Interview - Pankaj Mishra

We wilden zand in onze ogen

‘De mens streeft naar waardigheid, de menselijke ziel voedt zich niet met financiële plaatjes.’ Volgens essayist Pankaj Mishra kan vrijemarktretoriek de burger niet langer sussen. Angst en woede vragen om een oud vocabulaire.

Meiktila, Myanmar. ‘Ik ben net in Birma geweest, waar boeddhisten zich nu tot geweld verlagen. Boeddhisten!’ © Jonas Gratzer / Lightrocket via Getty Images

‘Age of Anger was een boek waar ik al aan werkte lang voordat ik door had dat ik eraan werkte.’ Aan het woord is Pankaj Mishra, ooit begonnen als romanschrijver aan de Indiase Allahabad University, inmiddels uitgegroeid tot een van de meest voorname essayisten in de kolommen van The Guardian, The New York Times en de London Review of Books. Hij is redelijk klein, draagt sandalen, en heeft donkere kringen onder zijn ogen. Drukke dagen, geen tijd voor small talk, boekpromotie. In Londen, waar hij woont, ligt het in elke boekwinkel in grote stapels: Age of Anger, met de ondertitel A History of the Present.

Mishra heeft zijn grote, lichte werkruimte in iets dat een oud schoolgebouw lijkt, of een ziekenhuis, nabij de Archway-metrostop, noordelijk van het centrum van Londen. De huizen zijn een of twee verdiepingen lager hier, de straten iets slordiger. Woonruimte is nog enigszins betaalbaar, maar ga een kilometer opzij en je bent bij de pittoreske stadswildernis van Hampstead Heath, waar onbetaalbare panden uitkijken over het groen, de bomen, de beroemde zwemvijver, het Kenwood House met zijn verzameling oude meesters, en de Highgate Cemetery. Karl Marx ligt daar begraven. Sinds kort moet je entree betalen om zijn grafsteen te bekijken. O ironie.

In feite, zegt Mishra, werkt elke zichzelf respecterende journalist aan precies dit boek. Iedereen die serieus over politiek schrijft, buigt zich wereldwijd over dezelfde thema’s. Over burgers die zich niet meer gezien voelen door hun parlement, over regeringen die niet weten hoe ze met de islam om moeten gaan, over overheden die weerloos staan tegenover de excessen van de grote multinationals. Zo’n beetje elk boek over het politieke landschap dat nu in de winkel ligt zou Age of Anger kunnen heten.

Ik, zegt Mishra, had alleen het geluk de eerste te zijn die zijn boek zo noemde. ‘Dit boek begon voor mij pas concreet te worden in 2014 – dus lang voor Trump en Brexit. Het begon met de verkiezingen in India, in 2014. Een boos volk trok naar de stembus, een volk dat zei zijn buik vol te hebben van de regerende klasse, die heel goed voor zichzelf zorgde, maar heel slecht voor de rest van het land. En dus koos dat volk een sterke man, eentje die beloofde dat ze zouden terugkrijgen wat ze verloren hadden in de mondiale economie, en zei ervoor te gaan zorgen dat rijkdom in het land eerlijker verdeeld zou worden. Zo werd in 2014 Narendra Modi gekozen tot het hoogste ambt van India, een man die in feite de rest van zijn leven in de gevangenis zou moeten zitten voor wat hij allemaal geflikt heeft.

‘De retoriek is overal hetzelfde: jij hoort er bij, jij hoort er niet bij’ © Atlas Contact

Modi had het over “dit grote land”, “dit soevereine volk”, over bloed en bodem, over het herstellen van de glorie van het verleden. De taal die hij sprak herkende ik. Het is precies de taal die werd gesproken in het negentiende-eeuwse Europa, waar de politieke pathologieën ontketend werden die nu weer terugkomen. Hoe meer ik me in die tijd ben gaan verdiepen, hoe meer ik ervan overtuigd ben dat het politieke moment waar we nu in zitten niet uniek is. We leven weer in het Europa van de negentiende eeuw. We herkennen dit alleen niet meer, omdat we alle excessen die toen hebben plaatsgevonden vergeten zijn.’

Waarom zijn we dat vergeten?

‘Als je de vraag wilt beantwoorden waarom mensen vandaag zo boos zijn, moet je bij dat vergeten beginnen. Of het verdringen. Het heeft met twee ideologieën te maken: de eerste was de sociaal-democratie van de decennia na 1945. Na de oorlog probeerde de sociaal-democratie de wereld ervan te overtuigen dat we met z’n allen aan een groot project van collectieve welvaart waren begonnen. We zouden allemaal rijker worden, gezonder, beter opgeleid, met politici die aan ons verantwoording schuldig waren.

