn hielen zit. Aiki blijft kunst maken, soms verkopen, en verdiept zich in de oosterse vechtkunsten (vandaar de naam ‘Aiki’). Uiteindelijk eindigt het gezin in een bouwval, aan het einde van een zandweg, tien kilometer buiten Kingston. Aiki, filosofisch: ‘Alleen de mensen die zeer arm of zeer rijk zijn kennen vrijheid. Die kunnen onder de radar blijven, die improviseren elke dag. Maar de middenklasse, o, die heeft het zwaar, die moet spitsroeden lopen. Ik was zo tevreden daar definitief van bevrijd te zijn.’

Het is het ideaal van de autarkie die Henry David Thoreau predikte en die de Kelleys radicaal in praktijk brengen. Ze breken met het leven dat ze niet bevalt, dat hun raciale rollen voorschrijft die niet de hunne zijn. Ik probeer dochter Jesi enig protest te ontlokken, want pubers houden in het algemeen niet van de afwijkende principes van hun ouders. Maar Jesi blijft hondstrouw: ‘Zonder de jeugd die ik heb gekend zou ik het niet aandurven nu zelf een kunstenaar te zijn.’

Uiteindelijk blijken de Jamaicaanse visa te zijn verlopen, is het geld nu toch echt op en vertrekt de familie in 1977 weer naar New York, Harlem deze keer. Harlem is dan nog niet bezig hip en upcoming te worden, Harlem is een schim van het swingende jaren-twintig-Harlem van de renaissance, waar de zwarte en bruine avant-gardisten en muzikanten een eigen tegencultuur tot stand brachten.

Een appartement op de zesde verdieping in 125th Street, hoek Fifth Avenue: er is geen lift, geen elektriciteit, geen water, geen conciërge of huisbaas, en zelfs geen voordeur die op slot kan. Dochter Jesi weet nog dat haar vader ’s avonds, nadat de Koreaanse winkel de deuren sloot, door het afval graaide op zoek naar alles wat nog eetbaar was. Schaamteloos. Oké, geeft ze nu toe, zij zelf vond het wel eens lastig.

De twee dochters zijn nu twee immigranten in het land van hun ouders: Amerika. Ze praten ‘funny’, zeggen hun medescholieren – ook een nieuw fenomeen voor ze – en weten niet hoe Afro-Amerikaanse meisjes zich dienen te gedragen. Ze zijn wel donker, maar ze zijn niet ‘black’, niet zwart zoals het op z’n Amerikaans hoort.

Ondertussen blijft William Kelley doortikken aan zijn oeuvre, dat steeds meer een taalexperimentele richting op gaat. Want Kelley is er na zijn Jamaicaanse ervaring (zie Pentateuch) van overtuigd dat je teksten moet horen, moet voorlezen. De orale traditie. Zo is er zijn in het internationaal fonetisch alfabet geschreven werk, dem, dat zich al lezend niet laat ontsluiten. Je moet de woorden en de zinnen hardop uitspreken, anders is de ‘lezer’ reddeloos verloren. James Joyce’s Finnegans Wake, met zijn neologismen en klankexperimenten, is een lichtend voorbeeld. Je zou zweren dat hier een gelauwerd auteur aan het werk is die inmiddels zoveel statuur heeft dat zijn vaste publiek ook deze nieuwigheid zal accepteren. Maar William M. Kelley heeft geen publiek.

Later, eind jaren tachtig, gaat Kelley lesgeven aan de deftige oude school die Aiki/Karen als jonge vrouw bezocht: het Sarah Lawrence College. En tot ieders verbazing, zeker ook die van hemzelf, bevalt hem het lesgeven. Er is iets anders dan schrijven dat hem weet te inspireren. Het lesgeven in schrijven, in creative writing. De laatste jaren van hun gezamenlijke leven kun je de Kelleys bijna een burgerlijk bestaan verwijten.

Ik vraag Aiki naar die andere Amerikaanse held die ik koester, ook een man die zichzelf een ‘brown skinned American’ noemde: Albert Murray, schrijver, essayist, muziek- en jazzcriticus en een groot literatuurliefhebber (zie De Groene van 26 oktober 2016). Woonde zijn leven lang in Harlem (‘Uptown New York’, zoals hij zei). Was net zoals William M. Kelley gefascineerd door spreektaal, door het zwarte Amerikaanse idioom zoals dat doorklonk in de jazz en gewoon gesproken werd op straat.

Zo dicht bij elkaar, die twee, zowel fysiek als ideëel. Hebben ze elkaar ooit ontmoet? Aiki slikt even en zegt: ‘Toen William al behoorlijk ziek was, nierfalen, moest hij vaak met zo’n gemeentelijke taxi naar het ziekenhuis. Op een dag stapte er een andere, oudere man in, ook ziek, ook zonder de middelen om zelf telkens taxi’s te betalen. Later vertelde William mij dat hij onmiddellijk Albert Murray herkende. Maar hij was te verlegen om hem aan te spreken. Ze hebben de rit naar het ziekenhuis vriendelijk knikkend uitgezeten.’ Twee bruine Amerikaanse grootheden, zwijgend naast elkaar.

William M. Kelley stierf in 2017, 79 jaar oud: een klein jaar later stond het grote profiel van zijn herontdekking in The New Yorker.

Aiki: ‘Hij was niet verbitterd, tot het einde vond hij dat hij een echt leven had geleid, het leven dat hij zelf had kunnen vormgeven, volgens het ritme dat hem beviel, “op de maat van de muziek die hij hoorde”, om met Thoreau te spreken.’ Maar dat moet toch ook frustrerend zijn geweest, in ieder geval voor zijn omgeving? En dan die een beetje kritische, maar vooral toch voldaan verliefde bekentenis: ‘O, William M. Kelley was a real piece of work.’