De soennificatie van de Turkse politiek

‘We worden het Arabische moeras in gezogen’

Als gevolg van de burgeroorlog in Syrië lopen de binnenlandse spanningen in Turkije op. De alevitische minderheid hekelt het beleid van premier Erdogan. ‘Hij behandelt ons met de allergrootste minachting.’

Medium img 0752

Gaziantep – Het beste kebab- en baklava-restaurant van Turkije staat aan de rand van de bazaar van Gaziantep, het Imam Cagdas Restoran. In een nieuwbouwwijk van Gaziantep staat het mooiste mozaïekmuseum van Turkije, het Zeugma Museum. En in Gaziantep staat een van de leukste en prettigste hotelletjes, het Anadolu Eveleri. Als er een Michelingids voor Turkije bestond dan had er voor deze stad de aantekeningen gestaan ‘il vaut le voyage’. Ik, althans, rijd er graag een dag voor om.

Aleppo is dichterbij (97 kilometer) dan de hoofdstad Ankara (680 kilometer). Aan de Turkse kant van de grens, bij Gaziantep, liggen drie grote vluchtelingenkampen. In de stad zelf, die een autochtone bevolking heeft van anderhalf miljoen zielen, zijn nog eens tienduizenden vluchtelingen neergestreken. Zij zijn bij familie ingetrokken of huren zelf huizen en appartementen.

Turkse toeristen hebben zich tot nu toe weinig aangetrokken van de nabijheid van de Syrische vluchtelingen en van strijders die hun diensten onderbreken met een week of wat rust bij hun families in de kampen of in de woningen in de stad. Kort geleden in het Zeugma Museum zag ik drommen Istanbulse bezoekers, stil en beleefd zoals Turkse toeristen doen, luisteren naar gidsen die vertelden over deze stad met zijn grote villa’s en uitmuntende kunstwerken aan de Eufraat, de uiterste oostgrens van het Romeinse Rijk. Voor mijn gevoel begint nog altijd een andere wereld, een oosterse wereld, bij het oversteken van de Eufraat; daar begint het werkelijke Midden-Oosten.

Turkije biedt op het ogenblik onderdak aan vierhonderdduizend ontheemden uit Syrië. De Turken hebben ruimhartig gegeven aan de Syrische vluchtelingen; overheid en Turkse hulporganisaties zorgen voor de opvang. De Turkse kampen staan bekend om orde en netheid. De medische zorg voor de ontheemden is over het algemeen goed. In een tot ziekenhuis ­omgebouwd hotel in Kilis, de Turkse grensovergang bij Gaziantep, leidt een Turkmeense arts uit Aleppo me rond. In elke kamer staan vijf bedden waarop mannen, jong en oud, liggen die bijna allen zijn neergeschoten door scherpschutters van het Assad-regime. Sommigen zijn vanaf de borst verlamd, anderen kunnen hun benen niet gebruiken. Voor elke patiënt heeft de arts een opbeurend woord: ‘Je gaat weer helemaal beter worden’, zegt hij, maar mij fluistert hij in het oor dat het met deze mannen niet meer goed zal komen, dat ze voor de rest van hun leven invalide zullen blijven, en dat sommigen zelfs niet lang meer te leven hebben. De lakens op de bedden zijn schoon, de tegelvloer is proper, het afval gaat in vuilnisbakken, de lucht is fris dankzij de ramen die tegenover elkaar zijn opengezet. Dit ziekenhuisje wordt gerund door vrijwilligers van de Turkse organisatie ‘Is daar iemand?’ van de islamitische Gülen-beweging.

Maar onder het mededogen met de slacht­offers van de Syrische burgeroorlog en ondanks het zorgeloze toerisme in de buurt van de grens begint het onder de Turkse bevolking te broeien. Niet alleen de ergernis over de pro-soennitische politiek van de Erdogan-regering, ook de vrees voor de gevolgen van dat beleid groeit. Je hoeft maar een beetje te krabben aan de goede bedoelingen – de hulp die men zegt als moslim en mens verplicht is te geven aan de onschuldige vrouwen en kinderen uit Syrië – en de angst meegezogen te worden in de dolle draaikolk die Syië, Irak en Libanon zijn geworden, gutst naar buiten in over elkaar tuimelende woorden.