Een tijdje terug besprak ik een boek, Mark Greifs The Age of the Crisis of Man, dat als these had dat in de naoorlogse decennia de dominante stroming in de wereldliteratuur de universele man was – met een hoofletter M. Het prototype vind je terug in Hemingway’s The Old Man and the Sea: een anonieme man die in het in z’n eentje opneemt tegen de natuur, de omstandigheden, en in zijn lijden waardigheid vindt. Het idee was dat wij allemaal deze man zijn. Dat ideaal valt wat mij betreft perfect samen met dat westerse model, dat zich natuurlijk ook verspreidde naar andere delen van de wereld. Dat model draaide om vooruitgang, de toekomst, progressie, om het gemeenschappelijke – maar dat model verleidde ons daarmee ons recente verleden van oorlog en onderdrukking te vergeten.’

Vooruitgang, progressie en het gemeenschappelijke klinken toch niet heel slecht?

‘Natuurlijk niet. Maar het loste de discontent onder grote bevolkingsgroepen niet op. Het maakte van ons geen moreel betere, ruimhartiger burgers. Het suste ons alleen. En zo kom je bij de tweede ideologie die ons ons verleden deed vergeten.’

‘We leven weer in het Europa van de negentiende eeuw. Maar alle excessen die toen hebben plaatsgevonden zijn we vergeten’

Namelijk?

‘De eerste scheuren in dat westerse model ontstonden in de jaren tachtig van Reagan en Thatcher, toen de sociaal-democratie de eerste vormen van deregulatie en privatisering toeliet. Na 1989 – eerst de val van de Muur, daarna de implosie van de Sovjet-Unie – was er geen houden aan. De ideologie van de sociaal-democratie werd neergehaald en gedelegitimeerd door de ideologie van het vrijemarktdenken. De markt bepaalde nu wie de winnaars en de verliezers waren, de natiestaat hield op relevant te zijn en werd overruled door abstracte, economische krachten. Dat gaat een tijd goed, een tijd lang zijn mensen bereid te geloven dat het collectieve skelet van de sociaal-democratie een land bij elkaar houdt, totdat het volk niet meer kan wegkijken en in de gaten krijgt dat de vrije markt de botten waar dat skelet uit bestaat aan de hoogste bieder verkoopt. We hebben onszelf zand in de ogen laten strooien. We wilden dat zand. Op een manier waarop mensen in communistische landen dat niet toestonden. Maar heel weinig mensen in de Sovjet-Unie geloofden in het communisme, maar ze moesten het wel accepteren. Het liberale vrijemarktdenken zit echter vol met blinde gelovigen, in elk parlement in Europa.’

De kapitalismekritiek is met Occupy en de bankencrisis enigszins teruggekeerd, maar hoe komt het dat we van nature zo lijken te geloven in de markt als grote gelijkmaker?

‘Eind negentiende en begin twintigste eeuw werd het kapitalisme gered door het parlementaire socialisme: de excessen, de dickensiaanse uitbuiting, het imperialisme waren op de lange termijn onhoudbaar, maar het socialisme haalde daar als gematigde kracht met allerlei wetgeving de scherpe kantjes vanaf. Wetgeving voor betere werkomstandigheden zorgde er bijvoorbeeld voor dat niemand zich nog druk maakte dat de winst naar een klein clubje mannen ging. Het socialisme in het Westen maakte het kapitalisme acceptabel. Maar toen in de tweede helft van de vorige eeuw het kapitalisme zich moest afzetten tegen het communisme ging dat met zo’n verbaal geweld dat niet alleen het communisme werd weggevaagd, maar ook het socialisme. It threw the baby out with the bathwater. Het kapitalisme gooide zijn eigen redder weg.’

De grote kracht van het kapitalisme is dat het zich nooit lijkt te presenteren als een ideologie, maar eerder als een natuurkracht. Zizek zei eens dat het makkelijker is het einde van de wereld voor te stellen dan het einde van de vrije markt.

‘Het lijkt alsof we bijna geen zinnig debat kunnen voeren over een alternatief voor het kapitalisme. Niemand in de politiek durft het aan. En dus gaat het debat nu over andere afgeleiden, over zondebokken die worden aangewezen: immigranten, moslims, de EU, China. Opnieuw: dit is niets nieuws, dit hebben we allemaal al eens meegemaakt.’

Spelen behalve de grote mondiale economie de nieuwe technologieën ook een rol? Ze hebben de wereld zichtbaarder gemaakt, dus de verschillen ook.

