Opheffer

We weten het niet

Amsterdam gedraagt zich als een alcoholicus; je kon vroeger met hem lachen, maar je weet tegenwoordig niet wat je moet doen aan de verloedering. Als je goed kijkt, is z’n nette jasje stuk, is z’n broek gescheurd, en stinkt hij uit zijn mond. Je hebt hem een paar keer licht gewaarschuwd, maar je denkt ook: hij is volwassen genoeg… en wat kan ik er trouwens aan doen.

Ik heb zulke vrienden… Gehad.

Ik woon in Amsterdam.

Is dit wat mijn moeder bedoelde toen ze na de oorlog zei dat ze haar stad niet meer herkende?

Sla een willekeurige bundel op van Simon Carmiggelt – die trouwens niet meer gelezen en bestudeerd wordt – en zie hoe dertig jaar geleden de stad nog was, en wat er niet meer is. Die kastelein is weg, die klanten zijn weg, die verhalen zijn weg – terwijl die verhalen vaak gingen over dat wat weg is…

Amsterdam is een illusie; de klank betekent niets meer; het is een willekeurige verzameling geworden waar de geschiedenis zelf een ruïne is geworden.

Wie – van de 170 nationaliteiten die we hier hebben – interesseert zich voor de beelden van Thorbecke, Vondel en Rembrandt in de stad? Wie wil iets meer weten over Palestrina, P.C. Hooft en Van Baerle?

De straat die genoemd is naar een joodse schrijfster, een socialiste die zich fanatiek inzette voor de vrouwenemancipatie, is dezelfde straat waar de moordenaar van Theo van Gogh woonde, Van Gogh die geslacht werd omdat hij voor Ayaan Hirsi Ali een film had gemaakt die de onderdrukking van vrouwen als onderwerp heeft. Het is de kleine ironie van uit de hand gelopen problemen. Zoals de wijk waar zich die straat bevindt een sociaal-democratisch ideaal vertegenwoordigde: wie daar zou opgroeien – tussen het groen, het licht en de ruimte – zou als vanzelf de beschaving met zich mee krijgen, zou als vanzelf sociaal-democratisch denken en doen, zou als vanzelf de nieuw herboren mens worden…

Er werden – en worden – daar thans aanslagen beraamd.

Mijn Amsterdam bestaat voor negentig procent in mijn geest, en voor tien procent uit rotzooi.

«De boel bij elkaar houden» is het credo van de burgemeester, maar wie wil wie bij elkaar houden? Waarom moet ik mensen bij elkaar houden die mij haten? Waarom moet ik vriendelijk zijn tegen antisemieten? Waarom moet ik aardig doen en maar knikken en buigen tegen degenen die de democratie omver willen kegelen? Waarom moet ik de hand vasthouden van degene die mijn keel wil afsnijden? Waarom moet ik de beleefdheidsnormen in acht nemen jegens degene die mij angst aanjaagt?

Ik hoef geen sterke overheidsmaatregelen, maar ik wil wel dat de overheid er alles aan doet om maatregelen te treffen zodat iedereen met rust gelaten wordt. Dat is uiteindelijk beschaving: dat we elkaar met rust laten, dat we elkaar niet storen of in de weg zitten, dat we kunnen doen wat we willen.

Maar de overheid houdt vooral zichzelf rustig.

De alcoholist loopt niet recht vooruit, hij zwaait van muur tegen muur, van lantaarnpaal tegen auto – tot hij valt.

Zo is het misschien net niet – in mijn beste momenten verbeeld ik me dat het een film is die teruggespoeld wordt. Het leger dat zich terugtrok marcheert de stad weer binnen…

Ik ben niet rechts! Ik ben godverdomme links! Ik heb alle pleurislijers en teringlijers goed onderwijs willen geven, maar de pleurislijers en teringlijers hebben nu wel een diploma, maar ze weten niet wanneer de Tweede Wereldoorlog precies was! Een diploma voor iedereen was een sociaal-democratische droom; het werd vertaald in: iedereen een diploma die de kleuterschool heeft doorlopen. Armzalige hersens in een armzalige stad.

Een alcoholicus zei ik? Een alcoholische hoer… Dat is ze. Amsterdam is een alcoholische temeier, een kwartjeshoer die zich laat nemen door alles en iedereen.

De openingen van de krant: Schiphol heeft last van terreur, er verdwijnt een ijsbaan, een ondernemer is aan lager wal geraakt… En gelukkig veel goede restaurants («Steeds meer sterren-restaurants»); we eten onze angst weg en ons verdriet.

Alles, maar dan ook alles wat ik vroeger belangrijk vond is in paniek of verkeert in een ernstige staat van verwarring.

De kranten in deze stad zijn in verwarring – Parool scheidde van de Perscombinatie, Trouw is op een ander formaat overgegaan, Volkskrant weet het niet meer.

De omroepen zijn in verwarring: elke week verschijnt er wel een rapport met hoe het nu verder moet; meer films, minder films, meer documentaires, minder nieuws, andere omroepen, oud, jong… we weten het niet.

Ik moet een schotel hebben, een antenne, een digitenne, kabel, een computergestuurde tv… we weten het niet.

Er is niet één politieke partij waarop ik zou willen stemmen. We weten het niet… De aardige mensen van vroeger blijken lafbekken of zijn, net als ik, alleen nog duidelijker, de weg kwijt, zoals Anil Ramdas, Geert Mak, Bas Heijne, Job Cohen. Ze weten het niet…

De schrijvers zwijgen, de kunstenaars zwijgen, de opiniebladen lijken allemaal op elkaar; wat vroeger ontstond uit noodzaak – zoals kranten en tijdschriften – lijkt zich niet meer om die noodzaak te bekommeren. Ze weten het niet meer…

Afgelopen zondag kijk ik naar het journaal: twee onderwerpen slechts. Het eerste onderwerp was de Europese verkiezingen, het tweede onderwerp betrof de winnaar van een cabaretprijs…

Ging dat cabaret over nu? Over slachtpartijen? Over oorlog? Over onmacht? Over een alcoholische hoer? Over bij elkaar houden? Over elkaar niet meer verstaan? Over angst? Over handelaren in angst, zoals ik? Over veiligheid?

Nee. Het was om te lachen, werd verteld.

Het was om te lachen.