Camit Bingöl, een rijke fabrikant in Gazian­tep, heeft geen aanmoediging nodig om zijn gal te spuien over de Syrische vluchtelingen en de Syrië-politiek van premier Erdogan. In de directeurskamer van zijn katoenfabriek op het industrieterrein legt hij mij zijn onvrede met de huidige situatie uit aan de hand van een aantal retorische vragen: ‘Waarom zijn die Arabieren hier? Wat gebeurt er als hun geld op is? Hoe lang gaan ze blijven? Ze zeggen dat ze vluchtelingen zijn, maar ze gedragen zich alsof Gaziantep van hen is. Ze stelen, ze zijn een gevaar in het verkeer, maar waarom durft niemand hen aan te pakken? Waar we ook kijken, we zien Arabieren. Maar wie zijn ze? Zijn ze slachtoffers of profiteurs, of komen ze hier de boel opblazen? Dat zijn de vragen die wij als zakenlui bespreken.’

Volgens directeur Bingöl is er nog maar één nieuwe ramp nodig, één nieuwe aanslag, en de situatie in Turkije explodeert. Hij noemt de zware bomaanslag die op 11 mei in Reyhanlı, ten zuidwesten van Gaziantep plaatsvond en waarbij 53 doden zijn gevallen en meer dan honderd gewonden. De aanslag zou het werk zijn geweest van het Assad-regime. Volgens Bingöl wordt Turkije als gevolg van de islamitische politiek van premier Erdogan ‘de EU uitgezet en het Arabische moeras ingezogen’. Opnieuw probeert hij door het stellen van een retorische vraag zijn zorgen over de gevolgen van de burgeroorlog, die op slechts enkele tientallen kilometers afstand van zijn fabriek uitgevochten wordt, duidelijk te maken. ‘De autoriteiten die in mijn naam besluiten nemen en die ons een islamitische identiteit willen opleggen, waar leiden die ons naartoe?’ Hij geeft zelf antwoord: ‘Die leiden ons naar een grotere oorlog tussen soennieten en sjiieten. We gaan van een Turkse samenleving die met mes en vork eet naar een Arabische samenleving die met drie vingers eet, zoals ze zeggen dat de profeet deed.’ Zoals hij de soennificatie van Turkije vreest, zegt Bingöl, zo vreest hij de soennificatie van de buitenlandse politiek.

Camit Bingöl heeft gelijk als hij zegt dat de spanning tussen de soennitische meerderheid en de alevitische minderheid in Turkije is toegenomen sinds Erdogan de kant van de Syrische islamisten heeft gekozen. De positie van alevieten in Turkije, de grootste minderheid in het land, is nooit rooskleurig geweest. Ze worden gediscrimineerd en niet als echte moslims erkend. Alevitische kinderen worden op school gedwongen lessen in de soennitische islam te volgen. Alevieten wordt op alle mogelijke manieren de toegang tot de hoogste rangen in leger en bureaucratie ontzegd. Premier Erdogan toont tegenover de Turkse alevieten een even grote ongevoeligheid, een haat bijna, als tegenover de, in eerste instantie geweldloze, demonstranten op het Taksim-plein in Istanbul die hij capulcu noemde, plunderaars, en ‘terroristen’. Hij heeft, bijvoorbeeld, de gebedshuizen van de alevieten als ‘wangedrochten’ beschreven en hij lijkt niet van plan de nieuwe grondwet aan te passen en hun gelijke rechten met de soennieten te geven. De cemevi, het gebedshuis van de alevieten, noemt Erdogan geen plek waar godsdienstoefeningen gehouden worden, maar ‘cultureel centrum’ – alsof het slechts folkloristische verenigingsgebouwen zijn waar op een bijzondere manier Allah en Ali, de schoonzoon van de profeet Mohammed, worden geëerd, met zang en dans en mannen en vrouwen die door elkaar heen zitten.