‘Hannah Arendt had het ooit over “negatieve solidariteit”. Wat ze bedoelde was dat – en ze zei dit lang voor de komst van breedbandinternet – door nieuwe communicatietechnieken en toenemende globalisering er door de hele wereld mensen bij elkaar werden gebracht, die daar zelf niet om gevraagd hadden. Grof gezegd: als iemand in China een fabriek begint, kan dat jou in Amerika je baan kosten. In zo’n systeem gaan mensen over de hele wereld argwanend naar elkaar kijken. Dat voedt de angst voor de ander. De Franse antropoloog Claude Lévi-Strauss gaf een zeer controversiële speech bij Unesco, in 1971. Hij zei dat hij racisme zag terugkeren omdat steeds meer mensen met elkaar verbonden werden via handel en communicatie, terwijl de mens een zekere mate van afstand nodig had om zijn racistische impulsen te kunnen controleren.’

Dat breedbandinternet heeft de mens alleen maar dichter bij elkaar gebracht.

‘Precies. “Every nation has become the immediate neighbour of every other country”, schreef Arendt al. Daar komt bij dat angst en woede besmettelijke emoties zijn. Ze slaan om zich heen als wildvuur.’

Voorzover er een lichtpunt in het boek van Mishra te ontdekken is, is dat het: we hebben dit al eens meegemaakt, en toen zijn we er ook doorheen gekomen. Age of Anger – dat in april in het Nederlands verschijnt als Tijd van woede – koppelt zodoende allerlei huidige fenomenen aan die uit het verleden. Trump is in één zin terug te leiden tot Rousseau, Brexit tot de poëzie van T.S. Eliot, IS tot Dostojevski.

‘In Irak en Syrië onthoofden terroristen mensen, filmen het stijlvol en posten het. Het is dandyisme, het is exhibitionisme’

Over Marx gesproken, die zo dichtbij begraven ligt: voor een boek dat vooral uit de intellectuele geschiedenis van de negentiende eeuw put, is Marx nauwelijks een factor van betekenis in Age of Anger. De ‘held’, tussen aanhalingstekens, is eerder Marx’ permanente tegenstrever Michail Bakoenin. Hij was een van de weinigen, schrijft Mishra, die door het bourgeois liberalisme heen keek. De arbeidersrevolutie was slechts een palliatief. De echte uiting van vrijheid was het haten en het doorbreken van elke vorm van structuur die de mens klein hield en uitbuitte. Dat vonden meer radicalen, maar wat Bakoenin uniek maakte, schrijft Mishra, is dat zijn anarchisme op het oog leek te breken met de moderne, gestroomlijnde, democratiserende maatschappij, maar bij nadere inspectie juist de vervolmaking van het moderne was. Het was de verheffing van de individuele mens.

Bakoenin dwingt ons anders over het geweld na te denken dat op zoveel plekken in de wereld keer op keer opduikt, zegt Mishra: ‘Er zijn veel parallellen te trekken tussen de woede van het soort mensen dat een islamitisch kalifaat van weleer wil heroprichten, bevolkt door louter zuivere gelovigen, en de woede van het soort mensen dat een land van weleer terug wil, bevolkt met dat mythologische Nederlandse duo – Henk en Ingrid, heten ze? – dat staat voor een verleden van pure culturele en etnische eenheid. Als we de woede die nu over de wereld trekt willen begrijpen, moeten we verder kijken dan religieuze, etnische of culturele lijnen. Ik ben net in Birma geweest, waar boeddhisten zich nu tot geweld verlagen. Boeddhisten! De laatste twee decennia hebben we ons blind gestaard op het terrorisme in de islam, terwijl dit soort terrorisme overal voorkomt. Zeggen dat terrorisme voortkomt uit de islam – wat continu overal gezegd wordt – is een vorm van intellectuele zelfmoord. Deze obsessie met de islam heeft onze manier van nadenken over dit onderwerp volkomen vertroebeld.

Want ga terug naar het begin van de twintigste eeuw, of het einde van de negentiende eeuw en je ziet precies dit soort geweld overal door Europa trekken. Denk aan de anarchisten die bommen gooiden in Parijse cafés. Denk aan mensen als de Italiaanse futuristische dichter Gabriele D’Annunzio die dweepte met een machismo dat draaide om geweld en vernietiging. Denk aan de tragische helden van Dostojevski, die moorden gewoon omdat het kan, omdat ze er nieuwsgierig naar zijn. En nee, dat is niet alleen fictie, Dostojevski schreef over de fascinaties van echte jonge mannen in het Rusland van die tijd. Voor hen was geweld een esthetische en existentiële ervaring. Het was, kortom, een ervaring die volledig samenviel met de moderne tijd.’

Geweld en de verheerlijking van geweld zijn niet per se iets moderns, toch? Dat kwam in de Middeleeuwen ook al voor?