In Gaziantep was ik een avond de gast van een bijeenkomst van alevieten in hun cemevi en de heren en dames van het bestuur vertelden me hoe diep premier Erdogan, president Abdullah Gül en de ministers van de akp-regering hen gekrenkt hebben met de naam die zij aan de nieuwe brug over de Bosporus hebben gegeven: de Yavuz Sultan Selim-brug, naar sultan Selim de Grimmige, ook bekend als de alevietendoder. Selim groeide op, zoals alle Ottomaanse prinsen, in een gewelddadige en disfunctionele familie. Zijn oudere broer werd door hun vader, Süleiman de Prachtige, geëxecuteerd. Zelf liet Selim zijn enige andere overgebleven broer en troonpretendent wurgen. Tijdens zijn regeringsperiode vermoordde hij drie van zijn zeven grootviziers. De persoonlijke gezant van de sjiitische heerser over wat tegenwoordig Iran is en die met vredesvoorstellen kwam, werd op last van de sultan gedood. Selim verpletterde veertigduizend alevieten die, volgens de sultan, met hulp van de Perzische sjah tegen zijn bewind in opstand waren gekomen. Hij bracht Mekka, Medina en Jeruzalem onder Ottomaans, dat wil zeggen Turks, gezag.

De tweede brug over de Bosporus, daterend uit 1988, is eveneens genoemd naar een bloeddorstige sultan, sultan Mehmet de Veroveraar. Die behaalde in het midden van de vijftiende eeuw een enorm succes op de christenen met de inname van Constantinopel.

Selim II had nog meer wreedheden in petto voor zijn heterodoxe onderdanen. Zijn sheich ul-islam, de hoogste religieuze autoriteit in het rijk, veroordeelde de alevieten, die toen kızılbas heetten, ‘rode hoofden’ (door alevieten tegenwoordig vaak gebruikt als geuzennaam), tot ketters en afvalligen van het ware geloof. In een fatwa voegde deze sheich ul-islam, Ebüssuud genaamd, daar nog aan toe: ‘Iedereen die met hen sympathiseert en hun valse godsdienst voor waar aanneemt, is zelf ook afvallige en ketter. Het is (…) een goddelijke plicht hen uit te roeien.’

De soennitische akp-regering had al voor zij de ongepaste naam aan de brug gaf zout in de wonden van de alevieten gestrooid. Het bestuur van de cemevi in Gaziantep vertelt me dat het de gewoonte is geworden van de overheid om straten in alevitische wijken en dorpen te noemen naar Selim de Grimmige en naar Ebüssuud. Dat is nog niet alles. Daar waar veel alevieten wonen worden moskeeën gebouwd, maar in die gebedshuizen mogen zij niet op hun manier hun godsdienst beleven. De secretaris van het bestuur vraagt: ‘Weet u hoeveel moskeeën er in Gazian­tep zijn? Negenhonderd. Negenhonderd moskeeën in een stad van anderhalf miljoen inwoners, van wie er tweehonderdduizend aleviet zijn! En voor ons zijn er slechts drie cemevi’s.’ De secretaris kijkt naar de andere bestuursleden en voegt er dan aan toe: ‘Dan zijn er in de afgelopen twee jaar nog eens honderdduizend soennitische vluchtelingen uit Syrië in en rond Gaziantep bijgekomen.’

De alevitische gemeenschap in Turkije is ook uiterst verbolgen over wat zij discriminerende uitspraken van premier Erdogan noemen. Zo sprak hij over de slachtoffers van de bomaanslag in Reyhanlı als over ‘onze soennitische martelaren’ – alsof er geen slachtoffers van een andere religie onder hen waren. Erdogan kan er volgens de bestuursleden geen genoeg van krijgen om zijn gehoor eraan te herinneren dat de leider van de seculiere oppositiepartij, Kemal Kılıcdaroglu, een aleviet is, op een zodanige manier dat het lijkt of Kılıcdaroglu en Bashar al-Assad van het zelfde laken een pak zijn. ‘Hij behandelt ons met de allergrootste minachting’, zegt de secretaris.

Religieus is er tussen Arabische, dat wil zeggen Syrische, alawieten en Turkse alevieten weinig verschil. De naam waarmee ze worden aangeduid wordt op twee verschillende manieren geschreven: de Turkse naam met een ‘v’ en de Arabische met een ‘w’. Dat komt doordat het Turkse alfabet de letter w niet kent. Arabische alawieten zijn wat strenger dan Turkse alevieten. De Arabische alawieten bidden wel in moskeeën, vasten gedurende Ramadan, en mannen en vrouwen bidden bij hen apart. Bij de Turkse alevieten is het andersom.

Alevieten of alawieten, ze komen beiden voort uit de sjiitische stroming van de islam, maar zijn door de eeuwen heen evenmin erkend door de sjiitische geleerden als door de soennieten. Pas in de jaren zeventig van de vorige eeuw werden ze dankzij een fatwa van een Iraanse ayatollah opgenomen in de sjiitische islam.

In de religieuze praktijk en wet zijn er weinig verschillen tussen sjiieten en soennieten. Het grootste verschil zit in de kwestie rond de opvolging van de profeet Mohammed. De soennieten zien Aboebakr en Omar als de recht­geleide kaliefen en opvolgers van de profeet. De sjiieten vinden dat de opvolging toekwam aan Ali, neef en schoonzoon van Mohammed en de echt­genoot van diens dochter Fatima. Alevieten en alawieten vereren bovendien Ali als de manifestatie van God in menselijke gedaante. Over die opvolgingskwestie wordt nu al veertien eeuwen oorlog gevoerd.

Wat aanvankelijk een conflict was tussen Syriërs onderling, tussen het Assad-regime en groepen die het tirannieke bewind in Damascus wilden afwerpen, is een regionale oorlog geworden. Een oorlog tussen omringende landen en geloofsgemeenschappen met – grofweg – aan de ene kant Qatar, Saoedi-Arabië, Turkije, de Koerdische Regionale Regering van Noord-Irak, de VS en de Syrische oppositie, en aan de andere kant Bashar al-Assad en de Syrische alawieten en christenen, Iran, het Iraakse bewind van Nouri al-Maliki, de Libanese Hezbollah en Rusland. Oftewel: een oorlog om de sjiitische halve maan die zich kromt van Baluchistan in het oosten naar Beiroet aan de Middellandse Zee in het westen. Voor elke islamitische sekte is de ander simpelweg geen moslim. De oorlog was over­geslagen naar Libanon.

Terug in het Imam Cagdas-restaurant, een grote salade van komkommer, tomaten, paprika en peterselie, overgoten met granaatappelsap, en borden kebab op lagen gepureerde aubergine en dikke Turkse yoghurt, neem ik met mijn assistent het nieuws van de afgelopen dag door. Een gerenommeerd bedrijf heeft een opinieonderzoek gedaan onder duizenden Turken. Slechts 27 procent zegt achter de pro-soennitische en anti-Assad-politiek van de regering te staan. En 44 procent zegt dat het hun niet kan schelen of Assad blijft zitten of dat de rebellen winnen.

De officiële woordvoerder, tevens vice-voorzitter, van de akp, Hüseyin Celik, heeft die dag tegenover de pers geïnsinueerd dat alevieten achter de gewelddadigheden ­tijdens de Taksim-demonstraties zaten. Hij vond het namelijk niet toevallig dat het verzet tegen de ontruiming van het Taksim-plein begon op de dag na het slaan van de eerste paal van de Selim de Grimmige-brug. Dat kwam boven op de onterende manier waarop Ahmet Davutoglu, de Turkse minister van Buitenlandse Zaken, over de (Syrische) alawieten had gesproken en hen met een oude discriminerende naam had aangeduid.


Betsy Udink is journaliste en schrijfster. Ze publiceerde onder meer de boeken Allah en Eva (2006) en In Koerdische kringen (2010)