‘De moderne tijd heeft altijd al gedraaid om de individuele expressie, autonomie, de individuele ervaring. Dit is wat je de terroristen ook ziet doen. Dit drijft hen. Die man die in een nachtclub in Florida talloze slachtoffers maakte, was zichzelf aan het googelen terwijl hij het deed. Hij wilde weten wat er online over hem werd gezegd. In Irak en Syrië onthoofden terroristen mensen en filmen het stijlvol en posten het online. Het is dandyisme, het is exhibitionisme, het is de kijk-mij-eens-attitude die hoort bij de manier waarop we leren onszelf in de markt te zetten.’

Tegelijkertijd zijn in Nederland, Frankrijk, India en Amerika politici populair die niet over individualiteit praten, maar over het volk, het collectieve. Is dat niet tegenstrijdig?

‘Het is precies die tegenstrijdigheid die ons frustreert. Als je vanuit de lange blik van de geschiedenis naar individualisme kijkt, dan zie je dat dat altijd ergens was ingebed, in de sociale controle van een buurt, of een kerk, of een gilde, en vanaf de negentiende eeuw in de natiestaat. Je kon als burger streven naar individualiteit, maar tegelijkertijd deed je dat binnen de context van iets groters. Dat had iets veiligs. De afgelopen vijftig jaar zijn alle instituten die voor die inbedding zorgden één voor één verdwenen. De vakbonden en kerken lopen leeg, de staat is gepasseerd door multinationals en internationale samenwerkingen. Nu er een crisis van burgerschap is – wie zijn wij? – verlangen mensen weer naar het veilige van de gemeenschap, maar die gemeenschap is ondermijnd, uit elkaar gevallen. En al die eeuwen van een steeds groter individualisme hebben ervoor gezorgd dat we niet terug kunnen. We kunnen onze vrijheden niet meer opgeven. Dus hoe moeten we die gemeenschap weer creëren? Nou, dat gebeurt door naar buitenstaanders te wijzen. Dat zie je van Wilders tot Modi. De retoriek is overal hetzelfde: jij hoort er bij, jij hoort er niet bij.’

Is dat ook de reden waarom identiteit ongeveer het sleutelwoord is in de nationale politiek, of het nu links, rechts, zwart of wit is? De behoefte aan duidelijke groepen waartoe je behoort?

‘Dat is te cynisch gezegd. Voor veel groepen is identiteit een manier geworden om over onderwerpen te praten waarover politici simpelweg niet praten. Over waardigheid, over trots, over rechtvaardigheid. Zwarte Amerikanen hebben het niet slechts over identiteit als ze over Black Lives Matter praten: ze hebben het over structureel racisme en uitbuiting. Daarom stoort het me gruwelijk als witte politici als Trump hen verwijten de “race card” te spelen; zwarte Amerikanen hebben de raciale hiërarchie niet uitgevonden, you defined blackness!, dat hebben mannen als Trump gedaan.’

Ziet u politici die de ban van angst en woede kunnen doorbreken? En hoe dan?

‘Ik denk dat we de woede die we voelen niet in politieke termen kunnen doorgronden. Politici – maar ook intellectuelen, journalisten, academici – hebben de laatste drie decennia de simplistische ideologie van de vrije markt als grote goedmaker omarmd, en nu we over meer dan welvaart moeten praten missen we de juiste woorden. Ik ben ervan overtuigd dat we een oud vocabulaire moeten terugvinden, en moeten spreken over dingen als de menselijke ziel. Niemand praat nog over spiritualiteit in het openbaar – dat doe je maar thuis, als niemand meeluistert – maar dat is een grote fout. Deze crisis die we nu meemaken toont ons dat de mens zich door veel meer laat leiden dan hyperrationele argumenten over economische groei. De mens streeft naar waardigheid, de menselijke ziel voedt zich niet met financiële plaatjes. De enige publieke figuren die daar nu over durven te praten zijn de paus en de dalai lama. Pas als politici durven te spreken over vragen als “wat maakt ons een mens?” zullen ze in staat zijn onze woede te temperen.’

Woede

Nadat ze in Groot-Brittannië (Brexit) en de Verenigde Staten (Trump) al van zich hebben laten horen, trekken ze dit voorjaar naar de stembussen in Nederland en Frankrijk, terwijl de rest van Europa zijn adem inhoudt: boze burgers. Maar waarom zijn ze zo boos? En wat is woede precies? In een serie interviews met toonaangevende schrijvers, filosofen, psychiaters en kunstenaars gaat De Groene op zoek naar de vraag waarom woede de sleutelemotie lijkt van deze zo rijke tijd.